Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT0563

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2005
Datum publicatie
16-03-2005
Zaaknummer
200405876/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2004, kenmerk AMU/1781, heeft verweerder ambtshalve de voorschriften 11 en 12 toegevoegd aan de aan appellant op 15 december 2000 verleende vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het lozen van met regenwater verdund rioolwater, afkomstig uit de stedelijke kern Egmond aan Zee, via een overstortconstructie gelegen op het Noordzeestrand nabij strandpaal 38 op de coördinaten X= 102950 en Y= 514600. Dit besluit is op 10 juni 2004 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet verontreiniging oppervlaktewateren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Water 2005/316 met annotatie van Redactie
Milieurecht Totaal 2005/4971
JM 2005/64 met annotatie van Jong
JAF 2005/25 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405876/1.

Datum uitspraak: 16 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Bergen (N-H),

appellant,

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2004, kenmerk AMU/1781, heeft verweerder ambtshalve de voorschriften 11 en 12 toegevoegd aan de aan appellant op 15 december 2000 verleende vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het lozen van met regenwater verdund rioolwater, afkomstig uit de stedelijke kern Egmond aan Zee, via een overstortconstructie gelegen op het Noordzeestrand nabij strandpaal 38 op de coördinaten X= 102950 en Y= 514600. Dit besluit is op 10 juni 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 14 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 14 september 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de stichting "Stichting De Noordzee". Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. G. Koop, advocaat te Amsterdam, mr. D. Minkman en C.J.H. Aardenburg, beiden ambtenaar van de gemeente,

en verweerder, vertegenwoordigd door drs. E.J.A. van der Boom, M.J.G.R. van Binsbergen en drs. H. Kersten, allen ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord de vereniging "Vereniging Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB", vertegenwoordigd door A.P. Ouwehand, gemachtigde, en de stichting "Stichting De Noordzee", vertegenwoordigd door mr. M.M. Baretta en ing. E.J. van Well, gemachtigden.

2.    Overwegingen

2.1.    In het bij het bestreden besluit aan de vergunning verbonden artikel 11 is bepaald dat de overstort tussen het vuilwaterrioolstelsel en het hemelwaterrioolstelsel te Egmond aan Zee uiterlijk op 1 april 2005 dient te zijn beëindigd en de overstortvoorzieningen per die datum dienen te zijn afgesloten en vergrendeld.

   Ingevolge het toegevoegde artikel 12 dient de lozing van het hemelwater vanuit het hemelwaterrioolstelsel op de Noordzee uiterlijk per 1 april 2007 te zijn beëindigd.

   Blijkens het verhandelde ter zitting heeft verweerder met het verbinden van deze voorschriften aan de vergunning in feite beoogd de vergunning van 15 december 2000, zij het op termijn, krachtens artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer in te trekken.

2.2.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is het verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigde of schadelijke stoffen, in welke vorm ook te brengen in oppervlaktewateren.

   Ingevolge artikel 7a, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is met betrekking tot het wijzigen en intrekken van een vergunning afdeling 8.1.2 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag - onverminderd het in de artikelen 8.34, 8.38, 8.39 en 18.12 bepaalde - een vergunning voor een lozing op het oppervlaktewater geheel of gedeeltelijk intrekken indien de lozing ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater veroorzaakt en toepassing van artikel 8.23 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt.

   Ingevolge artikel 8.23 van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewater.

2.3.    Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ontoelaatbaar nadelige gevolgen in de zin van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe. Indien de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, is verweerder bevoegd de vergunning in te trekken; daarbij komt hem beleidsvrijheid toe.

   Van ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater is niet reeds sprake indien nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater niet kunnen worden voorkomen of beperkt in de mate die uit toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer voortvloeit.

2.4.    De Afdeling begrijpt het beroep van appellant, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, aldus dat hij - kort weergegeven - van mening is dat van ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater vanwege het overstorten vanuit het vuilwaterstelsel op het hemelwaterstelsel geen sprake is. Dit geldt zijns inziens des te meer ten aanzien van het enkel lozen van hemelwater uit het hemelwaterstelsel op het watersysteem de Noordzee. Verweerder heeft dan ook ten onrechte een einde gemaakt aan hetgeen was toegestaan in de vergunning van 15 december 2000, kenmerk AMU/5103, aldus appellant.

2.4.1.    De Afdeling stelt vast dat het onderhavige lozingspunt in zijn huidige vorm sinds 1970 in bedrijf is ten behoeve van het gemeentelijke rioleringsstelsel. Dit rioleringsstelsel is oorspronkelijk opgezet als een gescheiden stelsel, bestaande uit een vuilwaterstelsel en een hemelwaterstelsel. In de loop der tijd zijn volgens de stukken beide stelsels door verkeerde aansluitingen bij woningen en bedrijven en het niet consequent doorvoeren van het gescheiden stelsel toch deels met elkaar vermengd geraakt. Om overbelasting van het rioolstelsel door hevige regenval tegen te gaan, wordt dan geloosd op het watersysteem de Noordzee. Deze lozingen vinden slechts zeer incidenteel plaats. Tussen het vuilwaterrioolstelsel en het hemelwaterrioolstelsel bevindt zich een overstortvoorziening, zodat de desbetreffende lozingen uiteindelijk vanuit het hemelwaterrioolstelsel plaatsvinden.

   Voor het incidenteel lozen vanuit dit lozingspunt op het watersysteem de Noordzee is, voorzover hier van belang, op 25 november 1995 vergunning verleend krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, welke vergunning gold tot en met 1 januari 2000. Daarna dienden deze lozingen volgens dit besluit te zijn beëindigd en diende het lozingspunt te zijn gesaneerd. Na overleg tussen appellant en verweerder is evenwel besloten om daarvan af te zien nu de lozingen, gelet op het karakter daarvan, het relatief kleine debiet en de grote dynamische omvang van de Noordzee, niet als risicovol werden aangemerkt. Op 15 december 2000 is dan ook een nieuwe vergunning verleend. Verweerder heeft daarbij geen aanleiding gezien een termijn te stellen aan de gelding van de vergunning.

   De Afdeling overweegt ten aanzien van de feitelijke intrekking van de vergunning tot het overstorten vanuit het vuilwaterstelsel door middel van een overstortvoorziening op het hemelwaterstelsel, dat verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht dat na het verlenen van de vergunning van 15 december 2000 het rapport "Riooloverstorten; Deel 1: knelpuntcriteria riooloverstorten" van de Commissie Integraal Waterbeheer (thans: het Landelijk Bestuurlijk Overleg Water) is verschenen. Dit rapport uit juni 2001 heeft verweerder aan zijn beleid ten grondslag gelegd. Sedertdien worden riooloverstorten van waaruit op een oppervlaktewater met de functie zwemwater - zoals het onderhavige deel van de Noordzee - wordt geloosd, aangemerkt als maatschappelijk urgent te saneren. Dit leidt er volgens verweerder toe dat thans de gevolgen van het overstorten door middel van de gewraakte voorziening als ontoelaatbaar nadelig voor de kwaliteit van het oppervlaktewater dient te worden aangemerkt. Daarnaast heeft verweerder gewezen op de toezegging van hem en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Tweede Kamer om alle risicovolle overstorten per 1 januari 2005 te saneren.

   De Afdeling overweegt dat verweerder met de enkele verwijzing naar zijn beleid en het daaraan ten grondslag liggende CIW-rapport uit juni 2001 - nog los van de vraag of dit rapport wel ziet op het overstorten van rioolwater op een watersysteem als de Noordzee - ontoereikend heeft gemotiveerd dat in dit geval, waarin de lozingen op dit watersysteem een incidenteel karakter hebben en waarvoor verweerder in 2000 nog reden zag om voor onbepaalde tijd vergunning te verlenen, sprake is van ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in samenhang gelezen met artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. De toezegging van verweerder en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Tweede Kamer om alle risicovolle overstorten per 1 januari 2005 te saneren, kan dit niet anders maken.

   Voorts overweegt de Afdeling dat het bestreden besluit verder geen motivering bevat waarom in dit geval wijziging van de vergunning van 15 december 2000 op grond van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer redelijkerwijs geen oplossing zou kunnen bieden.

2.4.2.    Voorzover de vergunning van 15 december 2000 voorts op termijn is ingetrokken ten aanzien van het enkel lozen van hemelwater vanuit het hemelwaterstelsel op het onderhavige watersysteem overweegt de Afdeling dat verweerder, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, ook dienaangaande geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat een dergelijke lozing in redelijkheid ontoelaatbaar te achten nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater veroorzaakt.

2.4.3.    Het vorenoverwogene in aanmerking nemende, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige zaak en zaak 200405878/1 als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht moeten worden beschouwd.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit verweerder van 2 juni 2004, kenmerk AMU/1781;

III.    veroordeelt de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Rijntjes-Lindhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Rijntjes-Lindhout

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2005

375.