Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT1984

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2005
Datum publicatie
23-03-2005
Zaaknummer
200403837/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (L.) (hierna: het college) aan de [vergunninghoudster] een aanlegvergunning verleend voor de verwezenlijking van een golfterrein op gronden rond de ruïne van het kasteel Bleijenbeek te Afferden.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 51K
Module Ruimtelijke ordening 2005/316
Milieurecht Totaal 2005/2149
JBO 2005/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200403837/1.

Datum uitspraak: 23 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 13 april 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (L.) (hierna: het college) aan de [vergunninghoudster] een aanlegvergunning verleend voor de verwezenlijking van een golfterrein op gronden rond de ruïne van het kasteel Bleijenbeek te Afferden.

Bij besluit van 9 maart 2004 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 april 2004, verzonden op 21 april 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, voorzover het college het door [appellant A] gemaakte bezwaar ontvankelijk heeft geacht, het besluit van 9 maart 2004 in zoverre vernietigd, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 9 maart 2004, voorzover dat is vernietigd, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 7 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 juni 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 juli 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2004, waar appellanten in de personen van [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. C.W.M. van Alphen, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door P.C.W. Peters en H.S.W. Banken, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar, namens de [vergunninghoudster], gehoord [directeur], alsmede [gemachtigden], bijgestaan door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen.

2.    Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.1.    Appellanten keren zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant A] ten onrechte in zijn bezwaren is ontvangen, omdat hij geen belanghebbende zou zijn bij het besluit tot verlening van de aanlegvergunning. Hiertoe voeren zij aan dat [appellant A] vanuit zijn woning direct zicht heeft op het beoogde golfterrein. Verder brengen zij naar voren dat [appellant A] als gevolg van de verwezenlijking van het golfterrein in de bedrijfsvoering van zijn varkenshouderij zal worden belemmerd.

2.1.1.    Vast staat dat de percelen van [appellant A] liggen op een afstand van ongeveer 500 meter van het voorziene golfterrein. Deze afstand is te groot om [appellant A] als belanghebbende bij het besluit tot verlening van de aanlegvergunning te kunnen aanmerken. Dat [appellant A], zoals op grond van het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen, enig zicht heeft op het beoogde golfterrein, kan hieraan niet afdoen, nu het slechts gaat om een zeer klein deel van het terrein. De uitspraak van 11 februari 2004, no. 200303344/1, gepubliceerd in Gst 2004, 7212, 130, waarmee appellanten ter zitting hun betoog verder hebben onderbouwd, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat [appellant A] als belanghebbende moet worden aangemerkt. In die zaak hadden de appellanten vrij zicht op de te bouwen zomerwoningen. Bovendien is de ruimtelijke uitstraling van het in genoemde uitspraak aan de orde zijnde bouwplan voor 74 zomerwoningen in een open gebied niet op een lijn te stellen met de uitstraling van de hier aan de orde zijnde verwezenlijking van het golfterrein.

   Ten slotte is ook anderszins niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat de belangen van [appellant A] rechtstreeks zijn betrokken bij het besluit tot verlening van de aanlegvergunning. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat deze vergunning geen betrekking heeft op gronden die liggen binnen de stankcirkel van de varkenshouderij van [appellant A].

   De rechtbank is, zij het deels op andere gronden, tot dezelfde slotsom gekomen.

Ten aanzien van de zaak voor het overige

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat ten behoeve van de verlening van de aanlegvergunning een milieu-effectrapport moest worden opgesteld, dan wel dat een ontheffing van die verplichting diende te zijn verleend. In dit verband stellen zij dat de aanlegvergunning, anders dan het bestemmingsplan, de directe titel is voor verwezenlijking van het golfterrein.

2.2.1.    Dit betoog faalt. De verplichting om in het kader van de verwezenlijking van een golfterrein een milieu-effectrapport op te stellen is ingevolge de Wet milieubeheer en categorie 10.2 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) gekoppeld aan het eerste ruimtelijke plan dat in deze activiteit voorziet. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het bestemmingsplan "Golfcomplex Bleijenbeek" moet worden aangemerkt als het eerste ruimtelijke plan dat onder meer in de verwezenlijking van het golfterrein voorziet. In het kader van dit bestemmingsplan is een milieu-effectrapport opgesteld. Dat ingevolge het bestemmingsplan een aanlegvergunning is vereist, alvorens het golfterrein daadwerkelijk kan worden verwezenlijkt, brengt dan ook niet mee dat ten behoeve van verlening van die vergunning opnieuw een milieu-effectrapport dient te worden opgesteld. Dit kan, anders dan appellanten betogen, ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat het bestemmingsplan niet is herzien binnen de in artikel 33 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestelde termijn. Naar het oordeel van de Afdeling kan uit het verstrijken van deze termijn niet worden afgeleid dat het bestemmingsplan niet langer zou kunnen worden aangemerkt als het eerste ruimtelijke plan, zoals bedoeld in het Besluit. Het Besluit biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Daarnaast is de omstandigheid dat deze termijn is verstreken niet van betekenis voor de rechtskracht van het bestemmingsplan. Uit het voorgaande volgt dat hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht ten aanzien van de actualiteit en de inhoud van het in het kader van het bestemmingsplan opgestelde milieu-effectrapport, niet in deze procedure aan de orde kan komen. Aangezien het bestemmingsplan "Golfcomplex Bleijenbeek" onherroepelijk is geworden, moet als vaststaand worden aangenomen dat het in het kader van dat plan opgestelde milieu-effectrapport betrekking heeft op alle ingevolge het bestemmingsplan toegelaten ruimtelijke ingrepen, waaronder de verwezenlijking van het golfterrein.

2.3.    Het betoog van appellanten dat de aanlegvergunning betrekking heeft op het onderdeel van het bestemmingsplan "Golfcomplex Bleijenbeek" waaraan goedkeuring is onthouden, treft geen doel. Bij brief van 18 juli 2003 heeft het college de aanvrager van de aanlegvergunning medegedeeld dat op basis van de in het kader van de aanvraag overgelegde tekeningen geen vergunning kan worden verleend. Daarbij heeft het college er onder meer op gewezen dat de ingediende tekeningen betrekking hebben op een onderdeel van het bestemmingsplan waaraan goedkeuring is onthouden. Op basis van een aangepaste tekening, gedateerd 28 juli 2003, is de aanlegvergunning verleend. Ten opzichte van een eerder door de aanvrager ingediende tekening, gedateerd 2 mei 2003, geeft de aangepaste tekening te zien dat het zuidoostelijke gedeelte van het golfterrein in noordwestelijke richting is verschoven. Het besluit van 9 september 2003 strekt tot de vaststelling dat de aanvraag, met de aldus aangepaste tekening, alsnog in overeenstemming is gebracht met de begrenzing van de bestemming "Golfterrein", zoals die geldt na de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan die bestemming. Niet is gebleken dat dit onjuist is.

2.4.    Het betoog van appellanten dat het besluit tot verlening van de aanlegvergunning onvoldoende is gemotiveerd, omdat daaruit niet blijkt dat aan de Vogel- en de Habitatrichtlijn is getoetst, kan geen doel treffen, reeds omdat appellanten in het hoger beroepschrift in het geheel niet hebben aangegeven waaruit de strijd met deze richtlijnen zou bestaan. Ook in het verdere verloop van de procedure is deze beroepsgrond op geen enkele wijze nader geadstrueerd. Evenmin hebben appellanten aannemelijk gemaakt dat het college zich, op basis van de hem ter beschikking staande gegevens omtrent de effecten van de verwezenlijking van het golfterrein voor natuurwaarden, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het golfterrein geen onevenredige aantasting van natuurwaarden zal meebrengen. Hieruit volgt tevens dat niet kan worden geoordeeld dat, naar appellanten menen, de aanlegvergunning in zoverre in strijd met de op bescherming van natuurwaarden gerichte voorschriften van het bestemmingsplan is verleend. Hetgeen appellanten verder in hoger beroep naar voren hebben gebracht, biedt evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat de aanlegvergunning in strijd met de voorschriften van het bestemmingsplan is verleend. Zo kan, anders dan appellanten kennelijk menen, uit de omstandigheid dat uit het besluit tot verlening van de aanlegvergunning niet blijkt of is getoetst aan het ontwerp van het reconstructieplan Noord- en Midden Limburg, niet worden afgeleid dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van de verwezenlijking van het golfterrein voor de landschappelijke waarden ter plaatse.

   Wat betreft de door appellanten gestelde aantasting van archeologische waarden wordt het volgende overwogen. Dat, naar appellanten ter zitting hebben gesteld, op figuur 10 van het tot de aanvraag behorende inrichtingsplan een kleiner gebied is aangeduid als "gebied van archeologische betekenis" dan het op kaart 2 van het bestemmingsplan aangeduide gebied, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat de aanlegvergunning in strijd met het bestemmingsplan is verleend. De Afdeling begrijpt de in figuur 10 van het inrichtingsplan opgenomen aanduiding "archeologische vindplaats" aldus, dat daarmee wordt aangegeven in welk gedeelte van het op kaart 2 van het bestemmingsplan aangeduide gebied, voor de archeologie relevante werkzaamheden zullen plaatsvinden. Mede gelet op de omstandigheid dat de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek bij brief van 11 augustus 2003 positief heeft geadviseerd ten aanzien van de voorgenomen werkzaamheden binnen het als archeologische vindplaats aangewezen gebied, acht de Afdeling niet aannemelijk geworden dat bij verlening van de aanlegvergunning onvoldoende gewicht is toegekend aan bescherming van de archeologische waarden van het gebied. Reeds hierom kan het beroep van appellanten op het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, daargelaten de vraag of dit verdrag rechtstreeks werkende bepalingen bevat, geen doel treffen.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. van den Ende, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Van den Ende

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2005

66-275.