Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT2782

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2005
Datum publicatie
30-03-2005
Zaaknummer
200405465/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer (hierna: het college) aan appellante sub 3 vrijstelling en bouwvergunning verleend voor 104 seniorenappartementen aan de [locatie] te Aalsmeer op de percelen, kadastraal bekend gemeente Aalsmeer, sectie […], nummers […] (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405465/1.

Datum uitspraak: 30 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer,

2.    [appellanten sub 2], wonend te Aalsmeer,

3.    de stichting "Stichting Eigen Haard Olympus Wonen", gevestigd te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer (hierna: het college) aan appellante sub 3 vrijstelling en bouwvergunning verleend voor 104 seniorenappartementen aan de [locatie] te Aalsmeer op de percelen, kadastraal bekend gemeente Aalsmeer, sectie […], nummers […] (hierna: de percelen).

Bij besluit van 19 november 2002 heeft het college het daartegen door appellanten sub 2 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2004, verzonden op 14 juni 2004, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten sub 2 ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellanten sub 2. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 30 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2004, appellanten sub 2 bij brief van 15 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellante sub 3 bij brief van 9 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 9 september 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 november 2004 heeft het college van antwoord gediend. Appellanten sub 2 hebben gereageerd bij brief van 3 november 2004. Appellante sub 3 heeft gereageerd bij brief van 4 november 2004.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2005, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.H.A. van der Grinten, advocaat te Amsterdam, vergezeld van L. van der Ley, en [appellanten sub 2] in persoon, en appellante sub 3, vertegenwoordigd door ing. J.G. Teensma, bijgestaan door mr. H.S. Weerda, gemachtigde, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse als bestemmingsplan geldende uitbreidingsplan "Stommeer-Zuid 1964" zijn de percelen bestemd voor "Openbare en bijzondere gebouwen en bijbehorende terreinen".

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, voorzover thans van belang, is op de gronden bestemd voor "Openbare en bijzondere gebouwen en bijbehorende terreinen" uitsluitend bebouwing toegestaan met openbare en bijzondere gebouwen, zoals scholen, verenigingsgebouwen, gebouwen bestemd voor de openbare eredienst en dergelijke, alsmede de nodige bijgebouwen met inachtneming van het op de kaart bepaalde.

   Op de plankaart is ter plaatse van het perceel een maximum bebouwingspercentage aangegeven van 50% en een maximum goothoogte van 7,5 m.

2.2.    Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college toepassing gegeven aan artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat artikel luidde tot 3 april 2000 (de zogenoemde anticipatieprocedure). Vaststaat dat ten tijde van belang was voldaan aan de wettelijke vereisten om toepassing te geven aan deze procedure.

2.3.    Het college en appellante sub 3 komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een niet geringe inbreuk op zowel de bestaande feitelijke situatie als het bestaande planologische regime en dat het planologisch kader waarop is vooruitgelopen, tekortschiet. Zij betogen dat het bouwplan slechts een geringe afwijking van het bestaande planologische regime inhoudt en dat een voldoende planologisch kader aanwezig is.

2.4.    De beslissing om al dan niet te anticiperen dient te berusten op een afweging van het belang van onmiddellijke uitvoering van het bouwplan tegen het belang dat eerst de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure wordt afgewacht. Daarbij is de te verlangen mate van spoedeisendheid afhankelijk van de omvang van de inbreuk op het geldende planologische regime alsmede van de uitstraling die het project op de omgeving heeft. Naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie ernstiger is, dienen zwaardere eisen te worden gesteld aan de mate van spoedeisendheid van het bouwplan en aan het planologische kader waarop wordt vooruitgegrepen.

2.5.    Voorzover appellanten sub 2 betogen dat de rechtbank heeft miskend dat er geen dringende redenen aanwezig zijn die rechtvaardigen dat niet wordt gewacht op de een herziening van het bestemmingsplan en dat mitsdien het college geen gebruik had mogen maken van de anticipatieprocedure, faalt dat betoog. Met het bouwplan is beoogd te voorzien in geschikte huisvesting voor ouderen. Het college heeft daarbij gewezen op stagnatie van woningbouw in Aalsmeer tengevolge van de problematiek rondom de geluidscontouren van Schiphol. Niet kan worden staande gehouden dat het bouwplan wat de urgentie van de uitvoering ervan betreft niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval moeten worden gesteld. Voldoende aannemelijk is dat de druk op de woningmarkt in de gemeente aanzienlijk is, hetgeen door appellanten sub 2 ook niet is betwist. De omstandigheid dat nog niet alle woningen zijn verkocht maakt dat niet anders.

2.6.    Ter zitting hebben appellanten sub 2 aangegeven dat zij op zichzelf geen bezwaar hebben tegen woningbouw op deze locatie en dat hun bezwaar tegen dit bouwplan met name de invulling en omvang ervan betreft. Vastgesteld moet evenwel worden dat het bestemmingsplan toestaat dat het perceel voor 50% wordt bebouwd en dat daarin geen eisen aan de situering van de bebouwing zijn gesteld. Blijkens de bouwtekeningen overschrijdt het bouwplan het toegestane bebouwingspercentage niet. Voorts zijn in dat plan, afgezien van een maximale goothoogte, geen voorschriften opgenomen die beperkingen stellen aan de hoogte van de bebouwing. Dit brengt mee dat ingevolge het bestemmingsplan thans doorlopende bebouwing kan worden gerealiseerd tegen de perceelsgrens evenwijdig aan de straat waaraan de woningen van appellanten sub 2 zijn gelegen met een grotere hoogte dan die waarin het bouwplan voorziet. Dit in aanmerking nemende is de Afdeling van oordeel dat het bouwplan een geringere inbreuk maakt op het bestaande planologische regime dan de rechtbank heeft aangenomen.

2.7.    Vaststaat dat de gemeenteraad van Aalsmeer het voor anticipatie vereiste voorbereidingsbesluit heeft genomen uitdrukkelijk met het oog op het hier aan de orde zijnde bouwplan. Voorts is het perceel in zowel de Structuurvisie Dorp/Stommeer van 1992, de Ontwikkelingsvisie Aalsmeer van 1993 en de Aalsmeerse Gebiedsvisie 2001 aangemerkt als een toekomstige locatie voor woningbouw. Voor deze locatie is in 1997 een bestemmingsplan voorbereid dat voorzag in appartementen en dat het overleg bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 heeft doorlopen. Gebleken is dat de procedure tot vaststelling van dat plan niet verder is voortgezet in verband met de wens van de gemeenteraad om het aantal bestemmingsplannen te verminderen door bij planherzieningen grotere gebieden te betrekken. Volgens het college zal het bouwplan worden verwerkt in een op stapel staande planherziening voor het gehele gebied Stommeer. De omstandigheid dat voormeld ontwerp uitging van minder appartementen op het perceel dan het bouwplan biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een bestemmingsplan waarin het bouwplan past geen rechtskracht zal kunnen verkrijgen. Gelet op de mate waarin heet bouwplan inbreuk maakt op het bestaande planologische regime is het toekomstig planologisch kader van voldoende gewicht om de anticipatieprocedure te volgen.

2.8.    Appellanten sub 2 betogen tevergeefs dat het college de verleende vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen handhaven. De in het bouwplan voorziene appartementengebouwen zijn met de achterzijde haaks op de woningen van appellanten sub 2 geprojecteerd op een afstand van ongeveer 13 m daarvan. Niet kan worden staande gehouden dat het bouwplan ten opzichte van de bestaande bebouwingsmogelijkheden van het perceel leidt tot een onaanvaardbare vermindering van privacy en lichtinval. Het verschil in bouwhoogte met de woningen van appellanten sub 2 dat vanwege de lagere ligging van het perceel niet meer dan maximaal 1,50 m bedraagt, acht de Afdeling niet onaanvaardbaar.

2.9.    Het hoger beroep van appellanten sub 2 is ongegrond. Het hoger beroep van appellanten sub 1 en 3 is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van appellanten sub 2 ongegrond verklaren. Reeds gelet hierop bestaat geen grond voor herroeping van het besluit van 18 juni 2002 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zoals door appellanten sub 2 bepleit.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.11.    De Afdeling ziet aanleiding te bepalen dat de Secretaris van de Raad van State aan appellante sub 3 het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht terugbetaalt.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer en appellante sub 3 gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2004, AWB 03/166 WRO;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan appellante sub 3 het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 409,00 terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Willems

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2005

412.