Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AT0520

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2005
Datum publicatie
16-03-2005
Zaaknummer
200406333/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) onder oplegging van een dwangsom appellante gelast het onderhoud aan, de reparatie en het herstel van en het stallen van (motor)voertuigen, alsmede de opslag van goederen, anders dan bestemd voor agrarische doeleinden op de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend […], (hierna: het perceel) binnen zes maanden na verzenddatum van deze beschikking te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406333/1.

Datum uitspraak: 16 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eurojob Arbeidsplaatsbemiddeling B.V., gevestigd te Hoofddorp,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 22 juni 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) onder oplegging van een dwangsom appellante gelast het onderhoud aan, de reparatie en het herstel van en het stallen van (motor)voertuigen, alsmede de opslag van goederen, anders dan bestemd voor agrarische doeleinden op de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend […], (hierna: het perceel) binnen zes maanden na verzenddatum van deze beschikking te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 26 april 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2004, verzonden op 24 juni 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter), voorzover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 27 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 oktober 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan de Rijn, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Dijk, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Vast staat dat het gebruik van het perceel voor het onderhouden en repareren van voertuigen in strijd is met de daarop ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" rustende bestemming "Agrarische Doeleinden III", zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet uizicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Niet in geschil is dat er ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar geen concreet uitzicht op legalisatie van het gebruik bestond.

2.4.    Appellante betoogt dat er sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel, nu zij uit controlebezoeken van milieu-inspecteurs voorafgaand aan het besluit van 23 oktober 2003 afleidde dat er geen bezwaar bestond tegen het gebruik van het perceel en zij op grond van door hen gegeven aanwijzingen aanzienlijk heeft geïnvesteerd in het aanpassen van de bedrijfsruimte. In dit verband stelt zij dat het college gehouden is de kosten van deze investering te vergoeden.

2.4.1.    De Afdeling stelt vast dat bij de beoordeling van dit betoog niet, zoals door het college eerst in het verweerschrift in hoger beroep naar voren is gebracht, kan worden betrokken de enkele stelling dat op 13 februari 2003 reeds aan appellante is medegedeeld dat het in geding zijnde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan, nu van deze mededeling geen schriftelijk stuk in het dossier is gevoegd en deze door appellante uitdrukkelijk wordt betwist.

   Gesteld noch gebleken is echter dat door de milieu-inspecteurs zou zijn toegezegd dat tegen het gebruik van het perceel in strijd met het bestemmingsplan niet zou worden opgetreden. De milieucontroles worden uitgevoerd door een extern bureau en richten zich op de vraag of de inrichting voldoet aan de eisen die bij of krachtens de Wet Milieubeheer worden gesteld. Appellante kon aan de gang van zaken bij deze controles niet het vertrouwen ontlenen dat het college niet zou optreden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik. Ten aanzien van de overtredingen van de milieuregelgeving is uitsluitend sprake geweest van toepassing van een dwangmiddel in de vooraankondiging van 13 augustus 2003. Deze is bovendien eerst na verzending van de vooraankondiging van 13 juni 2003 tot het toepassen van een dwangmiddel ten aanzien van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik verzonden.

   Reeds hierom was het college niet gehouden de door appellante gemaakte kosten te vergoeden.

    De voorzieningenrechter heeft voorts terecht overwogen dat het voor risico van appellante komt dat zij niet is nagegaan of het gebruik van het perceel legaal was. Niet valt in te zien dat de voorzieningenrechter met deze overweging buiten de grenzen van het geschil is getreden.

2.5.    Het betoog van appellante dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel faalt, nu hij terecht heeft overwogen dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is van een gelijk geval. Het geval waarnaar appellante verwijst betreft een situatie waarin onder een ander bestemmingsplan dan hetgeen op het perceel van appellante van toepassing is de tijdelijke stalling van caravans wordt gedoogd. Voorzover appellante zich beroept op het feit dat de caravans ter plaatse ook gerepareerd worden is door het college aangegeven dat, als hiervan sprake zou zijn, daartegen zal worden opgetreden.

2.6.    Het betoog van appellante dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college bij het nemen van het besluit van 26 april 2004 niet in redelijkheid heeft kunnen nalaten een nieuwe begunstigingstermijn vast te stellen slaagt evenmin. Het enkele feit dat bezwaar was gemaakt betekende niet dat het college gehouden was appellante een langere termijn te gunnen om aan de last te voldoen.

2.7.    Gelet op het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat het college van handhaving had behoren af te zien.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet  worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2005

17-444.