Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT0595

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2005
Datum publicatie
16-03-2005
Zaaknummer
200406999/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De minister van Verkeer en Waterstaat heeft op grond van artikel 9, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding op 23 juni 2004 het wegaanpassingsbesluit betreffende de aanpassing van de rijksweg A27 op het traject Gorinchem-Noordeloos, ter plaatse van het wegvak gelegen tussen km 37,3 en km 43,0, vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 53K
Milieurecht Totaal 2005/3303
JB 2005/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406999/1.

Datum uitspraak: 16 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

1. de minister van Verkeer en Waterstaat,

2. de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

3. het college van burgemeester en wethouders van Giessenlanden,

4. dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap de

   Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden,

verweerders.

1.    Procesverloop

De minister van Verkeer en Waterstaat heeft op grond van artikel 9, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding op 23 juni 2004 het wegaanpassingsbesluit betreffende de aanpassing van de rijksweg A27 op het traject Gorinchem-Noordeloos, ter plaatse van het wegvak gelegen tussen km 37,3 en km 43,0, vastgesteld.

De minister van Verkeer en Waterstaat heeft voorts op grond van artikel 10, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding op 8 juli 2004, no. VMW-2004-01143, een verkeersbesluit voor de plaatsing en verwijdering van de in artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer genoemde verkeerstekens genomen.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft op grond van artikel 10, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding op 12 juli 2004, kenmerk Toek.FF2004C.136mg, een ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet verleend.

Het college van burgemeester en wethouders van Giessenlanden heeft op grond van artikel 10, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding op 12 juli 2004 een bouwvergunning eerste fase (no. 2004/0542), voor het aanpassen van het oostelijk landhoofd van het viaduct over Rijksweg 27, kruising met de Dorpsweg te Hoogblokland, (km 40,45), een bouwvergunning eerste fase (no. 2004/0486) voor het plaatsen van één verticale grondkering over een lengte van ongeveer 200 meter langs de afrit Noordeloos van de Rijksweg 27 te Hoogblokland van km 42,52 tot 42,72, een bouwvergunning eerste fase (no. 2004/0541) voor het aanpassen van het oostelijk landhoofd van het viaduct over Rijksweg 27, kruising met de Groeneweg te Hoogblokland (km 38,85) en een kapvergunning voor het kappen van 31 knotwilgen en 6 elzen op het perceel kadastraal bekend Hoogblokland sectie D nr. 101 en E nr 392, verleend.

Dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden hebben op grond van artikel 10, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding op 21 juli 2004, een keurvergunning (no. 20040277) verleend voor het aanbrengen van verticale grondkeringen en het aanleggen van een plusstrook langs de oostzijde van de A27, gelegen in de peilgebieden Den Beemd en Land van de Zes Molens.

Tegen deze besluiten hebben appellanten per fax van 15 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 september 2004.

Bij brief van 15 december 2004 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat een verweerschrift ingediend. Bij brief van 14 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Giessenlanden een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde], en de minister van Verkeer en Waterstaat, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. Schippers, advocaat te Den Haag, en mr. M. de Hoop, mr. J.A.W. van het Westeinde, mr. R.J.M. van den Tweel, drs. P.J. Delsing, dr. J.P. Wesseling, H. van Raalte, drs. E.P. van Leeuwen, ir. M. van der Schaaf, J.J. van Ettinger, ing. J.A. Herremans, drs. A.P. Delpeut, mr.drs. A.H. Bruggeman en O. Wijnhold, zijn verschenen. De overige verweerders zijn, al dan niet met bericht van verhindering, niet verschenen.

2.    Overwegingen

De bestreden besluiten.

2.1.    Het wegaanpassingsbesluit betreft een project van semi-permanente aard met betrekking tot het wegvak Gorinchem-Noordeloos zoals in Bijlage B, onder 22, van de Spoedwet wegverbreding opgenomen. Met het wegaanpassingsbesluit wordt voorzien in aanpassing van de rijksweg A27 op dit wegvak tussen km 37,3 en km 42,9. De aanpassing van het wegvak betreft onder meer het naast de linkerrijstrook van de oostelijke rijbaan (in noordelijke richting) inrichten van een plusstrook. Op het wegvak wordt het aantal rijstroken gedurende een spitsperiode uitgebreid van 1x2 naar 1x3. De plusstrook kan worden opengesteld tussen 7.00 uur en 23.00 uur bij meer dan 3.000 voertuigen per uur in deze rijrichting.

De uitvoeringsbesluiten betreffen een drietal bouwvergunningen, een kapvergunning, een keurvergunning, een verkeersbesluit en een ontheffing Flora- en Faunawet.

Ontvankelijkheid.

2.2.    Ter zitting heeft de minister van Verkeer en Waterstaat de ontvankelijkheid van appellanten aan de orde gesteld.

2.2.1.    Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Spoedwet kan, voorzover van belang, tegen een wegaanpassingsbesluit en een besluit ter uitvoering van een wegaanpassingsbesluit door een belanghebbende beroep worden ingesteld bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is. De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.2.2.    Appellanten stellen dat het wegaanpassingsbesluit gevolgen heeft voor hun woon- en leefklimaat in verband met een toename van sluipverkeer. Zij stellen verder dat ze belanghebbende zijn bij de uitvoeringsbesluiten gelet op de samenhang tussen het wegaanpassingsbesluit en de uitvoeringsbesluiten.

2.2.3.    Appellanten wonen allen aan de route, die loopt via de Bazeldijk, Gorinchemsestraat, het Dorpsplein, de Tolstraat en het Lakerveld te Meerkerk. Deze route loopt niet parallel aan het wegvak Gorinchem-Noordeloos, maar loopt ongeveer ter hoogte van het in het verlengde hiervan gelegen wegvak Noordeloos-Lexmond.

Vaststaat dat de route waarlangs appellanten wonen (verder de sluiproute) in de huidige situatie in elk geval in de ochtendspits sluipverkeer aantrekt, onder meer vanwege weggebruikers die komende vanuit Gorinchem en gaande in de richting Utrecht bij Noordeloos de A27 verlaten ter vermijding van file op het traject A27 Noordeloos-Lexmond. Appellanten vrezen dat een aanpassing van het wegvak Gorinchem-Noordeloos gevolgen zal hebben voor de intensiteit van het sluipverkeer langs de sluiproute. De Afdeling acht deze vrees niet op voorhand van iedere grond ontbloot, zodat, nu een toename van het sluipverkeer van invloed is op de kwaliteit van hun directe leefomgeving, daarin voldoende grond is gelegen voor appellanten een voldoende objectief bepaalbaar, eigen en persoonlijk belang aan te nemen dat rechtstreeks betrokken is bij het wegaanpassingsbesluit.

2.2.4.    Gelet op het voorgaande kunnen appellanten worden aangemerkt als belanghebbende bij het wegaanpassingsbesluit in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

2.2.5.    De uitvoeringsbesluiten betreffen een drietal bouwvergunningen, een kapvergunning, een keurvergunning, een verkeersbesluit en een ontheffing Flora- en Faunawet. Nu appellanten niet in de nabijheid van (de gedeelten van) het wegvak waarop deze uitvoeringsbesluiten betrekking hebben wonen en ook anderszins niet is gebleken van feiten of omstandigheden op basis waarvan geoordeeld zou moeten worden dat zij een belang hebben dat rechtstreeks bij een of meer van deze uitvoeringsbesluiten is betrokken, kunnen zij in zoverre niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Voor het aannemen van belanghebbendheid bij deze besluiten is het zijn van belanghebbende bij het wegaanpassingsbesluit niet voldoende. Appellanten dienen ten aanzien van de uitvoeringsbesluiten een afzonderlijk belang, dat rechtstreeks wordt geraakt door het desbetreffende besluit, te hebben.

2.2.6.    Het beroep is, voorzover gericht tegen de uitvoeringsbesluiten, niet ontvankelijk.

Procedurele aspecten.

2.3.    Appellanten hebben gesteld dat in het verweerschrift van de minister van Verkeer en Waterstaat (verder: verweerder) ten onrechte vier rapporten zijn verwerkt die niet bekend waren tijdens de inspraak.

2.3.1.    De door appellanten genoemde rapporten zijn het rapport "Gebiedsgericht Benutten Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden" van 5 maart 2004, de aanvulling op het milieueffectrapport behorende bij het (O)WAB A27 Gorinchem-Noordeloos van 27 mei 2004, het Toetsingsadvies over het milieueffectrapport "Aanleg plusstrook A27, Gorinchem-Noordeloos en de aanvulling daarop" van 1 juli 2004 en de "Projectspecifieke afwegingsnotitie verkeersveiligheid spoedwetprojecten (Spoedwetproject nr. 22 Plusstrook Gorinchem-Noordeloos)" van 13 december 2004.

De mogelijkheid tot inspraak over het ontwerp-wegaanpassingsbesluit heeft blijkens de publicaties opengestaan van 4 maart tot en met 14 april 2004.

Deze stukken dateren derhalve alle van na de (aanvang van de) inspraakperiode en konden dan ook niet bekend zijn ten tijde van de inspraak. Verweerder heeft in dit verband onweersproken gesteld dat deze rapporten, met uitzondering van het rapport inzake de verkeersveiligheid, zijn opgesteld naar aanleiding van de inspraakreacties.

2.3.2.    Niet gebleken is voorts dat appellanten door deze handelwijze in hun processuele belangen zijn geschaad. Uit de (aanvullende) beroepschriften en de nadere stukken van appellanten blijkt dat zij - met uitzondering van het stuk inzake de verkeersveiligheid - vóór het uitbrengen van het verweerschrift op 15 december 2004 bekend waren met deze rapporten, aangezien zij in het aanvullende beroepschrift van 26 september 2004 en het nadere stuk van 27 november 2004 verwijzen naar de inhoud hiervan.

Het rapport "Projectspecifieke afwegingsnotitie verkeersveiligheid (Spoedwetproject nr. 22 Plusstrook Gorinchem-Noordeloos)" van 13 december 2004 is volgens verweerder opgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 15 september 2004, no. 200401178/1.

De Afdeling is van oordeel dat dit rapport, gelet op de inhoud daarvan, kan worden beschouwd als een nadere toelichting op en detaillering van het rapport "Veiligheid Spitsstroken, Plusstroken en Bufferstroken" van 17 september 2003 van de Adviesdienst Verkeer en Vervoer.

Ingevolge artikel 8:58 van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.

Gesteld noch gebleken is dat appellanten onvoldoende tijd hebben gehad op dit rapport te reageren.

2.4.    Daarnaast stellen appellanten dat de brief waarin afspraken staan tussen het gemeentebestuur van Zederik en Rijkswaterstaat over sluipverkeerwerende maatregelen, naar welke afspraken verweerder in het verweerschrift verwijst, geen deel mag uitmaken van de procedure omdat het gemeentebestuur geen partij is in het geding.

2.4.1.    Bij de stukken bevindt zich een brief van het college van burgemeester en wethouders van Zederik van 22 december 2004 waarin wordt verwezen naar een aan deze brief gehechte brief van 7 december 2004, kenmerk VIS/2004.12617, van Rijkswaterstaat. In deze laatste brief staan afspraken vermeld tussen het gemeentebestuur en Rijkswaterstaat over het nemen van sluipverkeerwerende maatregelen.

Er valt geen rechtsregel aan te wijzen die inhoudt dat door een partij in het geding niet naar stukken die afkomstig zijn van derden die geen partij zijn, mag worden verwezen of dat deze stukken niet door een partij mogen worden overgelegd.

De stelling van appellanten treft derhalve geen doel.

2.5.    Appellanten hebben ter zitting aangevoerd dat bij de besluitvorming de gevolgen van de plusstrook voor de luchtkwaliteit langs de sluiproute niet zijn betrokken.

2.5.1.    De Afdeling overweegt dat appellanten eerst ter zitting hebben gewezen op de mogelijke gevolgen van de plusstrook voor de luchtkwaliteit langs de sluiproute. Zij acht dit in strijd met de goede procesorde. Daarbij neemt zij in aanmerking dat niet is gebleken dat appellanten dit aspect niet eerder in beroep hadden kunnen inbrengen. Dit argument dient dan ook buiten beschouwing te blijven.

Ten aanzien van verkeersveiligheid.

Het standpunt van appellanten.

2.6.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder het wegaanpassingsbesluit ten onrechte heeft vastgesteld omdat de breedte van de plusstrook in strijd is met de Europese overeenkomst inzake internationale hoofdverkeerswegen en de daarin neergelegde normen voor de veiligheid van wegen.

Het standpunt van de minister van Verkeer en Waterstaat.

2.7.    Verweerder stelt dat een uitzondering kan worden gemaakt op de voorkeursnorm voor de minimale breedte van rijstroken gelet op de specifieke aard van de plusstrook en de belangenafweging die op dit punt is gemaakt. Hierbij is volgens verweerder van belang dat de plusstrook alleen open is gedurende de spitstijden en dat tijdens de openingstijden verkeersveiligheidsmaatregelen zoals een verlaging van de snelheid worden getroffen. Verweerder wijst voorts op het gegeven dat de plusstrook wordt aangelegd aan de linkerzijde van de weg zodat in visueel opzicht meer ruimte aanwezig is en op het feit dat de vluchtstrook gehandhaafd blijft.

Verweerder verwijst verder naar de gegevens uit het rapport "Veiligheid Spitsstroken, Plusstroken en Bufferstroken" en het rapport "Projectspecifieke afwegingsnotitie verkeersveiligheid (Spoedwetproject nr. 22 Plusstrook Gorinchem-Noordeloos)", waarin meer specifiek de veiligheidssituatie voor het wegvak Gorinchem-Noordeloos wordt beschreven.

Vaststelling van de feiten.

2.8.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.1.    De Europese overeenkomst inzake internationale hoofdverkeerswegen van 15 november 1975 (Geneve, Trb. 1979, 78, zoals laatstelijk gewijzigd zoals gepubliceerd in Trb. 2004, 7; verder: de Overeenkomst) heeft betrekking op zogenoemde E-wegen. Het wegvak Gorinchem-Noordeloos is een E-weg in de zin van de Overeenkomst.

In bepaling III.3.1. is neergelegd dat rijbanen op de rechte stukken minimaal 3.50 meter breed zouden moeten zijn en dat bij scherpe bochten in beginsel in extra ruimte moet worden voorzien voor de grootste toegelaten voertuigen.

2.8.2.    De plusstrook heeft een breedte van 2,75 meter en wordt aangelegd naast de linkerrijstrook van de oostelijke rijbaan. De plusstrook kan worden opengesteld wanneer het aantal voertuigen op het betreffende wegvak boven het aantal van 3.000 voertuigen per uur stijgt en wordt gesloten wanneer het aantal voertuigen onder dit getal daalt. De reguliere rijstroken hebben een breedte van 3,50 meter voor de middenrijstrook en 3,45 meter voor de rechterrijstrook. Over vrijwel het gehele traject is een vrije berm aanwezig die varieert van 6,5 meter tot 12,5 meter inclusief een vluchtstrook van 3,60 meter. Er is geen scherpe bocht in het traject.

Gedurende de periode dat de plusstrook is geopend is de maximumsnelheid op het gehele wegvak verlaagd van 120 km per uur naar 100 km per uur.

Van de plusstrook mogen geen bredere voertuigen dan 2 meter gebruikmaken. Daarnaast zijn in het wegaanpassingsbesluit een aantal bepalingen opgenomen met betrekking tot de signalering en het wegbeeld.

2.8.3.    In het rapport "Veiligheid Spitsstroken, Plusstroken en Bufferstroken" van 17 september 2003 van de Adviesdienst Verkeer en Vervoer staat omschreven welke afwegingen zijn gemaakt ten aanzien van verscheidene verkeerssituaties zoals situaties met een (smalle) plusstrook en aan welke maatregelen wordt gedacht om een eventuele afname van de verkeersveiligheid te beperken. Eén van de conclusies van dit rapport is dat een voldoende veiligheidsniveau kan worden behouden bij een plusstrook van 2,75 meter indien de snelheid wordt verlaagd naar 100 km per uur en een breedtebeperking voor voertuigen tot 2 meter wordt ingesteld.

In het rapport "Projectspecifieke afwegingsnotitie verkeersveiligheid (Spoedwetproject nr. 22 Plusstrook Gorinchem-Noordeloos)" van 13 december 2004 wordt dit nader beschreven voor het aan de orde zijnde wegvak. In dit rapport staat een omschrijving van het traject, de afwijkingen binnen dit traject van de eisen van de Overeenkomst, de maatregelen die worden genomen in verband met de verkeersveiligheid en de totaalafweging die is gemaakt op dit punt.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.    Zoals is overwogen in de uitspraak van 15 september 2004, no. 200401178/1, bevat de Overeenkomst een dwingend afwegingskader in het belang van de veiligheid van het verkeer, milieubescherming, doorstroming van het verkeer en het belang van weggebruikers. Voorzover bij het individuele wegaanpassingsbesluit komt vast te staan dat de alsdan ontstane situatie niet voldoet aan hetgeen de Overeenkomst als uitgangspunt formuleert, moet duidelijk zijn dat een afweging van belangen ter zake heeft plaatsgehad.

2.9.1.    De breedte van 2,75 meter van de plusstrook wijkt in belangrijke mate af van de breedte die voor rijstroken wordt voorgeschreven in de Overeenkomst.

Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de plusstrook Gorinchem-Noordeloos niet in strijd is met de Overeenkomst de twee rapporten "Veiligheid Spitsstroken, Plusstroken en Bufferstroken" van 17 september 2003 van de Adviesdienst Verkeer en Vervoer en "Projectspecifieke afwegingsnotitie verkeersveiligheid (Spoedwetproject nr. 22 Plusstrook Gorinchem-Noordeloos)" overgelegd. Het eerste rapport bevat met name gegevens omtrent de wijze waarop de afname van veiligheid die het afwijken van de voorgeschreven breedte van 3,50 meter met zich brengt bij onder meer een plusstrook kan worden gecompenseerd met maatregelen zoals een snelheidsverlaging en breedtebeperking voor voertuigen. Het tweede rapport bevat meer specifiek gegevens over de afweging die in het licht van de eisen van de Overeenkomst is gemaakt ten aanzien van het aan de orde zijnde wegvak.

Volgens de conclusies van deze beide rapporten wordt, mede in het licht van de totaalafweging in de zin van de Overeenkomst, een aanvaardbaar veiligheidsniveau bereikt.

Appellanten hebben weliswaar gesteld dat de plusstrook onveilig is en dat op dit punt geen juiste afweging heeft plaatsgevonden, maar zij hebben deze stellingen op geen enkele wijze van enige onderbouwing voorzien. Evenmin hebben appellanten de juistheid van de conclusies van de door verweerder gebruikte rapporten onderbouwd bestreden.

De Afdeling ziet dan ook in hetgeen appellanten hebben gesteld onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door verweerder aan zijn standpunt ten grondslag gelegde rapporten.

Gelet daarop bestaat geen grond voor het oordeel dat het wegaanpassingsbesluit in strijd is met de Overeenkomst.

Ten aanzien van sluipverkeer

Het standpunt van appellanten.

2.10.    Appellanten stellen voorts in beroep dat verweerder het wegaanpassingsbesluit ten onrechte heeft vastgesteld omdat dit onaanvaardbare gevolgen heeft voor hun woon- en leefklimaat door de toename van sluipverkeer. Zij wijzen hierbij onder meer op het rapport "Gebiedsgericht Benutten Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden" en de gegevens uit het (aanvullende) MER. Volgens appellanten is met een aantal gegevens, zoals onder meer de (juiste) verkeersintensiteiten (I/C verhoudingen) op het aansluitende wegvak Noordeloos-Lexmond, geen rekening gehouden.

Het standpunt van de minister van Verkeer en Waterstaat.

2.11.    Verweerder stelt dat de plusstrook geen verkeersaantrekkende werking heeft. Omdat het sluipverkeer met name wordt veroorzaakt door filevorming in de tegenovergestelde richting, geen wijzigingen worden aangebracht in de aansluiting Noordeloos richting Lexmond en de plusstrook eindigt voordat de aansluiting Noordeloos op de A27 invoegt valt volgens verweerder geen toename van sluipverkeer te verwachten. Uitsluitend vanwege het al bestaande knelpunt te Meerkerk is desondanks aan het gemeentebestuur van Zederik toegezegd dat Rijkswaterstaat een bijdrage zal leveren van 50% in de kosten van door de gemeente te treffen sluipverkeerwerende maatregelen in geval van aanleg van de plusstrook.

Vaststelling van de feiten.

2.12.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.12.1.    De plusstrook wordt aangelegd om de doorstroming van het wegvak Gorinchem-Noordeloos te verbeteren. De plusstrook wordt aangelegd aan één zijde van dit wegvak namelijk in de richting Noordeloos. Aan het traject in de andere richting vinden geen wijzigingen plaats en evenmin vinden aan het aansluitende traject Noordeloos-Lexmond wijzigingen plaats.

De route waarlangs appellanten wonen kan worden gekarakteriseerd als sluiproute. In het rapport "Gebiedsgericht Benutten Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden", opgesteld door het adviesbureau Arane, staat omschreven dat het structurele sluipverkeer in de huidige situatie met name wordt veroorzaakt door filevorming op de A27 in de richting Utrecht-Gorinchem in de avondspits. Het sluipverkeer als gevolg van filevorming in de richting Gorinchem-Utrecht doet zich volgens dit rapport met name voor in de ochtendspits en is niet structureel.

In het Toetsingsadvies over het milieueffectrapport "Aanleg plusstrook A27, Gorinchem-Noordeloos en de aanvulling daarop" (verder: het Toetsingsadvies) staat dat aan het einde van de plusstrook, waar het verkeer weer samengevoegd moet worden van drie naar twee rijstroken (trechtervorming), lichte filevorming zal optreden.

2.12.2.    Het gemeentebestuur van Zederik is voornemens maatregelen te nemen om sluipverkeer door Meerkerk tegen te gaan. Rijkswaterstaat heeft een bijdrage in de kosten van door de gemeente te treffen sluipverkeerwerende maatregelen toegezegd indien de plusstrook wordt aangelegd. In de stukken staat dat hierbij wordt gedacht aan fysieke maatregelen die sluipverkeer kunnen weren en zonder handhaving goed kunnen functioneren. Ter zitting is gesteld dat nog nader overleg zal plaatsvinden over de exacte aard van de te treffen maatregelen omdat hierbij ook de wensen van de inwoners van Meerkerk worden betrokken.

Het oordeel van de Afdeling.

2.13.    De Afdeling acht gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting niet onaannemelijk dat de verbeterde doorstroming op het wegvak Gorinchem-Noordeloos die met het wegaanpassingsbesluit wordt beoogd, tot gevolg kan hebben dat ter hoogte van het knooppunt Noordeloos filevorming als gevolg van de beëindiging van de plusstrook (trechtervorming) ontstaat. De Afdeling overweegt hiertoe dat niet valt uit te sluiten dat de capaciteitsvergroting die ten behoeve van de doorstroming op dit wegvak wordt nagestreefd leidt tot een grotere verkeersintensiteit ter hoogte van het knooppunt Noordeloos ten opzichte van de verkeersintensiteit zoals deze zich zou voordoen bij handhaving van de huidige situatie, reeds omdat het wegvak Gorinchem-Noordeloos door de aanwezigheid van de plusstrook beter is uitgerust om de autonome groei op te vangen.

Voorts is niet komen vast te staan dat de aanleg van de plusstrook geen verkeersaantrekkende werking met zich brengt. In dit verband is van belang dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat van de extra capaciteit die het wegvak biedt geen gebruik zal worden gemaakt door weggebruikers die bij handhaving van de huidige situatie voor een andere route zouden kiezen.

Tevens is van belang dat vooralsnog geen wijzigingen plaatsvinden aan het aansluitende traject Noordeloos-Lexmond en niet voldoende duidelijk is geworden of en op welke wijze de verkeersstroom kan worden opgevangen voorbij het knooppunt Noordeloos. Indien weggebruikers worden geconfronteerd met stagnatie in de verkeersstroom ter hoogte van het knooppunt Noordeloos valt niet zonder meer uit te sluiten dat dit een negatief effect kan hebben op de intensiteit van het sluipverkeer langs de sluiproute door Meerkerk.

Gelet op het voorgaande stellen appellanten terecht dat verweerder op basis van de door hem aan de besluitvorming ten grondslag gelegde gegevens niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat het wegaanpassingsbesluit geen gevolgen kan hebben voor het sluipverkeer op het onderliggende wegennet.

2.13.1.    De Afdeling acht echter voldoende aannemelijk dat maatregelen zullen worden genomen om sluipverkeer door Meerkerk tegen te gaan. Zij neemt hierbij in aanmerking dat blijkens de stukken een aantal maal overleg heeft plaatsgevonden tussen het gemeentebestuur van Zederik en Rijkswaterstaat over te nemen sluipverkeerwerende maatregelen. Voorts zijn afspraken gemaakt over onder meer een bijdrage in de kosten van de verwezenlijking van deze maatregelen. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat desondanks geen maatregelen zullen worden getroffen. Voorts is gesteld noch gebleken dat het sluipverkeer langs de route waarlangs appellanten wonen niet in afdoende mate kan worden ontmoedigd door het nemen van sluipverkeerwerende maatregelen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de eventuele negatieve gevolgen die het wegaanpassingsbesluit heeft voor de intensiteit van het sluipverkeer door Meerkerk in voldoende mate worden beperkt door het nemen van sluipverkeerwerende maatregelen.

eindconclusie

2.14.    Gelet op al het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het wegaanpassingsbesluit heeft kunnen vaststellen. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd geeft evenmin grond voor het oordeel dat het wegaanpassingsbesluit anderszins is voorbereid of is genomen in strijd met het recht.

Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover dit ziet op de uitvoeringsbesluiten;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Langeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2005

317.