Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS9278

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2005
Datum publicatie
09-03-2005
Zaaknummer
200407190/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2003 heeft de gemeenteraad van Brunssum, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 december 2003, het bestemmingsplan "Woongebieden herziening 2003" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407190/1.

Datum uitspraak: 9 maart 2005.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellant B], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2003 heeft de gemeenteraad van Brunssum, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 december 2003, het bestemmingsplan "Woongebieden herziening 2003" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 augustus 2004, kenmerk 2004/43949, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 26 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 november 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.J.G. Palmen, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. L.H.M. Vorstermans, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Brunssum, vertegenwoordigd door mr. H.D. Lelieveld, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat mede is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Ingevolge dit artikel, voor zover hier van belang, stelt de gemeenteraad, indien door het college van gedeputeerde staten goedkeuring aan een vastgesteld bestemmingsplan is onthouden, binnen een jaar met ingang van de dag na die, waarop de beroepstermijn bedoeld in artikel 56a, onder b of c, afloopt, een nieuw plan vast, waarbij het besluit van het college van gedeputeerde staten in acht wordt genomen. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om -in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Het plan dient ter voldoening aan de plicht van de gemeenteraad als bedoeld in artikel 30 van de WRO tot aanpassing van de onderdelen in bestemmingsplan "Woongebieden", waaraan goedkeuring is onthouden. Daarnaast worden enkele actuele ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

2.3.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" voor het perceel aan de [locatie 1], nu de nadere aanduiding als genoemd in artikel 9, eerste lid, onder 15 ("voor opslag en stalling"), van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Woongebieden" is komen te vervallen. Appellanten voeren aan dat hiermee de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2002, no. 200103684/1, niet in acht is genomen. Gelet op deze uitspraak dienen de huidige bedrijfsactiviteiten op het perceel aan de [locatie 1], te weten opslag en stalling, positief bestemd te worden, hetgeen met het plan niet wordt bereikt, aldus appellanten. Zij stellen dat verweerder dit weliswaar heeft erkend, maar ten onrechte in zoverre geen goedkeuring heeft onthouden.

2.4.    De gemeenteraad is van mening dat het gebruik van het perceel voor opslag en stalling past binnen de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en dat derhalve aan de uitspraak van de Afdeling is voldaan.

2.5.    Verweerder acht dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft hieraan goedkeuring verleend. Hij stelt dat nu aan het perceel slechts de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" is toegekend zonder nadere aanduiding, uit artikel 9, eerste lid, van het bestemmingsplan "Woongebieden" voortvloeit dat de bedrijfsactiviteiten moeten passen binnen de bedrijfsdoeleinden in de milieucategorieën 1 en 2 zoals weergegeven in de als bijlage bij het plan opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten. De huidige bedrijfsactiviteiten en de daarmee gepaard gaande opslag en stalling komen evenwel niet voor in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, aldus verweerder. Hij stelt dat gelet daarop de bedrijfsactiviteiten niet positief zijn bestemd en dat de gemeenteraad derhalve de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling niet in acht heeft genomen. Hierin ziet verweerder echter geen aanleiding om goedkeuring te onthouden, nu artikel 9, eerste lid, van het bestemmingsplan "Woongebieden" onherroepelijk is en daaraan geen goedkeuring kan worden onthouden. Als gevolg hiervan zou goedkeuring moeten worden onthouden aan het gehele plan, wat verweerder als een onjuiste toepassing van de bevoegdheid om te beslissen omtrent de goedkeuring van een plan ziet. Voorts ziet hij geen beleidsmatige of ruimtelijke bezwaren tegen de huidige bedrijfsactiviteiten, voor welke de gemeenteraad in de volgende herziening van het bestemmingsplan "Woongebieden" een positieve bestemming wil opnemen.

2.6.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2002, no. 200103684/1, onder meer het volgende overwogen:

   "Met betrekking tot de subsidiaire beroepsgrond van appellant sub 1, namelijk dat verweerders hebben miskend dat het feitelijk gebruik van zijn perceel ten onrechte niet als zodanig is bestemd, geldt het volgende.

   Blijkens de stukken hebben burgemeester en wethouders van Brunssum bij besluit van 24 april 1997 met toepassing van artikel 25, zesde lid, van de voorschriften van het vorige bestemmingsplan "Zuid 1974 Amstenrade" aan een rechtsvoorganger van appellant sub 1 vrijstelling verleend voor het gebruik van een gedeelte van het perceel gelegen achter de panden [locaties 2 en 3] voor het vervaardigen van gipsen beelden. Appellant sub 1 heeft onweersproken gesteld dat deze activiteit nog steeds plaatsvindt.

   Met het oog op de rechtszekerheid geldt als uitgangspunt dat bestaand gebruik waarvan niet aannemelijk is dat dit binnen de planperiode zal worden beëindigd, als zodanig wordt bestemd. Nu niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat het feitelijk gebruik van de gronden door appellant sub 1 binnen de planperiode zal worden beëindigd, hadden verweerders aanleiding moeten zien om een bestemming overeenkomstig het huidige gebruik te eisen.

   Uit de stukken blijkt dat de gemeenteraad in het ontwerpbestemmingsplan aan het perceel abusievelijk de bestemming "Woondoeleinden I (bestaand woongebied)" had toegekend. Bij de vaststelling van het plan heeft hij dit gecorrigeerd en de bestemming gewijzigd in de bestemming zoals hierboven in overweging 2.3. genoemd. Het nummer "15" ("voor opslag en stalling") heeft de gemeenteraad op dat moment toegevoegd aan artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften.

   Uit het voorgaande volgt dat de doeleindenomschrijving in artikel 9, eerste lid, onder 15 ("voor opslag en stalling") van de planvoorschriften te beperkt is geformuleerd omdat daaronder niet valt het vervaardigen van gipsen beelden. (…)

       Uit de overwegingen 2.3.3.1. en 2.3.3.2. volgt dat verweerders bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen hebben vergaard. Het beroep van appellant sub 1 is in zoverre gegrond, in verband waarmee aanleiding bestaat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te vernietigen voor zover goedkeuring is verleend aan artikel 9, eerste lid, onder 15 ("voor opslag en stalling") van de planvoorschriften en de daarbij behorende maximale goothoogte en bebouwingspercentage, en voor zover goedkeuring is verleend aan de in artikel 9, eerste lid, laatste alinea, en vierde lid, onder A, derde gedachtestreepje, van de planvoorschriften genoemde nummers "1 t/m 14".

   Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om in zoverre goedkeuring te onthouden aan het door appellant sub 1 aangeduide plandeel."

2.7.    Gelet op de stukken stelt de Afdeling vast dat het perceel dat ligt aan de [locatie 1] momenteel niet meer gebruikt wordt voor het vervaardigen van gipsen beelden, maar voor de opslag en stalling van hekwerken. Daarnaast wordt het bedrijfsgebouw op het perceel gebruikt als werkplaats en kantoor/showroom. Niet in geschil is dat de gemeenteraad in 1994 vrijstelling heeft verleend voor het gebruik van het perceel ten behoeve van opslag en stalling en ten tijde van het bestreden besluit voornemens was vrijstelling te verlenen voor het huidige gebruik van het bedrijfsgebouw. Voorts is niet in geschil dat het gelet hierop niet aannemelijk is dat het huidige gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd, waardoor gezien de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling als uitgangspunt geldt dat het huidige gebruik van het perceel positief bestemd dient te worden.

   Aan het perceel aan de [locatie 1] is in het voorliggende plan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toegekend. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Woongebieden", voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als bedrijfsdoeleinden aangegeven gronden bestemd voor bedrijfsdoeleinden in de milieucategorieën 1 en 2 zoals weergegeven in de als bijlage opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten. Niet in geschil is dat de huidige bedrijfsactiviteiten niet in de Staat van bedrijfsactiviteiten voorkomen en dat daarmee het gebruik van het perceel niet positief is bestemd.

   De Afdeling overweegt dat de toetsing van een plan dat is opgesteld ter voldoening aan de plicht van de gemeenteraad als bedoeld in artikel 30 van de WRO, zich primair richt op de vraag of het plan in overeenstemming is met in dit geval de uitspraak van de Afdeling. Voor verweerder bestaat in beginsel geen grond om te oordelen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening indien met het plan de uitspraak van de Afdeling in acht is genomen. Dit kan anders zijn als er een zodanige wijziging van feiten of omstandigheden heeft plaatsgevonden sinds het moment waarop de uitspraak van de Afdeling is gedaan dat daarvan moest dan wel mocht worden afgeweken. De Afdeling is van oordeel dat verweerder met de keuze om, ondanks de door hem onderschreven conclusie dat het gebruik van het perceel niet positief is bestemd, niet over te gaan tot een onthouding van goedkeuring aan het plan op dit punt, heeft miskend dat met het plan de uitspraak van de Afdeling niet in acht is genomen. Zij ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat sinds de uitspraak van de Afdeling de feiten of omstandigheden dermate zijn gewijzigd dat dit een dergelijke keuze rechtvaardigt. Hieraan doet niet af dat verweerder heeft overwogen dat hij geen beleidsmatige of ruimtelijke bezwaren heeft tegen de huidige bedrijfsactiviteiten op het perceel en dat de gemeenteraad voornemens is in de volgende herziening van het bestemmingsplan "Woongebieden" de huidige bedrijfactiviteiten positief en specifiek te bestemmen. Ook ziet de Afdeling in het standpunt van verweerder dat erop neerkomt dat hij het te ver vindt gaan om te besluiten tot een naar zijn stelling noodzakelijke onthouding van goedkeuring aan het gehele plan, wat daar ook van zij, geen aanleiding voor het oordeel dat hij in redelijkheid heeft kunnen besluiten goedkeuring te verlenen aan het plan ondanks de omstandigheid dat het niet is opgesteld in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met artikel 30, eerste lid, van de WRO. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder in zoverre gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" voor het perceel aan de [locatie 1]. Hierbij gaat de Afdeling, het verloop van de gehele procedure in aanmerking nemende, ervan uit dat de gemeenteraad met de nodige voortvarendheid een nieuw plan vaststelt met inachtneming van deze uitspraak.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 3 augustus 2004, kenmerk 2004/43949, voorzover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden", voor het perceel aan de [locatie 1], zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

III.    onthoudt goedkeuring aan het onder II genoemde plandeel;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Limburg te worden betaald aan appellanten;

VI.    gelast dat de provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. de Rooy

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2005.

59-445.