Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS9262

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-03-2005
Datum publicatie
09-03-2005
Zaaknummer
200403061/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 augustus 2003 heeft verweerder - voorzover hier van belang - ten behoeve van verzorgingshuis Scholtenhof te Oldenzaal een vergunning verleend als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen (hierna: de WZV), waarin het onderdeel dagverzorging voor 15 plaatsen en het onderdeel bouwkundige zorginfrastructuur bij scheiden van wonen en zorg voor 125 plaatsen niet zijn opgenomen.

Wetsverwijzingen
Wet ziekenhuisvoorzieningen
Wet ziekenhuisvoorzieningen 6
Wet ziekenhuisvoorzieningen 15
Besluit zorgaanspraken AWBZ
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2005/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200403061/1.

Datum uitspraak: 9 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Zorgfederatie Oldenzaal", gevestigd te Oldenzaal,

appellante,

en

College bouw ziekenhuisvoorzieningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2003 heeft verweerder - voorzover hier van belang - ten behoeve van verzorgingshuis Scholtenhof te Oldenzaal een vergunning verleend als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen (hierna: de WZV), waarin het onderdeel dagverzorging voor 15 plaatsen en het onderdeel bouwkundige zorginfrastructuur bij scheiden van wonen en zorg voor 125 plaatsen niet zijn opgenomen.

Bij besluit van 2 maart 2004, heeft verweerder - voorzover hier van belang - het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 mei 2004.

Bij brief van 20 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van respectievelijk 5 oktober en 22 oktober 2004 heeft appellante nadere stukken ingediend.

Bij brief van 19 oktober 2004 heeft verweerder een nadere memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M. Rijken, advocaat te Utrecht, en [gemachtigde], werkzaam bij appellante, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. T.J.A. van Baar en drs. L.J.M. Mimpen, beiden werkzaam bij verweerder, alsmede de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, vertegenwoordigd door mr. J.P.G. den Ambtman en drs. G.T.M. Adriaansens, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de WZV wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde onder ziekenhuisvoorziening verstaan een inrichting voor gezondheidszorg, behorende tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, of een deel van zodanige inrichting, alsmede een met zodanige inrichting verbonden of ten behoeve van een of meer inrichtingen fungerende bouwkundige voorziening.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de WZV is het verboden een ziekenhuisvoorziening te bouwen zonder vergunning van het College bouw.

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WZV wordt een aanvrage om een vergunning, als bedoeld in artikel 6, niet in behandeling genomen, indien niet is afgegeven een onherroepelijk geworden verklaring van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister) waaruit blijkt dat de beoogde bouw past in een plan voor ziekenhuisvoorzieningen, behoudens voor zover een zodanige verklaring op grond van artikel 9 niet vereist is.

   Ingevolge artikel 15, tweede lid, aanhef, en onder b, van de WZV kan een vergunning slechts worden geweigerd, indien de beoogde bouw voorzieningen omvat, die niet een noodzakelijk bestanddeel van de te bouwen ziekenhuisvoorziening vormen.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de vergunning op de in het tweede lid, onder b, bedoelde grond niet worden geweigerd wegens bezwaren tegen datgene waarvan bij de aanvrage om de verklaring opgave is gedaan overeenkomstig de regelen, gesteld krachtens artikel 8, eerste lid.

2.2.    Met de Circulaire VWS Aanpassingen WZV na Modernisering AWBZ van 5 april 2003 (kenmerk Z/PB-2370266, Stcrt. 2003, 74; hierna: de Circulaire) zijn de besturen van ziekenhuisvoorzieningen geïnformeerd over de wijzingen in de toepassing van de WZV per 1 april 2003 in verband met het in werking treden van het nieuwe Besluit zorgaanspraken AWBZ in het kader van de modernisering van de AWBZ. Volgens de Regeling begripsomschrijvingen WZV (hierna: de Regeling), zoals in werking getreden op 17 april 2003 met terugwerkende kracht tot 1 april 2003, vallen het onderdeel dagverzorging en het onderdeel bouwkundige zorginfrastructuur bij scheiden van wonen en zorg met ingang van 1 april 2003 buiten de werkingssfeer van de WZV, omdat het verlenen van zorg aan personen buiten de instelling niet onder het begrip "bouw" is begrepen. Dit heeft tot gevolg dat extramurale zorgverlening van WZV-instellingen buiten de vergunningsplicht van artikel 6 van de WZV valt.

2.3.    In het besluit van 18 augustus 2003 is, gelet op de door de Minister afgegeven verklaring bij beschikking van 21 mei 2002 en gelet op het bepaalde in artikel 6, eerste lid en artikel 7, eerste lid, onder c, van de WZV, het schetsontwerp goedgekeurd en vergunning verleend voor de renovatie van algemene voorzieningen en nieuwbouw van 26 zorgappartementen.

2.4.    Kern van het geschil is dat verweerder de onderdelen dagverzorging voor 15 plaatsen en bouwkundige zorginfrastructuur bij scheiden van wonen en zorg voor 125 plaatsen niet in de vergunning heeft opgenomen, omdat deze onderdelen naar zijn oordeel vanwege de hiervoor vermelde aanpassing in de Regeling na 1 april 2003 buiten de werkingsfeer van de WZV vallen.

2.5.    Vast staat dat appellante bij brief van 8 oktober 2001, aangevuld bij brief van 31 januari 2002, een bouwinitiatief heeft ingediend bij de Minister ten behoeve van een verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WZV. De Minister heeft op 21 mei 2002 deze verklaring afgegeven, inhoudende dat behoefte bestaat aan renovatie van algemene voorzieningen, vervangende nieuwbouw van 26 zorgappartementen, nieuwbouw van ruimten voor dagverzorging voor 15 plaatsen en zorginfrastructuur voor 125 plaatsen. Deze zonder voorbehoud afgegeven verklaring was ten tijde van het nemen van het besluit van 18 augustus 2003 onherroepelijk.

2.6.    De Afdeling overweegt, gelijk zij eerder (uitspraak van 29 juli 1993 in zaak no. G06.89.0452, AB 1993/574) heeft overwogen, dat bij de verlening van de vergunning op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de WZV, geen andere beperkingen of voorschriften aan de vergunning mogen worden verbonden dan zijn verbonden aan de verklaring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WZV. Het stond verweerder dan ook niet vrij om de onderdelen dagverzorging en zorginfrastructuur waarop de verklaring mede betrekking had, gelet op het bepaalde in artikel 15, derde lid, van de WZV, buiten de vergunning te laten. Van andere weigeringsgronden, zoals deze limitatief zijn opgesomd in artikel 15, tweede lid, van de WZV, is niet gebleken. De op 17 april 2003 met terugwerkende kracht tot 1 april 2003 in werking getreden Regeling kan aan het vorenstaande niet afdoen.

2.7.    Het vorenstaande brengt met zich dat de beslissing op bezwaar geen stand kan houden. Verweerder dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante te nemen.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellante te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    vernietigt het besluit van College bouw ziekenhuisvoorzieningen van 2 maart 2004, kenmerk 0187-04, voorzover het de onderdelen zorginfrastructuur en dagverzorging betreft;

II.    veroordeelt College bouw ziekenhuisvoorzieningen in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door het College bouw ziekenhuisvoorzieningen te worden betaald aan appellante;

III.    gelast dat het College bouw ziekenhuisvoorzieningen aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Glerum

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2005

164-421.