Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS8410

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
200405884/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) aan Schiphol Area Development Company N.V. vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) voor de aanleg van de weg Beech Avenue (hierna: het project) op het perceel vanaf de Rijkerstreek tot aan de Fokkerweg, ter vervolmaking van de binnenring van de luchthaven Schiphol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405884/1.

Datum uitspraak: 2 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Groene Groep Ontwikkeling B.V., gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 juni 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) aan Schiphol Area Development Company N.V. vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) voor de aanleg van de weg Beech Avenue (hierna: het project) op het perceel vanaf de Rijkerstreek tot aan de Fokkerweg, ter vervolmaking van de binnenring van de luchthaven Schiphol.

Bij besluit van 25 april 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juni 2004, verzonden op 3 juni 2004, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door ondermeer appellante ingestelde beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 14 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 12 augustus en 28 december 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 september 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij besluit van 30 november 2004 heeft het college het tegen het besluit van 8 juli 2002 door appellante gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2005, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, is verschenen. Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.2.    Appellante komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn voor de juistheid van het betoog dat met de intrekking van de Planologische Kernbeslissing Schiphol en Omgeving (hierna: de PKB) op 20 februari 2003 er onvoldoende ruimtelijke documenten zijn om te komen tot een goede ruimtelijke onderbouwing voor de verleende vrijstelling.

2.3.    Blijkens de bij het besluit van 8 juli 2002 behorende "Ruimtelijke onderbouwing Beech Avenue", is het project opgenomen in het Structuurplan 2005 van de gemeente Haarlemmermeer, de Structuurvisie Haarlemmermeer-Noord, de Partiële herziening Streekplan Amsterdam Noordzeekanaalgebied en de Nota van toelichting bij Deel 3 van de PKB. De intrekking van deze PKB laat onverlet dat ook ten tijde van de beslissing op bezwaar aan de vrijstelling in afdoende mate ruimtelijke beleidsdocumenten ten grondslag zijn gelegd. Ook door de enkele vervanging van de PKB door de Wet luchtvaart is het project niet in strijd met het rijksbeleid. Het betoog faalt derhalve.

2.4.    Appellante betoogt voorts dat de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte heeft verworpen.

2.5.    Dit betoog treft evenmin doel. Appellante heeft haar betoog, dat voorafgaand aan de aankoop van het nabij gelegen perceel in 1992 van de zijde van de gemeente en de provincie Noord-Holland concrete toezeggingen zijn gedaan, op grond waarvan bij appellante de rechtens te honoreren verwachting is gewekt dat haar bouwplannen op dat perceel realiseerbaar zouden zijn, op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Reeds daarom faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.7.    Het besluit van het college van 30 november 2004 moet worden aangemerkt als een besluit bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), zodat het hoger beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb geacht moet worden mede te zijn gericht tegen dat nieuwe besluit. Hiertegen hebben [partijen] - van wie het beroep tegen het besluit van 25 april 2003, evenals dat van appellante, door de rechtbank bij uitspraak van 2 juni 2004 gegrond is verklaard - opnieuw beroep ingesteld. Omdat een goede rechtspleging hierbij is gebaat, ziet de Afdeling aanleiding om het beroep van appellante tegen het nieuwe besluit met toepassing van artikel 6:19, tweede lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verwijst het beroep van appellante tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 30 november 2004, I-04.17099\bo, naar de rechtbank Haarlem.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Boermans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2005

17-429.