Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT0556

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2005
Datum publicatie
16-03-2005
Zaaknummer
200410557/1 en 200410564/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

200410557/1

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/692
OGR-Updates.nl 1000905
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410557/1 en 200410564/1.

Datum uitspraak: 11 maart 2005.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1.    de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen, en anderen

2.    [verzoeker sub 2], te [plaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek,

verweerder.

1.    Procesverloop

200410557/1

Bij besluit van 14 december 2004 heeft verweerder besloten het zonder een vergunning krachtens de Wet milieubeheer in werking zijn van een pluimveebedrijf op het perceel [locatie] te [plaats] onder voorwaarden te gedogen.

Tegen dit besluit hebben verzoekers sub 1 en verzoeker sub 2 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 22 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2004, hebben verzoekers sub 1 en bij brief van 22 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2005, heeft verzoeker sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

200410564/1

Bij besluit van 16 december 2004, verzonden op 17 december 2004, heeft verweerder de bij besluit van 12 augustus 2004, kenmerk RO/MB/BRS/20040036, aan [partij] opgelegde last onder dwangsom - vanwege het oprichten en in werking hebben van een inrichting op het perceel [locatie] te [plaats] zonder een daartoe verleende vergunning - ingetrokken.

Tegen dit besluit hebben verzoekers sub 1 en verzoeker sub 2 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 22 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2004, hebben verzoekers sub 1 en bij brief van 22 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2005, heeft verzoeker sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 3 maart 2005, waar verzoekers sub 1, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, verzoeker sub 2, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.R.J. Baneke, advocaat te Nijmegen, en A.A.H. Dijkema en J.G.M. Thijssen, gemachtigden, zijn verschenen.

Voorts is daar als [partij], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Verweerder heeft het gedoogbesluit van 14 december 2004 doen steunen op de overweging dat sprake is van concreet zicht op legalisatie nu naar zijn mening positief kan worden beslist op de door [partij] ingediende aanvraag om een milieuvergunning voor het onderhavige pluimveebedrijf. In verband hiermee heeft verweerder tevens besloten de eerder opgelegde last onder dwangsom in te trekken.

2.2.    Verzoekers sub 1 en sub 2 kunnen zich niet met voornoemde besluiten verenigen. Daartoe hebben zij onder meer aangevoerd dat verweerder geen dan wel onvoldoende rekening heeft gehouden met het beoordelingskader van de Richtlijn 96/61/EEG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn)

2.3.    Onbestreden is dat de onderhavige inrichting onder de werking van de IPPC-richtlijn valt. Ter zitting heeft verweerder erkend dat bij de beoordeling van de mogelijkheid tot vergunningverlening wat het beoordelingskader van de IPPC-richtlijn betreft alleen rekening is gehouden met de ammoniakemissie vanwege de inrichting. Voor het overige heeft hij geen rekening gehouden met het beoordelingskader van deze richtlijn. Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat verweerder ten tijde van het nemen van het gedoogbesluit van 14 december 2004 niet in voldoende mate heeft nagegaan of sprake was van een vergunbare situatie. Daarom kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. De bestreden besluiten zijn naar het oordeel van de Voorzitter in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, op grond waarvan verweerder onderzoek dient te doen naar de relevante feiten en een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.4.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter reeds hierom aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen, welke strekt tot schorsing van het gedoogbesluit van 14 december 2004. Voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de intrekking van de opgelegde last onder dwangsom ziet de Voorzitter, gelet op de betrokken belangen, in dit stadium geen aanleiding. In het kader van de heroverweging zal verweerder moeten bezien of, mede gelet op de beslissing op bezwaar ten aanzien van het gedoogbesluit, herroeping van deze intrekking is aangewezen.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten in de zaak 200410557/1 te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek van 14 december 2004 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II.    wijst de verzoeken ten aanzien van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek van 16 december 2004 af;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek tot vergoeding van bij verzoekers sub 1 en sub 2 in verband met de behandeling van hun verzoek ten aanzien van het besluit van 14 december 2004 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 voor verzoekers sub 1, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot een bedrag van € 644,00 voor verzoeker sub 2, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; deze dienen door de gemeente Groesbeek aan verzoekers sub 1 en sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Groesbeek aan verzoekers sub 1 en sub 2 het door hen voor de behandeling van hun verzoek ten aanzien van het besluit van 14 december 2004 betaalde griffierecht (€ 273,00 voor verzoekers sub 1 en € 136,00 voor verzoeker sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Van Leeuwen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2005.

373.