Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT0579

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2005
Datum publicatie
16-03-2005
Zaaknummer
200407762/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2003 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden (hierna: het bureau) een verzoek om toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand ten behoeve van appellant afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 427 met annotatie van B.W.N. de Waard
JB 2005/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407762/1.

Datum uitspraak: 16 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 augustus 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2003 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden (hierna: het bureau) een verzoek om toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand ten behoeve van appellant afgewezen.

Bij besluit van 12 december 2003 heeft de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden (hierna: de raad) het daartegen namens appellant ingestelde administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 10 augustus 2004, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen namens appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak is bij brief van 16 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, namens appellant hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 oktober 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 november 2004 heeft de raad van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2005, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Hamer, werkzaam bij de raad, is verschenen. Appellant was - met bericht - niet aanwezig.

2.    Overwegingen

2.1.    De raad heeft het administratief beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat geen machtiging is overgelegd.

2.2.    Ingevolge artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

   Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.3.    De raad voert in het kader van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb het beleid dat - alleen - in de situatie dat een ander dan de aanvragende rechtsbijstandverlener administratief beroep instelt een machtiging wordt verlangd, welke inhoudt dat namens de rechtzoekende wordt opgetreden.

2.4.    De rechtbank heeft overwogen dat door mr. B. van Dijk - werkzaam op het kantoor van de aanvragende rechtsbijstandverlener mr. R. van Asperen - bij het instellen van het administratief beroep geen machtiging van appellant is overgelegd. Door middel van de toezending van een verweerschrift van het bureau van 14 november 2003 is mr. B. van Dijk van dit verzuim op de hoogte gesteld, waarbij hem de gelegenheid is gegeven tot op de zitting van de commissie voor bezwaar en beroep (hierna: de commissie) van 28 november 2003 dit verzuim te herstellen. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt. De rechtbank heeft gelet daarop geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot niet-ontvankelijkverklaring van het administratief beroep van appellant.

2.5.    Uit de artikelen 2:1, tweede lid, en 6:6 van de Awb, in onderlinge samenhang gelezen, volgt dat het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op het bezwaar of administratief beroep, een schriftelijke machtiging van een gemachtigde kan verlangen en dat, indien daaraan geen gevolg wordt gegeven, het bezwaar of administratief beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De raad, als verantwoordelijk bestuursorgaan, noch de commissie, belast met de behandeling van het administratief beroep, heeft zich tot mr. B. van Dijk gewend met een dergelijk verzoek. De enkele constatering van het ontbreken van een machtiging door het bureau in zijn als "verweerschrift" aangeduide notitie van 14 november 2003 kan niet als zodanig worden aangemerkt. Het bureau is in deze administratieve beroepsprocedure niet het bestuursorgaan waarop artikel 2:1 van de Awb ziet. Bovendien behelst dit stuk slechts het standpunt van het bureau, dat is opgesteld ten behoeve van de hoorzitting van de commissie en niet is gericht aan de rechtzoekende of diens rechtsbijstandverlener. Dat, naar van de zijde van de raad is gesteld, zijn beleid met betrekking tot het vereiste van een machtiging onder de advocatuur bekend is gemaakt, doet er niet aan af dat elke keer dat een machtiging ontbreekt en deze wel wordt verlangd, door het terzake bevoegde bestuursorgaan onder het stellen van een termijn om een machtiging moet worden verzocht voordat er sprake is van een verzuim dat tot niet-ontvankelijkverklaring kan leiden. Dat is in dit geval niet gebeurd. Toepassing van artikel 6:6 van de Awb is, anders dan de raad meent, in dit geval dan ook niet aan de orde. De rechtbank heeft dit miskend.

2.6.    Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal voorts doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en het besluit van 12 december 2003 wegens strijd met de artikelen 2:1, tweede lid, en 6:6 van de Awb, in onderlinge samenhang bezien, vernietigen.

2.7.    De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 augustus 2004, reg. nr. 04/114 WRB;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden van 12 december 2003, zaaknr. 03/0518;

V.    veroordeelt de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden te worden betaald aan appellant;

VI.    gelast dat de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht (totaal € 133) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Dallinga

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2005

18-209.