Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT0544

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2005
Datum publicatie
16-03-2005
Zaaknummer
200405728/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast vóór 8 april 2002 de illegaal aangebrachte kunststof ramen in de voorgevel op de eerste verdieping op het perceel [locatie] respectievelijk [locatie] te Utrecht te verwijderen en deze te vervangen door houten ramen overeenkomstig de oorspronkelijke situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405728/1.

Datum uitspraak: 16 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 mei 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast vóór 8 april 2002 de illegaal aangebrachte kunststof ramen in de voorgevel op de eerste verdieping op het perceel [locatie] respectievelijk [locatie] te Utrecht te verwijderen en deze te vervangen door houten ramen overeenkomstig de oorspronkelijke situatie.

Bij besluit van 26 februari 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 mei 2004, verzonden op 28 mei 2004, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 september 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2005, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S. van Oeveren, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Appellant is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geschil is dat het pand, waar de aanschrijving op ziet, een beschermd monument is en is gelegen in een gebied dat is aangewezen als beschermd stadsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988.

2.2.    Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning:

a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

2.3.    De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het vervangen van de houten ramen door ramen van een ander materiaal een wijziging als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 betreft. De door appellant gestelde omstandigheid dat niet is waar te nemen dat de ramen niet van hout zijn, maakt niet dat geen sprake is van een wijziging als vorenbedoeld. Voor het vervangen van de ramen is derhalve een monumentenvergunning vereist.

2.4.    Omdat appellant de ramen heeft vervangen zonder de daarvoor vereiste monumentenvergunning, is gehandeld in strijd met artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988, zodat het college reeds daarom handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.    Van een concreet zicht op legalisatie is geen sprake, gelet op de negatieve adviezen van de Commissie Welstand en Monumenten van 18 december 2001 en 6 februari 2003. Van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien, is evenmin gebleken. Voorts leidt het betoog van appellant niet tot het oordeel dat handhavend optreden onevenredig is als vorenbedoeld.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Duursma

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2005

378.