Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT2793

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2005
Datum publicatie
30-03-2005
Zaaknummer
200404574/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2004, kenmerk MV2003-07, heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een betonmortelcentrale aan de [locatie] te Lienden. Dit besluit is op 29 april 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404574/1.

Datum uitspraak: 30 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Ondernemersvereniging De Hofstede", gevestigd te Lienden,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Buren,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2004, kenmerk MV2003-07, heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een betonmortelcentrale aan de [locatie] te Lienden. Dit besluit is op 29 april 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 25 november 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door, mr. drs. J. Wildschut, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. B.J.M. Oostrik, ambtenaar van de gemeente zijn verschenen. Tevens zijn namens vergunninghoudster, [gemachtigden], als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2.    Appellante voert aan zich niet te kunnen verenigen met de in voorschrift 2.2 opgenomen grenswaarden voor het maximale geluidniveau van 70 dB(A) voor de dagperiode en 65 dB(A) voor de avondperiode. Deze geluidgrenswaarden zijn volgens haar te hoog. Zij stelt dat uit het bij de aanvraag gevoegde akoestische rapport blijkt dat met lagere grenswaarden kan worden volstaan.

2.2.1.    Verweerder stelt dat hij voor de in voorschrift 2.2 opgenomen waarden heeft aangesloten bij de waarden die in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 (hierna: de Handreiking) als maximaal aanvaardbaar worden aangemerkt.

2.2.2.    De Afdeling stelt vast dat piekgeluidgrenswaarden van 70 en 65 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avondperiode door de Handreiking nog als acceptabel worden aangemerkt. Dit geldt ook als uit akoestisch onderzoek blijkt dat met lagere grenswaarden zou kunnen worden volstaan. De Afdeling is van oordeel dat niet kan worden gesteld dat verweerder door het opnemen van de onderhavige geluidgrenswaarden buiten de grenzen van de hem toekomende beoordelingsvrijheid is getreden. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.3.    Appellante voert aan te vrezen voor stofhinder. Zij betoogt dat de in voorschrift 7.1 opgenomen norm voor stofemissie niet kan worden nageleefd, omdat de inrichting functioneert volgens het zogenoemde "droge principe" en verweerder ten onrechte niet heeft verlangd dat er met een volledig gesloten systeem wordt gewerkt. Zij stelt dat de emissieconcentratie in alle gevallen aan de grenswaarde van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (hierna: de NeR) zou moeten voldoen. In dit verband verwijst zij naar het Besluit luchtkwaliteit en naar artikel 10 van richtlijn 1999/45/EC die verdergaande maatregelen mogelijk zouden maken om te waarborgen dat aan de grenswaarde van de NeR wordt voldaan.

2.3.1.    Verweerder stelt het aspect stofhinder beoordeeld te hebben aan de hand van de NeR. Op grond van de NeR geldt in casu voor de emissie van stof een norm van 5 mg/m3. Deze norm heeft verweerder in de vergunning, te weten in voorschrift 7.1, vastgelegd. Volgens verweerder volgt uit de vergunningaanvraag dat de inrichting ook aan deze norm kan voldoen.

2.3.2.    De Afdeling stelt vast dat de in vergunningvoorschrift 7.1 opgenomen emissienorm van 5 mg/m3 tussen partijen niet ter discussie staat. De Afdeling overweegt dat uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat door de opstelling van de betoncentrale in een afgesloten bedrijfshal die onder een lichte onderdruk wordt gehouden, de aanwezigheid van afzuiginginstallaties en doekfilters aan de gestelde grenswaarde kan worden voldaan. Hetgeen appellante aanvoert ten aanzien van de mogelijkheid om verdergaande maatregelen te nemen doet hieraan niet af. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.4.    Het beroep is ongegrond.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren    w.g. Klap

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2005

315.