Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS8443

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
200406068/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2003 heeft appellant (hierna: het college) de aan [de vreemdeling] krachtens de Regeling opvang asielzoekers (hierna: de ROA) toegekende verstrekkingen beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RAAD VAN STATE

200406068/1.

Datum uitspraak: 2 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van B,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 7 juli 2004 in het geding tussen:

A, wonende te B

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2003 heeft appellant (hierna: het college) de aan A (hierna: de vreemdeling) krachtens de Regeling opvang asielzoekers (hierna: de ROA) toegekende verstrekkingen beëindigd.

Bij besluit van 29 januari 2004 heeft het college het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 juli 2004, verzonden op diezelfde dag, heeft de Vreemdelingenkamer van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond (lees: gegrond) verklaard en, voorzover thans van belang, het besluit van 24 april 2003 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 augustus 2004 heeft de vreemdeling van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2005, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.F.C. Kleine Deters en mr. G. Turksema, beide werkzaam bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COA), en de vreemdeling in persoon, bijgestaan door mr. R.J.C. Bindels, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college klaagt terecht dat de rechtbank heeft miskend dat, nu zijn besluit van 29 januari 2004 strekt tot beëindiging van krachtens de ROA toegekende verstrekkingen, de rechtbank 's-Gravenhage, gelet op artikel 3a, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, gelezen in verbinding met artikel 71, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, niet bevoegd was van het beroep, ingesteld tegen dit besluit, kennis te nemen. Het besluit betreft niet de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens eerstgenoemde wet. Gelet op artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de rechtbank Almelo bevoegd van het beroep kennis te nemen.

Ingevolge artikel 46 van de Wet op de Raad van State kan de Afdeling, indien zij van oordeel is dat de uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, de onbevoegdheid voor gedekt verklaren en de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aanmerken.

De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om toepassing te geven aan deze bepaling.

2.2. Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het besluit van 29 januari 2004 strekt tot beëindiging van verstrekkingen krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997.

2.3. Voorts heeft de rechtbank het beroep blijkens overweging 4.3 van haar uitspraak gegrond geacht, doch ongegrond verklaard. De beslissing bevat in zoverre een kennelijke verschrijving.

2.4. Ingevolge artikel 8:77, eerste lid, onder a, van de Awb, voorzover thans van belang, vermeldt de schriftelijke uitspraak de namen van partijen. Het bij de rechtbank bestreden besluit van 29 januari 2004 is namens het college door het COA genomen. Anders dan de rechtbank heeft vermeld, was niet het bestuur van het COA te Rijswijk, maar het college partij bij het aan haar voorgelegde geschil. Derhalve is de tenaamstelling van het verwerend bestuursorgaan in de aangevallen uitspraak onjuist en komt deze reeds hierom voor vernietiging in aanmerking.

2.5. Voorzover de rechtbank onder 4.4 heeft overwogen dat er voor de vreemdeling gerede aanleiding heeft bestaan om tegen het besluit van 24 april 2003 beroep in te stellen en zij dit besluit heeft vernietigd, heeft zij miskend dat het beroep is ingesteld tegen het besluit van 29 januari 2004 en heeft zij ten onrechte zonder meer het besluit van 24 april 2003 vernietigd. Ook om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

2.6. Het college klaagt voorts met recht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat de vreemdeling niet alle medewerking heeft verleend die redelijkerwijs van hem kan worden verlangd en dat het college die conclusie niet heeft mogen overnemen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.6.1. Ingevolge artikel III van het besluit van 27 maart 2001 van de Staatssecretaris van Justitie strekkende tot wijziging van de ROA (Stct. 2001, nr. 63, p. 16) eindigen de verstrekkingen van een asielzoeker, op wiens asielaanvraag voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling in eerste aanleg of in bezwaar in negatieve zin is beslist, ten aanzien van wie een last tot uitzetting is gegeven en aan wie door de korpschef is medegedeeld dat hij de verstrekkingen moet verlaten, in afwijking van artikel 15, derde lid, aanhef en onder c, van de ROA, op de dag waarop hij Nederland volgens de mededeling van de korpschef dient te verlaten.

2.6.2. Het ten tijde van het besluit van 29 januari 2004 door het college bij de toepassing van die bepaling gevoerde beleid strekt ertoe dat verstrekkingen aan documentloze asielzoekers die Nederland dienen te verlaten niettemin niet worden beëindigd, doch slechts indien en zolang zij meewerken aan het verkrijgen van een vervangend reisdocument. Doel van het beleid is die medewerking te bevorderen door voortzetting van de voorzieningen in geval die medewerking aanwezig is. Kernpunt van dit beleid is dat van medewerking die tot voortzetting van de verstrekkingen, alhoewel daarop geen aanspraak bestaat, aanleiding kan geven eerst sprake is, indien en zolang de vreemdeling alles doet, wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om terugkeer naar het land van herkomst te bewerkstelligen.

2.6.3. Op 27 maart 2003 heeft de IND aan het college meegedeeld dat de vreemdeling onvoldoende medewerking verleent aan zijn terugkeer. Blijkens het verslag van het terugkeergesprek van 26 maart 2003 heeft de vreemdeling - naar onbetwist is - bij die gelegenheid verklaard dat hij nimmer vervangende reisdocumenten heeft aangevraagd bij de ambassade van de Federale Republiek Joegoslavië, geen contact heeft opgenomen met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), noch contact heeft opgenomen met familie, vrienden/kennissen en autoriteiten in het land van herkomst, teneinde zijn terugkeer naar dat land te bewerkstelligen.

2.6.4. Het college mag in beginsel afgaan op de mededeling van de IND dat de betrokken vreemdeling onvoldoende medewerking verleent aan het verkrijgen van de benodigde reisdocumenten. Dit is slechts anders, indien op grond van de door de vreemdeling overgelegde gegevens of anderszins gebleken feiten en omstandigheden voor het college concrete aanleiding bestaat tot twijfel aan de juistheid van die mededeling. Die situatie doet zich in dit geval niet voor.

2.6.5. Gelet op hetgeen onder 2.6.3. is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in het besluit van 29 januari 2004 niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen concrete aanleiding bestaat tot twijfel aan de juistheid van de mededeling dat de vreemdeling onvoldoende medewerking verleent aan zijn terugkeer.

2.6.6. De rechtbank heeft miskend dat de door de vreemdeling in bezwaar aangevoerde omstandigheden, inhoudende dat - kort gezegd - de beëindiging van de verstrekkingen, waaronder het verlaten van de ROA-woning, met zich brengt dat het voor hem niet meer mogelijk is om contact te onderhouden met zijn gehandicapte dochter, de vreemdeling niet ontslaan van de op hem rustende verplichting alles te doen, wat redelijkerwijs van hem verlangd kan worden om terugkeer naar het land van herkomst te bewerkstelligen. Voorzover de rechtbank blijkens de door haar gebezigde overwegingen bij haar beoordeling heeft betrokken dat deze verplichting is gericht op de terugkeer van de vreemdeling naar zijn land van herkomst en hij bij terugkeer het contact met zijn dochter niet kan voortzetten op de wijze, zoals thans kennelijk hier te lande gebeurt, heeft zij, zoals het college terecht heeft aangevoerd, miskend dat zij in zoverre is getreden buiten het toetsingskader, aan de hand waarvan de beoordeling van het besluit van 29 januari 2004 dient plaats te vinden. Aan de vraag of, en zo ja, op welke wijze, de vreemdeling na terugkeer contact kan onderhouden met zijn dochter, komt gelet op dit toetsingskader in de onderhavige procedure niet de betekenis toe die de rechtbank daaraan kennelijk heeft gehecht.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu de in beroep aangevoerde gronden geen aanleiding geven voor een ander oordeel zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 7 juli 2004 in zaak nr. 04/6067;

III. verklaart het in die zaak bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Beerse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2005

382.