Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT0571

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2005
Datum publicatie
16-03-2005
Zaaknummer
200404777/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2002 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) het verzoek van appellanten om schadevergoeding in verband met het onherroepelijke Tracébesluit Betuweroute van 26 november 1996, onderdeel B3 (hierna: het tracébesluit) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404777/1.

Datum uitspraak: 16 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    [appellante sub 1],

2.    [appellanten sub 2],

respectievelijk gevestigd en wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 april 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2002 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) het verzoek van appellanten om schadevergoeding in verband met het onherroepelijke Tracébesluit Betuweroute van 26 november 1996, onderdeel B3 (hierna: het tracébesluit) afgewezen.

Bij besluit van 29 november 2002 heeft de Minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2004, verzonden op 3 mei 2004, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 7 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 juli 2004 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. K.F. Leenhouts, advocaat te Tiel, en H. van Kessel, accountant, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda, en mr. C.C.F. Rulkens, werkzaam bij Railinfrabeheer, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Volgens artikel 2 van de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute (Stcrt. 1996, nr. 189; hierna: de Regeling), voorzover hier van belang, kent de Minister op verzoek van degene die schade lijdt, of zal lijden, als gevolg van het onherroepelijke Tracébesluit Betuweroute, alsmede hieruit voortvloeiende besluiten van bestuursorganen en rechtmatige uitvoeringshandelingen, een vergoeding naar billijkheid toe, voorzover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven en voorzover de vergoeding niet, of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.2.    Appellanten hebben verzocht om schadevergoeding wegens waardevermindering van hun woning met bedrijfsloods aan het [locatie] te [plaats] als gevolg van de aanleg van het tracé van de Betuweroute. Daarnaast stellen zij ten gevolge van uitvoeringswerken die samenhangen met de aanleg van de Betuweroute omrijschade en omzetschade te hebben geleden. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit handel in zand, grind en bouwmaterialen en uit transporten voor derden. De gestelde omrij- en omzetschade houden verband met de afsluiting van de tunnel, die ter plaatse de weg het Laageinde onder de A15 leidt, en vervanging van deze tunnel door een verkeersviaduct over de A15 en de Betuweroute. Ten slotte hebben zij verzocht om een vergoeding voor overige kosten, zoals uren vennoten en kosten van deskundige bijstand.

2.3.    Het geschil in hoger beroep betreft in de eerste plaats de vraag aan de hand van welke maatstaven een verzoek om schadevergoeding waarop  de Regeling van toepassing is, moet worden beoordeeld. De Regeling beoogt, blijkens de toelichting daarop, naast de behandeling van nadeelcompensatieclaims tevens te voorzien in een eerdere behandeling van planschadeclaims, ter vergoeding van als gevolg van de Betuweroute geleden nadeel. Voorts blijkt uit de toelichting op artikel 6 dat de adviescommissie, als bedoeld in artikel 5 van de Regeling, in haar advisering aan dient te geven of een verzoek om schadevergoeding gekwalificeerd moet worden als een verzoek om planschade of als een verzoek om nadeelcompensatie. Dat is van belang, omdat deze verzoeken ieder een eigen beoordeling vergen. Bij de toepassing van de Regeling hanteert de Minister als uitgangspunt dat een verzoek om schadevergoeding voorzover de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het tracébesluit in beginsel wordt behandeld als een verzoek om vergoeding van planologische schade waarbij wordt getoetst aan de criteria die gelden voor de beoordeling van planschade.

   De Afdeling acht dit uitgangspunt aanvaardbaar gelet op de aard van het tracébesluit. Het (onherroepelijke) tracébesluit maakt het mogelijk concreet na te gaan of er sprake is van een in planologisch opzicht gewijzigde en nadeliger situatie. In dit verband zij er op gewezen dat thans ingevolge artikel 15, zesde lid, van de op 15 oktober 2000 in werking getreden wijziging van de Tracéwet, in samenhang met artikel 19 en artikel 49, aanhef en onder b, van de WRO, tracébesluiten, voorzover deze in strijd zijn met het oude bestemmingsplan ook onder het bereik van artikel 49 WRO vallen. Voorts is in artikel 2 van de Regeling een op de leest van artikel 49 van de WRO gebaseerde formulering opgenomen en staat ook de toelichting op de Regeling vooral in het teken van de behandeling van planschade.

   Op dit uitgangspunt behoort een uitzondering te worden gemaakt in die gevallen waarin de gestelde schade niet of niet uitsluitend kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van het tracébesluit, maar wel aan daaruit voortvloeiende besluiten of uitvoeringshandelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Regeling. In die gevallen dient een verzoek om schadevergoeding (mede) te worden aangemerkt als een verzoek om nadeelcompensatie, waarbij alsdan onder meer de vraag dient te worden beantwoord of er sprake is van buiten het normale maatschappelijke risico vallende en op een beperkte groep burgers drukkende schade.

2.3.1.    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Minister in dit geval het verzoek om schadevergoeding voorzover het betreft de gestelde waardedaling van de woning met bedrijfsgebouwen terecht heeft behandeld als een verzoek om planschade en niet (tevens) als een verzoek om nadeelcompensatie. Immers, deze schade vloeit rechtstreeks voort uit het tracébesluit. De overige schadecomponenten zijn veeleer het gevolg van de uitvoeringswerkzaamheden aan het tracé en dienen derhalve aan de criteria die gelden voor nadeelcompensatie te worden getoetst.

2.4.    Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de Minister, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarcommissie, op goede gronden het verzoek om schadevergoeding vanwege de waardevermindering van de woning met bedrijfsgebouwen van appellanten heeft afgewezen. Voor de beoordeling van dat verzoek heeft de Minister de beweerdelijk schadeveroorzakende maatregel, het tracébesluit, vergeleken met het voordien geldende planologisch regime, zoals neergelegd in het bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Tiel 1983". Op grond daarvan is de Minister terecht tot de conclusie gekomen dat appellanten niet in een planologisch nadeliger situatie zijn komen te verkeren. Het door appellanten overgelegde taxatierapport van Kraats makelaardij van 11 april 2001 doet aan deze conclusie niet af. Bij de bepaling van onder de Regeling voor vergoeding in aanmerking komende schade is het rapport niet bruikbaar, nu daarin geen vergelijking is gemaakt tussen hetgeen maximaal mogelijk was onder het oude bestemmingsplan en in de situatie na het tracébesluit, maar de feitelijke situatie van voor en na de aanleg van de Betuweroute is vergeleken. Derhalve is er geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding in verband met de gestelde waardevermindering van de op 325 meter afstand van de Betuweroute gesitueerde woning met bedrijfsloods. De, overigens eerst ter zitting in hoger beroep naar voren gebrachte stelling, dat de constructie van de langs de Betuweroute opgerichte geluidschermen zullen leiden tot extra overlast van de op 375 meter afstand van de woning gesitueerde A15, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat appellanten deze stelling op geen enkele wijze aannemelijk hebben gemaakt.

2.5.    De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden geoordeeld dat de Minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen het tracébesluit en de door appellanten gestelde omzetschade. Appellanten hebben ook in hoger beroep het vereiste causale verband onvoldoende aannemelijk gemaakt. Gelet hierop behoeven de andere door appellanten aangevoerde grieven, voorzover die zien op het niet vergoeden van de omzetschade, geen bespreking.

2.6.    Ook wordt onderschreven het oordeel van de rechtbank dat de door appellanten opgevoerde kostenpost uren vennoten, de tijd die vennoten onder meer hebben besteed aan het bijwonen van voorlichtingsbijeenkomsten van de NS en gesprekken met de gemeente, niet kan worden aangemerkt als schade die op grond van de Regeling voor vergoeding in aanmerking komt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt evenzeer, nu appellanten aan de brochure "Betuweroute, wat te doen bij schade" niet het gerechtvaardigde vertrouwen hebben kunnen ontlenen dat deze door hen gestelde schade voor vergoeding in aanmerking zou komen.

2.7.    De Afdeling is echter anders dan de rechtbank van oordeel dat de Minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de door appellanten gestelde  omrijschade met betrekking tot bedrijfsactiviteiten als gevolg van rechtmatige uitvoeringshandelingen, die voortvloeien uit het tracébesluit, redelijkerwijs als behorende tot het normale ondernemersrisico kan worden aangemerkt. Daarbij heeft de Minister onvoldoende rekening gehouden met de duur van de periode, te weten 20 maanden, waarin appellanten door de afsluiting van de tunnel onder het Laageinde moesten omrijden en met het feit dat de extra af te leggen afstand van 6,3 km niet alleen ten aanzien van Kapel-Avezaath gold, maar ook ten aanzien van het voornaamste afzetgebied van het bedrijf dat achter Kapel-Avezaath ligt en er voorts ook sprake was van omrijden ten aanzien van de nieuwbouw in de wijk Passewaaij in Tiel.

2.8.    De door appellanten gemaakte kosten van deskundige bijstand in de aanvraagfase in verband met de taxatie van het onroerend goed komen niet voor vergoeding in aanmerking, gelet op de terechte afwijzing van het verzoek van appellanten om schadevergoeding wegens waardevermindering van hun woning met bedrijfspanden. De kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase komen, gelet op artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het primaire besluit niet is herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.9.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen, voorzover het de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding in verband met tijdelijke omrijschade inzake bedrijfsactiviteiten betreft. De Minister dient met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

2.10.    De Minister dient op navolgende wijze in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 april 2004, 03/39 BELEI;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 november 2002, BR/Bezw/20217141/20245940, voorzover het de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding in verband met tijdelijke omrijschade inzake bedrijfsactiviteiten betreft;

V.    bepaalt dat de Minister van Verkeer en Waterstaat in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

VI.    veroordeelt de Minister van Verkeer en Waterstaat in de door appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) te worden betaald aan appellanten;

VII.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht (€ 627,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.C.M. Ramsahai, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Ramsahai

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2005

299/401.