Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS9250

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2005
Datum publicatie
09-03-2005
Zaaknummer
200500371/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2004, verzonden 15 december 2004, heeft verweerder bepaald dat door verzoeker een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt verbeurd van € 5.000,00 per keer met een maximum van € 25.000,00 voor iedere keer dat op het bedrijf van verzoeker gelegen aan de [locatie] te [plaats] de overtreding van artikel 18.18 van de Wet milieubeheer voortduurt. Tot 4 weken na dagtekening van het besluit worden geen dwangsommen verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500371/1.

Datum uitspraak: 2 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Heusden,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2004, verzonden 15 december 2004, heeft verweerder bepaald dat door verzoeker een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt verbeurd van € 5.000,00 per keer met een maximum van € 25.000,00 voor iedere keer dat op het bedrijf van verzoeker gelegen aan de [locatie] te [plaats] de overtreding van artikel 18.18 van de Wet milieubeheer voortduurt. Tot 4 weken na dagtekening van het besluit worden geen dwangsommen verbeurd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 11 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2005, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 februari 2005, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door ing. J.A.L. van Engelen, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.M. Willemsen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is [belanghebbende] als partij daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker gelast dat op zijn bedrijf, [Café-Restaurant] de strijdigheid met artikel 18.18 van de Wet milieubeheer moet zijn opgeheven.

    Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd de overweging dat de in het plan van aanpak van 27 april 2004 genoemde bouwkundige aanpassingen aan de Showzaal en de Fantasiazaal in [Café-Restaurant] niet voor de in voornoemd plan van aanpak genoemde datum van 1 september 2004 zijn uitgevoerd. Nu de geluidvoorschriften van de op 8 oktober 1991 krachtens de Hinderwet verleende vergunning reeds langere tijd worden overtreden, de aangekondigde maatregelen niet zijn getroffen en er voorts geen concreet zicht op legalisatie bestaat, heeft verweerder besloten tot het opleggen van een last onder dwangsom. Volgens verweerder kan verbeurte van een dwangsom op eenvoudige wijze worden voorkomen door het muziekgeluid en het geluid van andere installaties die geluid produceren zodanig af te stellen dat [Café-Restaurant] voldoet aan de geluidvoorschriften van de vergunning uit 1991. Dit kan volgens verweerder op eenvoudige wijze en zonder ingrijpende kosten worden bereikt door de muziek zachter te zetten, te weten op 95 dB(A).

2.2.    Verzoeker kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Hij voert hiertoe onder andere aan dat hij naar aanleiding van het plan van aanpak van 27 april 2004 verweerder heeft medegedeeld dat het niet mogelijk is de in het plan genoemde bouwkundige maatregelen te treffen, zodat opnieuw onderzoek zal moeten worden verricht. Dit onderzoek zal volgens verzoeker op 1 maart 2005 afgerond zijn. Verder wijst verzoeker erop dat hij naar aanleiding van het plan van aanpak alsook in het verleden diverse malen aanzienlijke bedragen in [Café-Restaurant] heeft geïnvesteerd voor vervanging en innovatie. Verzoeker wijst erop dat hij voor de komende weken diverse grootschalige activiteiten heeft georganiseerd die voor de benodigde inkomsten moeten zorgen om verdere investeringen in het bedrijf te kunnen doen. Een intern geluidniveau van 95 dB(A) zoals verweerder voorstelt, leidt volgens verzoeker tot leegloop en vervolgens sluiting van zijn bedrijf. Voorts voert hij aan dat verweerder in zijn besluit stelt recent geluidmetingen te hebben uitgevoerd. De resultaten van deze metingen zijn hem echter niet bekend. Verweerder heeft voorts geen rekening gehouden met het door hem in september 2004 ingediende verzoek tot verruiming van de geluidnormen opgenomen in de vergunning van 1991. Verder kan verzoeker zich niet verenigen met de hoogte van de opgelegde last onder dwangsom. Voorts betoogt hij dat de opgelegde begunstigingstermijn, nu de bouwkundige maatregelen niet kunnen worden getroffen, niet haalbaar is.

2.3.    Niet in geschil is dat de in de vergunning van 1991 opgenomen geluidvoorschriften worden overtreden.

   De Voorzitter overweegt, gelet op hetgeen door verzoeker dienaangaande ter zitting is aangevoerd, evenwel dat verweerder blijkens het bestreden besluit geluidonderzoeken heeft verricht op basis waarvan hij heeft gemeend tot handhavend optreden te moeten overgaan. De (resultaten van deze) geluidonderzoeken zijn echter bij verzoeker noch bij de Voorzitter bekend. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de bewuste geluidonderzoeken in rechte geen stand kunnen houden en dat inmiddels nieuwe metingen zijn uitgevoerd waaruit de overtreding van de in de vergunning van 1991 opgenomen geluidvoorschriften blijkt.

   De Voorzitter overweegt in dit verband voorts dat het bestreden besluit slechts vermeldt dat verzoeker niet in strijd met artikel 18.18 van de Wet milieubeheer mag handelen. Dit artikel bepaalt dat een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning, is verboden. In het bestreden besluit is evenwel niet opgenomen welke voorschriften van de vergunning uit 1991 exact worden overtreden. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat het gaat om de geluidvoorschriften opgenomen in hoofdstuk 6 van de vergunning. Niet duidelijk is echter of verweerder daarbij doelt op alle 17 in dit hoofdstuk opgenomen geluidvoorschriften of slechts op enkele voorschriften hiervan.

   De Voorzitter gaat er gezien het vorenstaande van uit dat verweerder bij zijn beslissing op bezwaar aan voornoemde punten aandacht zal besteden.

2.4.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.1.    Wat betreft het verzoek van verzoeker om de geluidnormen te verruimen, heeft verweerder ter zitting betoogd dat dit verzoek waarschijnlijk door hem zal worden afgewezen, nu uit een reeds uitgevoerde meting volgt dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid in de nachtperiode zeer laag is vanwege de ligging van [Café-Restaurant] nabij een stille woonwijk met weinig verkeer. Dit referentieniveau is volgens verweerder lager dan de in de vergunning van 1991 opgelegde geluidgrenswaarde voor de nachtperiode. In de toekomst zal door afname van de verkeersintensiteit op de Nieuwkuijksestraat in verband met de aanleg van de parallelstructuur ter plaatse een nog rustiger karakter ontstaan, aldus verweerder. Gelet op hetgeen verweerder ter zitting heeft betoogd, overweegt de Voorzitter dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in zoverre geen concreet zicht op legalisatie bestond.

2.5.    Voorts overweegt de Voorzitter op basis van de stukken en het ter zitting verhandelde dat verzoeker verweerder in ieder geval met de brief van 25 november 2004, derhalve vóór het nemen van het bestreden besluit, heeft medegedeeld dat de in het plan van aanpak van 27 april 2004 genoemde bouwkundige maatregelen niet kunnen worden getroffen. Dit onder verwijzing naar een brief van een architect van 5 oktober 2004 waaruit blijkt dat het, gelet op de huidige constructie van het dak, onverantwoord is om de bestaande dakconstructie aan te passen. Verzoeker heeft verweerder blijkens de stukken voorts medegedeeld dat gezien het vorenstaande opnieuw onderzoek moet worden verricht naar maatregelen die tot resultaat leiden. Dit onderzoek is blijkens het verhandelde ter zitting vóór 1 maart 2005 afgerond. Verzoeker verwacht voorts vóór 1 juli 2005 bouwkundige-, technische- en/of organisatorische maatregelen te hebben getroffen. Verweerder heeft blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting geen onderzoek gedaan naar de betekenis van de onuitvoerbaarheid van de in het plan van aanpak van april 2004 opgenomen maatregelen. Verweerder heeft hier bij het nemen van zijn besluit noch bij het stellen van de aan het besluit gestelde begunstigingstermijn rekening mee gehouden. Het vorenstaande vergt naar het oordeel van de Voorzitter een nader onderzoek waartoe eerst in het kader van de beslissing op bezwaar kan worden ingegaan. Gezien het verhandelde ter zitting en mede gelet op de belangen van omwonenden, gaat de Voorzitter ervan uit dat de beslissing op bezwaar zal worden bespoedigd en dat van de zijde van verzoeker het onderzoek naar de mogelijkheden om geluidoverlast te doen verminderen, zeker nu verzoeker heeft aangegeven vóór 1 maart 2005 met dit onderzoek gereed te zijn, wordt voortgezet.

2.6.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heusden van 14 december 2004 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heusden tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Heusden aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de gemeente Heusden aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Montagne

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2005

374.