Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS9277

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2005
Datum publicatie
09-03-2005
Zaaknummer
200404763/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2001 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn, op voorstellen van het college van burgemeester en wethouders van 27 maart 2001 en 20 april 2001, het bestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2005/3318 met annotatie van L.E.M. Bijl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404763/1.

Datum uitspraak: 9 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    de vereniging "Bewonersvereniging Immenberg", gevestigd te Beekbergen,

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2001 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn, op voorstellen van het college van burgemeester en wethouders van 27 maart 2001 en 20 april 2001, het bestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 december 2001, no. RE2001.45177, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 4 december 2001 bij uitspraak van 11 juni 2003, no. 200200164/1, gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 6 april 2004, no. RE2003.53973, voorzover nodig opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 12 juni 2004 (kennelijke verschrijving), bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2004, de vereniging "Bewonersvereniging Immenberg" bij brief van 29 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2004, en [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] bij brieven van 5 juli 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De beroepen zijn aangevuld door [appellant sub 3] en [appellant sub 4] bij brief van 23 juli 2004 en door [appellanten sub 5] bij brief van 3 augustus 2004.

Verweerder heeft bij brief van 24 september 2004 meegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2005, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], de vereniging "Bewonersvereniging Immenberg", vertegenwoordigd door prof. dr. M.A.D.H. Schalekamp, gemachtigde, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. J.G.J. van den Bergh, gemachtigde, [appellant sub 4], in persoon en bijgestaan door mr. J.G.J. van den Bergh, gemachtigde, [appellanten sub 5], bij monde van de heer Van Rijkom en bijgestaan door mr. W. Visser, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door V.R.J. Thomas, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar namens de gemeenteraad A.J.J. Zents, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Planbeschrijving

2.3.    Het plan heeft betrekking op de gronden in het zuidwesten van de gemeente Apeldoorn. Het plangebied wordt in het oosten begrensd door het talud van het Apeldoorns kanaal, in het noorden door de rijksweg A1 en in het westen door de Arnhemseweg, de Berg en Dalweg, de Noordweg en de Oude Barneveldseweg. In het zuiden grenst het plangebied aan het grondgebied van de gemeenten Arnhem, Rozendaal en Brummen. Binnen het plangebied liggen delen van het Centraal Veluws Natuurgebied en een stuwwalrand. Het plan beoogt het behoud en de ontwikkeling van natuur en landschapswaarden en de duurzame verweving van ruimtelijke functies.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit voorzover nodig opnieuw beslist over de goedkeuring van dit plan.

Formele bezwaren

2.4.    [appellanten sub 5] stellen in beroep dat verweerder ingevolge artikel 10:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht verplicht was uiterlijk op 11 september 2003 voorzover nodig een nieuw besluit te nemen aangaande de goedkeuring van het bestemmingsplan en dit bekend te maken. Nu verweerder dit heeft nagelaten is naar hun mening, op grond van artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dit bestemmingsplan van rechtswege goedgekeurd. Het bestreden besluit is derhalve niet bevoegd genomen, aldus [appellanten sub 5].

2.4.1.    Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) - voorzover hier van belang - behoeft het bestemmingsplan de goedkeuring van het college van gedeputeerde staten.

In het tweede lid van dit artikel is - voorzover hier van belang - bepaald dat het besluit omtrent goedkeuring bekendgemaakt wordt binnen zes maanden na afloop van de termijn van terinzagelegging, bedoeld in artikel 26, indien tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen zijn ingebracht krachtens artikel 27. Gelet op deze bepalingen bestaat voor het college van gedeputeerde staten de verplichting te beslissen omtrent de goedkeuring van het door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan.

Indien de Afdeling het besluit omtrent de goedkeuring geheel of ten dele vernietigt, dient het college van gedeputeerde staten, behoudens indien en voorzover de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zelf in de zaak voorziet, een nieuw besluit te nemen, aangezien na vernietiging niet meer aan evengenoemde verplichting wordt voldaan.

Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb (memorie van toelichting op wetsvoorstel 22495, p. 146) geldt als maximumtermijn waarbinnen moet worden beslist na vernietiging door de rechter, de termijn die van toepassing is op de primaire besluitvorming.

Gelet hierop dient als termijn waarbinnen het college van gedeputeerde staten opnieuw moet beslissen, de in artikel 28, tweede lid, van de WRO genoemde termijn te worden aangehouden.

Gelet op het vorenstaande diende verweerder in het onderhavige geval binnen zes maanden na de dag van de verzending van de uitspraak van 11 juni 2003, derhalve uiterlijk 11 december 2003, een besluit omtrent de goedkeuring, voorzover nodig, van het bestemmingsplan bekend te maken.

De Afdeling stelt vast dat verweerder zulks heeft nagelaten.

Noch in de Awb noch in de WRO kan steun worden gevonden voor de stelling dat het niet nakomen door verweerder van de verplichting om tijdig een nieuw besluit te nemen omtrent de goedkeuring van het door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan, leidt tot een goedkeuring van rechtswege na het verstrijken van de termijn. De wetgever kan niet worden geacht een eerdere vernietiging door een fictieve goedkeuring te hebben willen vervangen op grond van het enkele feit dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn een nieuw besluit heeft genomen.

Gelet op het voorgaande was verweerder na het verstrijken van de beslistermijn bevoegd om voorzover nodig een nieuw besluit omtrent de goedkeuring van het plan te nemen.

Het beroep van [appellanten sub 5] is op dit punt ongegrond.

2.5.    Wat betreft het bezwaar van [appellanten sub 5] dat verweerder hen niet opnieuw heeft gehoord, overweegt de Afdeling het volgende.

In artikel 27, derde lid, WRO is niet een algemene verplichting opgenomen om, na vernietiging van de eerdere beslissing omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan, opnieuw de gelegenheid te bieden tot het geven van een nadere mondelinge toelichting op de schriftelijk ingediende bedenkingen.

Voor het oordeel dat verweerder in dit geval onzorgvuldig heeft gehandeld door [appellanten sub 5] niet opnieuw te horen, bestaat geen grond.

Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond van [appellanten sub 5] niet.

De beroepen met betrekking tot de uitbreiding van De Hertenhorst

2.6.    [appellanten sub 1] en de Bewonersvereniging Immenberg stellen in beroep dat verweerder wederom ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de in artikel 4.7 van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid, waardoor uitbreiding van Vakantiecentrum De Hertenhorst mogelijk wordt gemaakt. Volgens hen heeft verweerder zich in zijn besluitvorming ten onrechte gebaseerd op gebrekkige onderzoeken naar de gevolgen van de uitbreiding van De Hertenhorst voor de plaatselijke natuurwaarden. [appellanten sub 1] en de Bewonersvereniging Immenberg vrezen dat uitbreiding het door de Habitatrichtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zal kunnen brengen. Zij zijn verder van mening dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de vraag of en zo ja, hoe de uitbreiding van De Hertenhorst fysiek zal worden gecompenseerd.

Zij betogen voorts dat verweerder ten onrechte het uitponden van De Hertenhorst niet in zijn besluitvorming heeft betrokken. [appellanten sub 1] zijn tevens van mening dat geen noodzaak bestaat voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat de wijzigingsbevoegdheid door voldoende objectieve normen wordt begrensd, aldus [appellanten sub 1].

2.6.1.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

2.6.2.    De Afdeling stelt voorop dat verweerder met inachtneming van de uitspraak van 11 juni 2003, no. 200200164/1, opnieuw dient te beslissen op de bedenkingen. Nieuwe feiten en omstandigheden kunnen voor verweerder aanleiding zijn de uitspraak niet geheel te volgen. Plandelen waaromtrent onherroepelijk door de Afdeling is beslist, kunnen niet meer aan de orde komen.

2.6.3.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 11 juni 2003, no. 200200164/1, geoordeeld dat verweerder terecht heeft overwogen dat de desbetreffende in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden in zoverre door voldoende objectieve normen zijn begrensd. Verder heeft de Afdeling bij deze uitspraak geen aanleiding gezien de in artikel 4.7, eerste lid, onder c, d, en e van de planvoorschriften opgenomen compensatieregeling in strijd met het streekplan te achten. Wat betreft de stelling dat compensatie reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan dient te zijn verzekerd, overwoog de Afdeling destijds dat: "in dit geval ten behoeve van de eventuele uitbreiding van verblijfsrecreatieterreinen een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zal moeten worden opgesteld. Gezien de voorwaarden hierbij zal bij de vaststelling van het wijzigingsplan moeten worden bezien of voldaan is aan de eis betreffende compensatie."

In haar uitspraak van 11 juni 2003 heeft de Afdeling voorts geoordeeld: "Voorzover appellanten aanvoeren dat het zogeheten uitponden op het recreatieterrein aan uitbreiding in de weg staat, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het gebruik van de gronden zoals geregeld in het plan maar op het financiële beheer van de recreatieterreinen. Gelet daarop kan dit bezwaar niet in deze procedure aan de orde komen.

Niet in geschil is dat geen bedrijfseconomische noodzaak bestaat De Hertenhorst uit te breiden. De Afdeling overweegt dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in de toekomst onder meer moet worden voldaan aan de voorwaarde dat de bedrijfseconomische noodzaak voor uitbreiding moet zijn aangetoond. Van belang is in dit verband dat uit de Ontwikkelingsvisie recreatieconcentratie Beekbergen e.o. blijkt dat uitbreiding uit markttechnische overwegingen wel gewenst is. "

Appellanten hebben in zoverre geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn zich thans op een ander standpunt te stellen.

2.6.4.    In haar uitspraak van 11 juni 2003, no. 200200164/1, heeft de Afdeling overwogen dat verweerder zich in zijn besluitvorming wat betreft de bezwaren van appellanten aangaande de soortenbescherming ten onrechte heeft gebaseerd op het rapport "Beekbergen, toetsing reconstructie recreatiebedrijven aan Habitatrichtlijn": "Naar het oordeel van de Afdeling maakt het (…) rapport (…) onvoldoende inzichtelijk wat de gevolgen van de uitbreidingen zijn voor de ter plaatse voorkomende soorten (anders dan vogels). Uit dit onderzoek kan dan ook niet worden afgeleid of op voorhand aannemelijk is dat een ontheffing op grond van de Natuurbeschermingswet kan worden verleend."

De Afdeling overweegt dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) voor de datum van het thans voorliggende besluit in werking is getreden.

Verweerder had derhalve in dit geval geen goedkeuring aan het planonderdeel kunnen verlenen, indien en voorzover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw, zoals die ten tijde van het bestreden besluit luidde, aan de uitvoerbaarheid van het planonderdeel in de weg zou staan.

2.6.4.1.    Uit de stukken blijkt dat verweerder na de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2003 A.J.M. Schenkeveld een nader onderzoek heeft laten uitvoeren naar het voorkomen van beschermde planten- en diersoorten in het plangebied. Het betreft het onderzoek "De Flora- en faunawet en het bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone Zuid". Verweerder heeft de resultaten en conclusies van het onderzoek bij zijn besluitvorming betrokken. Blijkens het onderzoek zijn op het terrein van De Hertenhorst beschermde diersoorten aanwezig, die niet voorkomen op bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Uit het onderzoek blijkt tevens dat op het terrein van De Hertenhorst waarschijnlijk de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en de laatvlieger voorkomen, die staan vermeld op bijlage IV van de Habitatrichtlijn.

Mede op basis van een inschatting van de effecten van een eventuele uitbreiding van De Hertenhorst op de verschillende voorkomende diersoorten is A.J.M. Schenkeveld tot de conclusie gekomen dat op voorhand redelijkerwijs te verwachten is dat een ontheffing op grond van de Ffw zou kunnen worden verleend. [appellanten sub 1] en de Bewonersvereniging Immenberg hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op voorhand niet is aan te nemen dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het planonderdeel in de weg zal staan.

2.6.5.    In 2.15.4. van de uitspraak van 11 juni 2003 heeft de Afdeling overwogen:

"Delen van het plangebied staan voorts op de lijst van Habitatgebieden die de Nederlandse regering op grond van artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn aan de Commissie heeft toegezonden. Ten tijde van het bestreden besluit was de communautaire lijst als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn nog niet vastgesteld, zodat de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in zoverre nog niet golden. De Afdeling is van oordeel dat het beginsel van gemeenschapstrouw (artikel 10 van het EG-Verdrag) meebrengt dat de lidstaten en hun organen zich in een geval als dit gedurende de termijn tussen de inzending van een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn en de vaststelling van de lijst door de Commissie, dienen te onthouden van activiteiten die het bereiken van het door de Habitatrichtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar kunnen brengen.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het rapport Beekbergen, toetsing reconstructie recreatiebedrijven aan Habitatrichtlijn, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich ook wat betreft dit punt in zijn besluitvorming ten onrechte op dit onderzoek heeft gebaseerd."

2.6.5.1.    In zijn arrest van 13 januari 2005 in zaak nr. C-117/03 heeft het Hof van Justitie voor de Europese Gemeenschappen over de bescherming van Habitatgebieden als hier aan de orde overwogen:

"(…) dat artikel 4, lid 5, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de beschermingsmaatregelen van artikel 6, leden 2 tot en met 4, van de richtlijn enkel moeten worden vastgesteld voor de gebieden die overeenkomstig artikel 4, lid 2, derde alinea, van de richtlijn zijn opgenomen in de door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 van deze richtlijn vastgestelde lijst van gebieden van communautair belang.

Hieruit volgt evenwel niet dat de lidstaten de gebieden niet moeten beschermen vanaf het moment dat zij deze krachtens artikel 4, lid 1, van de richtlijn op de aan de Commissie toegezonden nationale lijst voorstellen als gebieden die kunnen aangewezen worden als gebieden van communautair belang.

Wanneer er met ingang van dat moment geen afdoende bescherming aan deze gebieden wordt geboden, zou de realisatie van de doelstellingen van de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora, zoals vermeld in onder meer de zesde overweging van de considerans en artikel 3, lid 1, van de richtlijn, immers in het gedrang dreigen te komen. (…)"

2.6.5.2.    De Afdeling overweegt dat de communautaire lijst als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn op 7 december 2004 is vastgesteld. Het thans voorliggende besluit dateert van voor deze datum.

Derhalve waren ten tijde van het bestreden besluit de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in zoverre nog niet van toepassing. Gelet op het eerdergenoemde arrest van het Hof van Justitie voor de Europese Gemeenschappen dient te worden bezien of door de voorziene uitbreiding de realisatie van de doelstellingen van de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora in het gedrang dreigt te komen.

2.6.5.3.    Uit de stukken blijkt dat verweerder naar aanleiding van de in 2.6.5. aangehaalde overweging uit de uitspraak van 11 juni 2003 A.J.M. Schenkeveld een nieuw onderzoek heeft laten uitvoeren. Het betreft het onderzoek "Toetsing Habitatrichtlijn uitbreiding recreatieterreinen Beekbergen". Uit het onderzoek blijkt dat van de habitattypen en soorten waarvoor de Veluwe is aangemeld, op de uitbreidingslocatie van De Hertenhorst zowel oude zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Zomereik als heischrale vegetatie voorkomen. Blijkens het onderzoek zijn de betreffende bossen echter van mindere kwaliteit en op de Veluwe wijd verspreid. Volgens het onderzoek heeft uitbreiding geen significante invloed op dit habitattype. Heischrale vegetaties van de kwaliteit als die van de uitbreidingslocatie worden blijkens het onderzoek op de Veluwe veelvuldig aangetroffen. Volgens het onderzoek kan deze vegetatie worden ingepast.

[appellanten sub 1] en de Bewonersvereniging Immenberg hebben niet aannemelijk gemaakt dat het hiervoor genoemde onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren.

De Afdeling ziet, gelet op het onderzoek, geen aanleiding voor het oordeel dat ten gevolge van de in het plan voorziene uitbreiding significante effecten voor het Habitatgebied als hier aan de orde zullen ontstaan.

Gezien het voorgaande acht de Afdeling niet aannemelijk dat met de in het plan voorziene mogelijkheid tot uitbreiding van De Hertenhorst de realisatie van de doelstellingen van de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora, zoals vermeld in onder meer de zesde overweging van de considerans en artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn in het gedrang dreigt te komen.

2.6.6.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellanten sub 1] en de Bewonersvereniging Immenberg hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen van [appellanten sub 1], in zijn geheel, en de Bewonersvereniging Immenberg, op dit punt, zijn ongegrond.

De beroepen met betrekking tot maatschappelijke doeleinden

2.7.    [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] stellen in beroep dat verweerder wederom ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover daarbij de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" is toegekend aan het perceel [locatie].

De Bewonersvereniging Immenberg stelt in beroep dat verweerder wederom ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover daarbij de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" is toegekend aan de gronden ten zuiden van de bebouwde kom van Beekbergen, nader begrensd door de Arnhemseweg, de toeristische spoorlijn Apeldoorn-Dieren en de Groenendaalseweg/Vrijenbergse Spreng, waaronder het perceel [locatie]. Volgens [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5] en de Bewonersvereniging Immenberg biedt het plan onvoldoende garanties voor een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden van het perceel [locatie]. Verder betogen zij dat verweerder heeft nagelaten te onderzoeken in hoeverre de gegeven bestemming zich verdraagt met de uit de Vogel- en Habitatrichtlijn voortvloeiende verplichtingen.

2.7.1.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Volgens hem brengt de mogelijkheid van verplaatsing van de bestaande bebouwing aan [locatie] tot op de perceelsgrens navenant geen verslechtering van het woon- en leefklimaat van omwonenden met zich. Verweerder is verder van mening dat het plan voor het desbetreffende gebied uitsluitend bestaand gebruik regelt. Dit gebruik heeft de in het gebied aanwezige waarden niet in de weg gestaan en kan dus worden voortgezet, aldus verweerder.

2.7.2.    Bij uitspraak van 11 juni 2003, no. 200200164/1, heeft de Afdeling als volgt geoordeeld over de bij besluit van 4 december 2001 door verweerder verleende goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" betreffende het perceel [locatie]:

"Ingevolge artikel 3.10, tweede lid, van de planvoorschriften geldt als maximale grondoppervlakte en inhoud van gebouwen de bestaande grondoppervlakte en inhoud, tenzij anders op de kaart is aangegeven. Aan de vrijstellingsbepaling, teneinde de te bebouwen oppervlakte en de inhoud met maximaal 15% te vergroten, in het derde lid, onder a, heeft verweerder goedkeuring onthouden.

Hoewel de bebouwingsgrenzen op het perceel ruimer zijn dan de thans aanwezige bebouwing, kan de huidige bebouwing op het perceel niet worden uitgebreid nu hieromtrent niets op de plankaart is vermeld.

Het plan maakt het echter wel mogelijk dat de bebouwing zodanig wordt verplaatst dat deze tot op de perceelsgrens kan komen te staan op geringere afstand dan thans van de woningen van [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellanten sub 5]. Niet is gebleken dat verweerder heeft onderzocht in hoeverre deze omstandigheid leidt tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid."

2.7.2.1.    De Afdeling stelt vast dat verweerder thans de mogelijkheid van verplaatsing van de bestaande bebouwing op het perceel van [locatie] in zijn besluitvorming heeft betrokken. In het bestreden besluit is vermeld dat de woningen van [appellant sub 4], [appellanten sub 5] en [appellant sub 3] zich op respectievelijk ongeveer 50, 25 en 6 meter afstand van de perceelsgrens [locatie] bevinden. Niet gebleken is dat dit onjuist is. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mogelijkheid van verplaatsing van de bestaande bebouwing aan [locatie] tot op de perceelsgrens navenant geen verslechtering van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 4], [appellant sub 3] en [appellanten sub 5] met zich brengt.

2.7.3.    In haar uitspraak van 11 juni 2003 heeft de Afdeling voorts geoordeeld: "Verder overweegt de Afdeling dat het gebied ten zuiden van de bebouwde kom van Beekbergen, nader begrensd door de Arnhemseweg, de toeristische spoorlijn Apeldoorn-Dieren en de Groenendaalseweg/Vrijenbergse Spreng, waaronder het perceel [locatie], onderdeel uitmaakt van de Veluwe. Zoals is overwogen (…), is dit gebied op 24 maart 2000 aangewezen als speciale beschermingszone op grond van de Vogelrichtlijn. Dit aanwijzingsbesluit is derhalve genomen voor het nemen van het bestreden besluit. Gelet op artikel 7 van de Habitatrichtlijn valt het gebied binnen de reikwijdte van artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn. Het gebied staat voorts op de lijst van Habitatgebieden die de Nederlandse regering op grond van artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn aan de Commissie heeft toegezonden.

In het bestreden besluit is echter niet onderzocht in hoeverre artikel 3.10 van de planvoorschriften zich verdraagt met de uit deze artikelleden voortvloeiende verplichtingen."

2.7.3.1.    Uit de stukken is niet gebleken dat verweerder thans een onderzoek zoals hierboven bedoeld heeft uitgevoerd.

In haar uitspraak van 11 juni 2003 heeft de Afdeling overwogen dat de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" ter hoogte van het perceel [locatie] een uitbreiding van de toegestane activiteiten ten opzichte van het vorige plan met zich brengt. De Afdeling ziet thans geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Gelet op het voorgaande en het verhandelde ter zitting heeft verweerder miskend dat het plan voor het desbetreffende gebied niet uitsluitend bestaand gebruik regelt.

Gelet hierop en nu niet is onderzocht hoe de bestreden planonderdelen zich verdragen met de uit eerdergenoemde artikelen van de Habitatrichtlijn voortvloeiende verplichtingen, is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid genomen.

2.7.4.    Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] in hun geheel en de beroepen van [appellanten sub 5] en de Bewonersvereniging Immenberg in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" op de gronden ten zuiden van de bebouwde kom van Beekbergen, nader begrensd door de Arnhemseweg, de toeristische spoorlijn Apeldoorn-Dieren en de Groenendaalseweg/Vrijenbergse Spreng, waaronder de [locatie].

Proceskostenveroordeling

2.8.    Verweerder dient ten aanzien van [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van de Bewonersvereniging Immenberg is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Wat betreft [appellanten sub 1] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] in hun geheel en de beroepen van de Bewonersvereniging Immenberg en [appellanten sub 5] gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 6 april 2004, nr. RE2003.53973, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" op de gronden ten zuiden van de bebouwde kom van Beekbergen, nader begrensd door de Arnhemseweg, de toeristische spoorlijn Apeldoorn-Dieren en de Groenendaalseweg/Vrijenbergse Spreng, waaronder de [locatie];

III.    verklaart het beroep van [appellanten sub 1] in het geheel en de beroepen van de Bewonersvereniging Immenberg en [appellanten sub 5] voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1992,01;

dit bedrag dient door de provincie Gelderland als volgt te worden betaald aan:

1. [appellant sub 3] € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

2. [appellant sub 4] € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

3. [appellanten sub 5] € 704,01, waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de provincie Gelderland aan de Bewonersvereniging Immenberg, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 136,00 voor [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellanten sub 5], elk afzonderlijk, en € 273,00 voor de Bewonersvereniging Immenberg) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Bindels

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2005

85-466.