Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS8412

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
200406481/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2003 heeft appellant een aanvraag van het bestuur van de Stichting Islamitisch College te Schiedam (hierna: de Stichting) om opneming van een islamitische basisschool in het plan van scholen 2004-2007 niet ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406481/1.

Datum uitspraak: 2 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de raad van de gemeente Delft,

appellant,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2003 heeft appellant een aanvraag van het bestuur van de Stichting Islamitisch College te Schiedam (hierna: de Stichting) om opneming van een islamitische basisschool in het plan van scholen 2004-2007 niet ingewilligd.

Bij besluit van 25 juni 2004 heeft verweerder het hiertegen door de Stichting ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de verlangde islamitische basisschool via het eerstvolgende plan van scholen als bedoeld in artikel 80, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO) voor bekostiging in aanmerking dient te worden gebracht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 augustus 2004.

Bij brief van 29 september 2004 heeft de Stichting op het beroep gereageerd.

Bij brief van 27 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.C. Bartels, werkzaam bij Deloitte Juridisch Adviseurs b.v., vergezeld van W.J. Boskeljon, C.L.M. Damen en A. van Dijk, ambtenaren van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.Y. van Hattum, senior jurist van Centrale Financiën Instellingen, zijn verschenen. De Stichting werd aldaar vertegenwoordigd door drs. W.H.H. Kleinbruinnink.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de WPO - voorzover hier van belang - kan de bekostiging van een bijzondere school slechts een aanvang nemen, indien zij voorkomt op een voor de gemeente van vestiging vastgesteld plan van nieuwe scholen. De bekostiging kan slechts aanvangen per 1 augustus van een schooljaar.

   Ingevolge artikel 75, eerste lid, aanhef en onder a, van de WPO gaat een voorstel van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad dat de opneming in het plan van een of meer openbare scholen bevat vergezeld van een prognose van het te verwachten aantal leerlingen.

   Ingevolge het vierde lid worden bij ministeriële regeling modellen vastgesteld voor het verstrekken van de prognose, bedoeld in het eerste lid. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze de prognose wordt ingediend.

   Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de WPO moet een verzoek om opneming in het plan van een bijzondere school voor 1 februari van het jaar van de vaststelling van het plan bij de gemeenteraad worden ingediend.

   Ingevolge artikel 76, tweede lid, aanhef en onder a, van de WPO  vermeldt het verzoek de richting van de school en naam en adres van het bevoegd gezag en gaat het vergezeld van de gegevens genoemd in artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, derde lid, met dien verstande dat in afwijking van artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, derde lid onder c 6° en c 7° de prognose gegevens bevat omtrent het belangstellingspercentage voor het basisonderwijs van die richting in een vergelijkbare gemeente, indien het betreft een richting waarvoor nog geen basisonderwijs binnen de gemeente wordt gegeven.

   Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de WPO neemt de gemeenteraad een bijzondere school in elk geval in het plan op, indien op grond van de bij het verzoek overgelegde gegevens aannemelijk is dat de school binnen 5 jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging en voorts gedurende 15 jaar na die periode van 5 jaar zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende stichtingsnorm.

   Ingevolge artikel 80, tweede lid, van de WPO neemt de gemeenteraad, indien een onherroepelijk geworden beslissing in beroep of een uitspraak naar aanleiding van de beslissing in beroep, dan wel het naar aanleiding daarvan genomen besluit van Onze minister strekt tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van de school, de school op in het na de beslissing in beroep, de uitspraak of het besluit vast te stellen plan.

2.1.1.    Ter uitvoering van artikel 75, vierde lid, van de WPO is op 30 maart 1994 de Regeling modelprognose basisonderwijs 1994 (hierna: de Regeling) vastgesteld, gepubliceerd in Uitleg OenW-regelingen nr. 10 van 13 april 1994. In de Modelprognose basisonderwijs 2001 van 5 juli 2001 (hierna: Modelprognose), gepubliceerd in Uitleg Gele katern nr. 18a van 25 juli 2001, wordt vooruitlopend op een aanpassing van de Regeling nader ingegaan op het opstellen van prognoses.

2.2.    In de gemeente Delft is geen islamitisch basisonderwijs aanwezig.

Dit betekent dat op basis van artikel 76, tweede lid, aanhef en onder a, van de WPO in de prognose dient te worden uitgegaan van het belangstellingspercentage voor het basisonderwijs van de richting van de verlangde school in een vergelijkbare gemeente. De Stichting heeft in de prognose bij haar aanvraag Schiedam als vergelijkbare gemeente aangemerkt voor het bepalen van het belangstellingspercentage.

2.3.    Bij het besluit van 26 juni 2003 heeft appellant de aanvraag afgewezen, omdat de Stichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar gewenste islamitische basisschool binnen 5 jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging en voorts gedurende 15 jaar na die periode van 5 jaar zal worden bezocht door ten minste 312 leerlingen, overeenkomstig de ten tijde van het besluit voor de gemeente Delft geldende stichtingsnorm. Volgens appellant kan het belangstellingspercentage voor islamitisch basisonderwijs in Schiedam dat op de peildatum 1 oktober 2002 4,65% bedroeg, niet als uitgangspunt worden genomen, omdat de bevolkingssamenstelling van Schiedam verschilt van die van Delft.

2.4.    In de beslissing van 25 juni 2004 op het administratief beroep heeft verweerder overwogen dat Delft en Schiedam wat betreft geografische ligging, leerlingdichtheid en inwonertal met elkaar vergelijkbaar zijn en dat de Stichting derhalve terecht Schiedam als vergelijkbare gemeente heeft aangemerkt in haar prognose. Uitgaande van een belangstellingspercentage voor islamitisch basisonderwijs in Schiedam per 1 oktober 2003 van 4,86%, zal de verlangde islamitische basisschool worden bezocht door het per 1 augustus 2003 wettelijk vereiste aantal van 315 leerlingen. Nu appellant volgens verweerder het verzoek om opneming van een islamitische basisschool in het plan van scholen 2004-2007 ten onrechte heeft afgewezen, dient hij de verlangde basisschool via het eerstvolgende plan van scholen als bedoeld in artikel 80, tweede lid, van de WPO voor bekostiging in aanmerking te brengen.

2.5.     In de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van  4 september 2000 in zaak no. 200002027/1 heeft de Afdeling overwogen dat verweerder voor de beantwoording van de vraag of de gemeente Voorburg als vergelijkbaar met de gemeente Rijswijk kon worden aangemerkt, niet kon volstaan met uitsluitend te bezien of Voorburg wat betreft geografische ligging, leerlingdichtheid en inwonertal in redelijkheid als vergelijkbaar met Rijswijk kon worden aangemerkt, doch had hij alle argumenten die de raad van de gemeente Rijswijk had aangevoerd ter staving van zijn standpunt dat hier een andere keuze aangewezen is, moeten wegen. In dat kader had onder meer moeten worden beoordeeld of Voorburg, gelet op de verwachte demografische samenstelling van de bevolking van Ypenburg, wel als vergelijkbare gemeente kon gelden.

2.6.    Appellant heeft aangevoerd dat de door verweerder verrichte toetsing aan de criteria geografische ligging, leerlingdichtheid en inwonertal te beperkt is. Urbanisatie en suburbanisatie hebben in de afgelopen decennia tot grote sociaal-economische verschillen tussen Delft en Schiedam geleid. Delft valt in tegenstelling tot Schiedam niet onder het grootstedenbeleid. In Delft heeft 27% van de bevolking tussen 15 en 64 jaar een hoog opleidingsniveau; in Schiedam is dat 8%. Delft heeft voorts, anders dan Schiedam, een studentenpopulatie. Het aandeel 18-27 jarigen bedraagt 19,2% van de bevolking, in Schiedam is dit aandeel 12,1%. Het percentage werklozen bedraagt in Delft 2% tegen 4% in Schiedam. Het aandeel niet-westerse allochtonen is in Delft 14,6% en in Schiedam 21,9%.

2.7.    Deze verschillen, die van invloed zijn op de belangstelling voor islamitisch basisonderwijs, leiden er naar het oordeel van de Afdeling toe dat appellant zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat Delft niet vergelijkbaar is met Schiedam. Verweerder heeft dit ten onrechte niet onderkend. Dat bureau Planning Verband Groningen in opdracht van appellant de levensvatbaarheid van een islamitische basisschool in Delft heeft onderzocht, staat aan de juistheid van het betoog van appellant dat Schiedam niet als een vergelijkbare gemeente kan worden aangemerkt, niet in de weg. Appellant heeft de aanvraag van de Stichting om opneming van een islamitische basisschool in het plan van scholen 2004-2007 op basis van Schiedam als referentiegemeente, terecht niet ingewilligd.

2.8.    De aanvraag is gedaan op 30 januari 2003. De peildatum voor het belangstellingspercentage is 1 oktober 2002. Zoals de Afdeling in de uitspraak in zaak nr. 200406411/1, die aan deze uitspraak is gehecht en is uitgesproken op dezelfde dag, heeft overwogen, kan bij de beoordeling in administratief beroep de grondslag van de aanvraag niet worden gewijzigd. Verweerder is derhalve ten onrechte uitgegaan van 1 oktober 2003 als peildatum. Het betoog van appellant dat verweerder onjuist heeft gehandeld door een belangstellingspercentage te hanteren dat is berekend op basis van gegevens die nog niet bekend waren ten tijde van de primaire besluitvorming, slaagt evenzeer.

2.9.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 25 juni 2004 op administratief beroep dient te worden vernietigd. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak voorzien door het administratief beroep van de Stichting ongegrond te verklaren.

2.10.    Van proceskosten in beroep die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 25 juni 2004, CFI/BPO-2004/45337 M;

III.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

IV.    verklaart het administratief beroep van de Stichting Islamitisch College ongegrond;

V.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.C.M. Ramsahai, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Ramsahai

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2005

401.