Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT1946

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2005
Datum publicatie
23-03-2005
Zaaknummer
200405754/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2003 heeft de gemeenteraad van Sint-Oedenrode, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 oktober 2003, vastgesteld het bestemmingsplan "Centrum".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405754/1.

Datum uitspraak: 23 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Sint-Oedenrode,

2.    [appellanten sub 2], gevestigd respectievelijk wonend te Sint-Oedenrode,

3.    de vereniging "Ondernemersvereniging 'Kom Rooi'", gevestigd te

Sint-Oedenrode,

4.    [appellant sub 4], wonend te Sint-Oedenrode,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2003 heeft de gemeenteraad van Sint-Oedenrode, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 oktober 2003, vastgesteld het bestemmingsplan "Centrum".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 1 juni 2004, nr. 957433, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [partijen] bij brief van 12 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2004, [appellant sub 1] bij brief van 30 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2004, [appellanten sub 2] bij brief van 2 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2004, Ondernemersvereniging Kom Rooi bij brief van 2 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2004, en [appellant sub 4] bij brief van 29 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2004, beroep ingesteld. [appellanten sub 2]. hebben hun beroep aangevuld bij brief van 13 september 2004.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van [appellant sub 4]. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2005, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door S.K. van den Dam, gemachtigde, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. K.A.M. van Kampen, advocaat te Eindhoven, Ondernemersvereniging 'Kom Rooi', vertegenwoordigd door S.K. van den Dam, gemachtigde, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door S.K. van den Dam, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J.J.M. Danen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Sint-Oedenrode, vertegenwoordigd door C. van Rossum en R. van Boxtel, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

2.    Overwegingen

Toetsingskader van de Afdeling

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Planomschrijving

2.2.    Het plan voorziet in een geactualiseerde juridisch-planologische regeling voor het centrum van Sint-Oedenrode en is in hoofdzaak conserverend van aard.

De beroepen van [appellant sub 1] en Ondernemersvereniging 'Kom Rooi'

2.3.    [appellant sub 1] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Hij voert aan dat het plan onnauwkeurigheden bevat en onvoldoende rechtszekerheid biedt waardoor hij wordt belemmerd in zijn werkzaamheden als taxateur. Appellant wijst daarbij op een groot aantal voorschriften die volgens hem onvoldoende nauwkeurig en subjectief zijn geformuleerd.

2.3.1.1.    Verweerder heeft in de bedenkingen van appellant geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het plan te onthouden. Aangezien de bedenkingen identiek zijn aan de bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze van appellant en de gemeenteraad daarop reeds uitvoerig is ingegaan, heeft hij volstaan met een verwijzing naar de overwegingen van de gemeenteraad en zich daarbij aangesloten.

2.3.1.2.    Hetgeen appellant in beroep op dit punt aanvoert is identiek aan hetgeen hij in zijn bedenkingen bij verweerder en in zijn zienswijze bij de gemeenteraad heeft aangevoerd. De gemeenteraad is uitvoerig op het door appellant aangevoerde ingegaan en heeft zijn zienswijze deels gegrond en deels ongegrond verklaard. In zijn beroepschrift heeft appellant geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van zijn bezwaren door de gemeenteraad onjuist zou zijn. Ook overigens is niet gebleken dat die weerlegging onjuist is. Gelet hierop heeft verweerder kunnen volstaan met een verwijzing naar de overwegingen van de gemeenteraad en heeft hij zich daarbij in redelijkheid kunnen aansluiten. De algemene stelling van appellant dat plankaart en voorschriften fouten bevatten is niet onderbouwd, zodat de juistheid van deze stelling niet kan worden nagegaan. De door appellant genoemde fouten in de voorschriften heeft de gemeenteraad naar aanleiding van zijn zienswijze bij de vaststelling van het plan hersteld. De Afdeling acht de door appellant bestreden voorschriften voldoende rechtszeker. Daarbij is van belang dat artikel 4 van de planvoorschriften, waartegen de bezwaren van appellant op dit punt zich met name richten, een beschrijving in hoofdlijnen bevat die het gemeentebestuur regardeert en waaraan, gelet op de gebruikte niet-verplichtende formulering daarvan, geen de burgers bindende werking toekomt. Voorts geeft het enkele feit dat de voorschriften een groot aantal vrijstellingsbepalingen bevatten, op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het plan rechtsonzeker is. De in deze bepalingen opgenomen beoordelingsvrijheid voor het gemeentebestuur bij de toepassing van de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling, geeft evenmin aanleiding tot dit oordeel nu deze beoordelingsvrijheid voldoende is begrensd.

2.3.2.    [appellant sub 1] en Ondernemersvereniging 'Kom Rooi' stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden III" voor de gronden aan de Borchmolendijk. Zij voeren aan dat het plan ten onrechte leidt tot economische ordening doordat het winkelconcentratiegebied wordt verkleind. De motieven hiervoor zijn volgens hen niet duidelijk. Voorts is volgens hen de huidige winkelconcentratie beter te exploiteren dan de door de gemeenteraad gekozen locatie. Het uitsluiten van het gebruik van kelders en etages voor bedrijfsdoeleinden maakt inbreuk op bestaande rechten en is onaanvaardbaar, aldus appellanten.

2.3.2.1.    De gemeenteraad acht de toegekende bestemming passend voor de Borchmolendijk als aanloopgebied naar het primaire winkelgebied. De keuze voor het gebied Kerkplein/Kerkstraat als primair winkelgebied baseert hij op het verrichte distributie-planologisch onderzoek en het daarop voortbouwende rapport 'Kracht'.

2.3.2.2.    Verweerder acht de toegekende bestemming niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij stemt in met het door de gemeenteraad gevoerde beleid waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende deelgebieden en het primaire winkelgebied wordt gevormd door het gebied Kerkplein/Kerkstraat.

Daarbij verwijst hij naar de diverse onderzoeken die volgens hem aan het gemeentelijke beleid ten grondslag liggen.

2.3.2.3.    Voorzover appellanten stellen dat het plan inbreuk maakt op bestaande rechten, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend.

De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen voor gronden aanwijzen en in verband met die bestemmingen voorschriften vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

Uit de stukken blijkt dat de in het plan gemaakte keuze voor het gebied Kerkplein/Kerkstraat als primair winkelgebied is gebaseerd op een distributie-planologisch onderzoek en een daarop voortbouwend onderzoek over de gewenste inrichting van het centrum van Sint-Oedenrode. Doelstelling van het gemeentelijke beleid is om een kwalitatief aantrekkelijk centrum te creëren dat kan concurreren met omliggende gemeenten.

Daartoe is ervoor gekozen de horecavoorzieningen zoveel mogelijk te concentreren rondom de Markt en detailhandelsvoorzieningen zoveel mogelijk te concentreren in het gebied Kerkplein/Kerkstraat. De Borchmolendijk maakt geen deel uit van het concentratiegebied en is als aanloopgebied gekwalificeerd. De bestemming "Centrumdoeleinden III" sluit vestiging van detailhandel en horeca uit in panden die ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp-plan niet als zodanig in gebruik waren. Bestaande horeca en detailhandel kan als functie worden voortgezet. Voorzover de gronden met de aanduiding 'bouwvlak hoofdgebouw met bijgebouwen' nog niet zijn volgebouwd kan de bestaande bebouwing ook voor doeleinden worden uitgebreid. Voorzover de aanduiding 'zone bijgebouwen' is toegekend kunnen de gronden met deze aanduiding voor de helft voor de bouw van bijgebouwen worden gebruikt. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met deze door de gemeenteraad gekozen planregeling. De motieven die ten grondslag liggen aan de planregeling zijn voldoende duidelijk. Voorts hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het door de gemeenteraad gekozen concentratiegebied niet goed is te exploiteren.

   Anders dan appellanten stellen sluit de toegekende bestemming "Centrumdoeleinden III" het gebruik van kelders en etages voor bedrijfsdoeleinden niet uit. Slechts het gebruik van kelders en etages als ruimte waarin rechtstreeks contact is met het publiek, zoals het gebruik als verkoopruimte, is op grond van de bij deze bestemming behorende voorschriften uitgesloten. Gebruik ten behoeve van functies die geen contact met het publiek vereisen, zoals opslag-, kantoor- en kantineruimte, zijn op grond van de voorschriften in kelders en op etages toegestaan. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid met deze door de gemeenteraad gekozen planregeling heeft kunnen instemmen. Overigens is ter zitting van de zijde van de gemeenteraad onweersproken gesteld dat in de huidige situatie geen enkel bedrijf aan de Borchmolendijk een verkoopruimte in de kelder of op de etage heeft ingericht, zodat het plan in zoverre niet leidt tot een belemmering van de bestaande bedrijfsvoering.  

2.3.3.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door A.C.L. van Vessem en Ondernemersvereniging 'Kom Rooi' bestreden plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit  in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. De beroepen van [appellant sub 1] en Ondernemersvereniging 'Kom Rooi' zijn ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2].

2.4.    [appellanten sub 2]. stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden II" en "Woondoeleinden" voor de gronden ter plaatse van het pad tussen de Markt en het Leerlooierspad, het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen" voor gronden aan de Corridor en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" voor gronden aan het Leerlooierspad.

Zij voeren aan dat aan de gronden ter plaatse van het pad tussen de Markt en het Leerlooierspad de bestemming "Verkeersdoeleinden" dient te worden toegekend teneinde de ontsluiting van hun gronden te waarborgen. Op de gronden aan de Corridor worden volgens appellanten kerstbomen geteeld zodat de toegekende bestemming niet in overeenstemming is met het feitelijke gebruik. Zij wensen op deze gronden in de toekomst een woning te bouwen. De voorschriften bij de bestemming "Woondoeleinden" dienen volgens appellanten zodanig te worden aangepast dat de reeds op hun gronden aan het Leerlooierspad gerealiseerde bijgebouwen daaraan voldoen.

2.4.1.    De gemeenteraad acht het toekennen van de bestemming "Verkeersdoeleinden" aan de gronden ter plaatse van het pad tussen de Markt en het Leerlooierspad niet gewenst nu deze gronden geen openbare functie hebben. De bestemming "Groenvoorzieningen" acht hij passend voor de gronden aan de Corridor. Woningbouw ter plaatse is volgens de gemeenteraad ongewenst vanwege het verlies van groen en de ligging aan de Dommel.

2.4.2.    Verweerder acht de door appellanten bestreden plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daartoe overwogen dat de bestemmingen die in het plan zijn toegekend aan de gronden ter plaatse van het pad tussen de Markt en het Leerlooierspad in- en uitritten toestaan. Verweerder stemt in met de aan de gronden aan de Corridor toegekende bestemming "Groenvoorzieningen" en acht het gemeentelijke beleid op grond waarvan de bouw van een woning ter plaatse is uitgesloten in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. De in de voorschriften opgenomen maximale afmetingen van bijgebouwen acht hij niet onredelijk. Hij ziet geen aanleiding om ten behoeve van het bijgebouw van appellanten van deze afmetingen af te wijken en wijst er daarbij op dat dit in afwijking van de bouwvergunning is gebouwd.

2.4.3.    De aan het pad tussen de Markt en het Leerlooierspad toegekende bestemmingen "Centrumdoeleinden II" en "Woondoeleinden" staan het gebruik van deze gronden als in- en uitrit toe. Ter zitting is gebleken dat het gebruik van het pad als in- en uitrit van de daaraan gelegen woningen privaatrechtelijk is gewaarborgd. Onder deze omstandigheden heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met het standpunt van de gemeenteraad dat een goede ruimtelijke ordening niet vereist dat het gebruik van het pad ook publiekrechtelijk moet zijn gewaarborgd door het toekennen van de bestemming "Verkeersdoeleinden".

   Voorzover appellanten stellen dat aan de gronden aan de Corridor ten onrechte de bestemming "Groenvoorzieningen" is toegekend, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de stukken blijkt dat het gemeentebestuur herhaaldelijk is opgetreden tegen het zonder kapvergunning vellen van de fijnsparren op deze gronden. Daarbij is aangegeven dat het gemeentelijke beleid is gericht op behoud van deze groene zone aangezien deze van belang wordt geacht voor de dorpsstructuur. De gemeenteraad heeft bij het toekennen van de bestemming "Groenvoorzieningen" aan de omstreden gronden een groter gewicht toegekend aan het belang dat is gediend met behoud van de gronden als groene zone dan aan het belang van appellanten dat is gediend met het gebruik van de gronden voor de teelt van fijnsparren ten behoeve van de verkoop. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met deze door de gemeenteraad gemaakte belangenafweging. Voorzover appellanten stellen dat deze bestemming ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid een woning te bouwen, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de stukken blijkt dat het voorgaande plan voor de gronden evenmin voorzag in de mogelijkheid ter plaatse een woning te bouwen. Het gemeentelijke beleid is gericht op het behoud van de bestaande open en groene plekken als karakteristiek voor het centrum. De gronden vormen een groen gebied grenzend aan de begraafplaats en aan het open gebied langs de Dommel. Gelet hierop en op hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de toepassing van het genoemde gemeentelijke beleid door de gemeenteraad.

   Voorzover appellanten stellen dat de voorschriften bij de bestemming "Woondoeleinden" niet overeenstemmen met de afmetingen van een reeds gerealiseerd bijgebouw, overweegt de Afdeling als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de afmetingen van het gerealiseerde bijgebouw niet in overeenstemming zijn met de verleende bouwvergunning en dat het gemeentebestuur daartegen handhavend optreedt. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Afdeling van de gemeenteraad niet worden verlangd dat hij de planvoorschriften aanpast aan de afwijkende maatvoering van het bijgebouw van appellanten.

2.4.4.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellanten sub 2] bestreden plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre  terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellanten sub 2]is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.5.    [appellant sub 4] stelt dat verweerder ten onrechte gedeeltelijk goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" en de aanduiding 'tuin' en de medebestemming "Beschermingszone watergang" voor gronden aan de [locatie]. Hij voert aan dat het vorige bestemmingsplan voor deze gronden voorzag in de mogelijkheid om een woning te bouwen. Woningbouw op deze gronden is volgens appellant in overeenstemming met het in het gemeentelijke structuurplan opgenomen inbreidingsbeleid van het gemeentebestuur.

De bescherming van de Dommel is in het plan onvoldoende eenduidig vastgelegd hetgeen leidt tot willekeur, aldus appellant.

2.5.1.    De gemeenteraad acht de bouw van een woning ter plaatse in strijd met zijn stedenbouwkundige visie en de gewenste bescherming van de Dommel.

2.5.2.    Verweerder heeft naar aanleiding van de door appellant ingebrachte bedenkingen gedeeltelijk goedkeuring onthouden aan het bestreden plandeel omdat de ter plaatse met een bouwvergunning opgerichte bebouwing daarin niet is opgenomen. Hij heeft aan dit plandeel voor het overige goedkeuring verleend.

2.5.3.    Ter onderbouwing van zijn stelling dat het plan hem de mogelijkheid ontneemt om op zijn gronden een woning te bouwen, verwijst appellant naar het vorige bestemmingsplan voor deze gronden dat dateert uit 1959. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is niet evident dat dit plan in de bouw van een woning ter plaatse voorzag. Zelfs indien er evenwel vanuit wordt gegaan dat dit plan voorzag in de mogelijkheid ter plaatse een woning te bouwen, is de gemeenteraad niet gehouden om in dit plan opnieuw in deze mogelijkheid te voorzien. De Afdeling overweegt in dat verband dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. De gemeenteraad heeft in zijn belangenafweging een groter gewicht toegekend aan het belang dat is gediend met bescherming van de oeverzone van de Dommel dan aan het belang van appellant om ter plaatse een woning te kunnen bouwen.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet redelijkheid heeft kunnen instemmen met deze door de gemeenteraad gemaakte belangenafweging.

   Voorzover appellant stelt dat de bescherming van de Dommel in het plan onvoldoende eenduidig is vastgelegd, overweegt de Afdeling dat het verschil in breedte van de "Beschermingszone watergang" kan worden verklaard aan de hand van de bestaande situatie. Afhankelijk van het bestaande gebruik dat wordt gemaakt van de gronden langs de Dommel heeft de zone een breedte variërend van 5 tot 15 meter. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling van willekeur geen sprake.

2.5.4.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het door [appellant sub 4] bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Rop

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2005

417.