Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT1989

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2005
Datum publicatie
23-03-2005
Zaaknummer
200405671/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een pand voor een supermarkt, 18 appartementen en een parkeerkelder op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405671/1

Datum uitspraak: 23 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 juni 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een pand voor een supermarkt, 18 appartementen en een parkeerkelder op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 27 november 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2004, verzonden op 9 juni 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 2 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 augustus 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 6 september 2004 heeft [vergunninghouder] een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2004, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. K. Roordink, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.A. van Creij, ambtenaar van de gemeente Eindhoven, zijn verschenen. Voorts is daar namens vergunninghouder mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van het college van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien.

2.3.    De rechtbank is in de aangevallen uitspraak uitvoerig ingegaan op de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan en is daarbij tot het oordeel gekomen dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. In hetgeen appellanten daarover in hoger beroep hebben beoogd, kan geen grond gevonden worden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot deze conclusie is gekomen. Voorzover de ruimtelijke onderbouwing feitelijke onjuistheden bevat heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat deze van ondergeschikte aard zijn. Gelet hierop faalt evenzeer het betoog van appellanten dat het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant de verklaring van geen bezwaar heeft verleend op basis van een onjuiste voorstelling van zaken.

2.4.    Appellanten betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen ten behoeve van het bouwplan. In verband hiermee wijzen zij erop dat uitvoering van het bouwplan het uitzicht en de privacy zal aantasten en zal leiden tot verminderde daglichttoetreding en verminderde bezonning. Voorts wijzen zij op de verkeersaantrekkende werking vanwege de supermarkt en op de beperkte manoeuvreerruimte voor vrachtauto's die de supermarkt bevoorraden.

2.4.1.    Deze bezwaren van appellanten in hoger beroep komen neer op een herhaling van hetgeen zij al ten overstaan van de rechtbank hebben aangevoerd. De Afdeling ziet geen aanleiding daaromtrent anders te oordelen dan de rechtbank op goede gronden - uitgebreid gemotiveerd - heeft gedaan.

2.5.    Appellanten betogen tevergeefs dat het plan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. De rechtbank is uitvoerig op deze beroepsgrond ingegaan en de Afdeling is van oordeel dat de rechtbank deze stelling op goede gronden niet heeft gevolgd. Hetgeen appellanten daarover nog in hoger beroep hebben aangevoerd, werpt geen ander licht op de zaak.

2.6.    Appellanten hebben eerst ter zitting in beroep betoogd dat de lengte van de parkeervakken en de plaatsing van de kolommen in de parkeerkelder niet voldoen aan de norm NEN 2443 en dat de traparmen in strijd met het Bouwbesluit zonder tussenbordes een hoogte overbruggen van 4.20 meter. Voorts hebben appellanten voor het eerst in hoger beroep aangevoerd dat de parkeercapaciteit voor de supermarkt niet voldoet aan door het college vastgestelde parkeernormen. Niet gebleken is dat deze gronden niet in een eerder stadium hadden kunnen worden aangevoerd. De Afdeling laat deze betogen daarom buiten beschouwing. Voorts kan de stelling van appellanten dat de vergunning voor het slopen van bebouwing op het perceel op onjuiste gronden is verleend, in deze procedure niet aan de orde komen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en  mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat.

De Voorzitter    w.g. Tulmans

is verhinderd de uitspraak    ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2005

17-381.