Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS8433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
200406059/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) het met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur door appellant gedane verzoek om informatie over de kosten die door de gemeente zijn gemaakt ter zake van door appellant gevoerde bezwaar- en beroepsprocedures, niet ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 213 met annotatie van E.J. Daalder
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406059/1.

Datum uitspraak: 2 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 22 juni 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) het met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur door appellant gedane verzoek om informatie over de kosten die door de gemeente zijn gemaakt ter zake van door appellant gevoerde bezwaar- en beroepsprocedures, niet ingewilligd.

Bij besluit van 27 maart 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2004, verzonden op 23 juni 2004, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 september 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2005, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. W. Kattouw, en het college, vertegenwoordigd door J. Buscop, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2.2.    Bij de beslissing op bezwaar heeft het college zich op het standpunt gesteld geen documenten voorhanden te hebben die de door appellant verzochte informatie bevatten. Er zijn voor het verweer in de door appellant gevoerde procedures weliswaar werkzaamheden verricht door zowel ambtenaren van de gemeente als juristen van het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie (hierna: CAPRA), maar er bevinden zich bij het college geen stukken waaruit de omvang van de met deze werkzaamheden gemoeide kosten is af te leiden. Het tijdregistratiesysteem waarin de ambtenaren van de gemeente hun werkzaamheden registreren, heeft daarvoor een te algemeen karakter, terwijl de facturen van CAPRA, ter bescherming van de privacy van de betrokken ambtenaar, direct na verwerking geanonimiseerd worden opgeslagen.

2.3.    De rechtbank heeft het standpunt van het college onderschreven. Zij heeft voorts overwogen dat, voor zover de persoonlijke agenda's van ambtenaren nog beschikbaar zijn en als document kunnen worden aangemerkt, het traceren en onderzoeken daarvan alsmede van de geanonimiseerde facturen van CAPRA dermate veel tijd en geld zal kosten, dat het ervoor gehouden moet worden dat het belang van het verstrekken van informatie daar niet tegen opweegt.

2.4.    Appellant heeft aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de door de ambtenaren gewerkte uren niet alleen via agenda's te herleiden zijn, maar ook uit het geautomatiseerde tijdregistratiesysteem zijn af te leiden. Het college moet op basis daarvan een globaal inzicht in het aantal uren kunnen geven. Voorts betoogt appellant dat het mogelijk moet zijn om via het op de facturen van CAPRA vermelde declaratienummer bij CAPRA te achterhalen welke facturen op de zaken van appellant betrekking hebben.

2.5.    Dit betoog slaagt niet. Het standpunt van het college dat, gelet op het algemene karakter van de posten uit het tijdregistratiesysteem waarop gewerkte uren kunnen worden geregistreerd, uit dit systeem het aantal aan de procedures van appellant bestede uren niet kan worden afgeleid, komt de Afdeling niet onjuist of onaannemelijk voor. Voorts staat vast dat de bij de gemeente berustende facturen van CAPRA appellant evenmin inzicht geven in de door dat bureau in verband met de procedures van appellant gemaakte kosten. De Wob geeft slechts recht op informatie, voor zover deze is neergelegd in documenten, en verplicht niet tot het vergaren van informatie dan wel het bewerken of opstellen van documenten. Aangezien er geen documenten zijn waarin de door appellant gewenste informatie is neergelegd en het college op grond van de Wob evenmin gehouden was die informatie op de door appellant voorgestane wijze te vergaren dan wel daarover een document op te maken of te laten maken, heeft het college het verzoek van appellant terecht afgewezen. Aan een belangenafweging, zoals door de rechtbank verricht, kan, gelet op het vorenstaande, niet worden toegekomen.

2.6.    Het hoger beroep van appellant is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Haverkamp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2005

306-402.