Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS8404

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
200405564/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2003 heeft verweerder het verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een recuperatie- en detailhandelbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 170 met annotatie van A.B. Blomberg
Milieurecht Totaal 2005/4802
JOM 2006/1258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405564/1.

Datum uitspraak: 2 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2003 heeft verweerder het verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een recuperatie- en detailhandelbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 12 augustus 2003 heeft verweerder het hiertegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 april 2004, no. 200304647/1 en 200306380/1, verzonden op dezelfde datum, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd en verweerder opgedragen om binnen 12 weken na verzending van die uitspraak, met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen.

Tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar heeft appellant bij brief van 3 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2004, beroep ingesteld.

Bij besluit van 13 juli 2004, kenmerk 561887, verzonden op 14 juli 2004, heeft verweerder besloten dat wat betreft de uitbreiding van de inrichting en de naleving van de geluidgrenswaarden, (partieel) zal worden gehandhaafd en dat ten aanzien van het ontbreken van een groenstrook rond het terrein van de inrichting en de naleving van de piekgeluidgrenswaarde wordt afgezien van handhaving.

Bij brief van 15 juli 2004, ingekomen bij de Raad van State op 27 juli 2004, heeft appellant te kennen gegeven dat zijn beroep ook is gericht tegen het besluit van 13 juli 2004 en daartegen gronden ingebracht. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 augustus 2004.

Bij brief van 13 september 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 december 2004, waar appellant in persoon en bijgestaan door L. Zeldenrust, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door M.J.M. Roetgerink en H. Poolman,  ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [exploitant] van de betrokken inrichting.

2.    Overwegingen

2.1.    Ten aanzien van het beroep voorzover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat appellant nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling daarvan, nu verweerder bij besluit van 13 juli 2004 alsnog op het bezwaarschrift heeft besloten. Derhalve is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.

2.2.    Ten aanzien van het beroep voorzover dat betrekking heeft op de beslissing van verweerder dat tot (partiële) handhaving zal worden overgegaan, overweegt de Afdeling dat geen besluit is genomen dat strekt tot bestuursrechtelijke handhaving maar dat slechts een dergelijk besluit in het vooruitzicht is gesteld. Dit strookt niet met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het besluit plaats vindt. Ingevolge het tweede lid van dit artikel herroept het bestuursorgaan het besluit, voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft en neemt het voorzover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit. Dit artikel brengt met zich dat als het bestuursorgaan op grond van de heroverweging van een besluit tot afwijzing van een verzoek om handhaving, alsnog tot het oordeel komt dat moet worden gehandhaafd, dat besluit herroept en gelijktijdig een besluit strekkende tot handhaving neemt. Niet kan worden volstaan met het in het vooruitzicht stellen van een handhavingsbesluit. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 7:11 Awb.

2.3.    Ingevolge artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet is het provinciaal bestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Krachtens artikel 5:32, eerste lid, Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.4.    Voor de inrichting geldt een Wet milieubeheer-vergunning die op 22 februari 1994 is verleend. Bij besluit van 25 juni 2004 heeft verweerder  een aantal voorschriften aan die vergunning ambtshalve toegevoegd.

   Appellant betoogt dat in strijd met de vergunning is nagelaten op het terrein van de inrichting - aan de zijde die grenst aan zijn perceel - een groenstrook aan te leggen.

   Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen verplichting tot het aanleggen van een groenstrook bestaat omdat het desbetreffende stuk grond  niet tot het terrein van de inrichting behoort. Dit blijkt volgens verweerder uit een op 3 februari 2004 in het kader van een aanvraag om een veranderingsvergunning ingediende tekening.

   De Afdeling stelt vast dat blijkens tekening II die behoort bij de vergunning van 22 februari 1994 ter hoogte van het perceel van appellant een groenstrook op het terrein van de inrichting behoort te liggen. Deze groenstrook is nimmer aangelegd. De inrichting was derhalve niet overeenkomstig de verleende vergunning in werking, zodat verweerder bevoegd was tot het treffen van bestuurlijke handhavingsmiddelen. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit miskend.

2.5.    Appellant heeft verder bezwaar tegen de weigering van verweerder om handhavend op te treden tegen de overschrijding van de piekgeluidgrenswaarde die in de vergunning is opgenomen.

   Niet in geschil is dat ten tijde van het besluit van 7 januari 2003 is gehandeld in strijd met voorschrift 2 van de vergunning, waarin voor het piekgeluid in de dagperiode een grenswaarde van 70 dB(A) is opgenomen.

   Verweerder was dus bevoegd om ter zake handhavend op te treden. Hij heeft daar echter van afgezien omdat - kort gezegd - het bedrijf wordt verplaatst, de overschrijding van de grenswaarde wordt veroorzaakt door vergunde activiteiten en er redelijkerwijs geen maatregelen meer zijn te treffen om de geluidhinder nog verder te beperken. Handhaving zou volgens  verweerder betekenen dat de schrootactiviteiten moeten worden beëindigd.

2.5.1.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.2.    Uit het akoestisch rapport van 30 januari 2004, dat is opgesteld in het kader van een aanvraag om een veranderingsvergunning en waarop  verweerder zich bij de beslissing op bezwaar mede heeft gebaseerd, bedraagt het piekgeluidniveau vanwege de in 1994 vergunde activiteiten (maximaal)  75 dB(A), hetgeen een overschrijding van de grenswaarde van 70 dB(A) betekent. Zoals verweerder ook heeft erkend kan deze overtreding van voorschrift 2 niet worden gelegaliseerd. Bij een voortdurende uitvoering van de vergunde activiteiten zal niet aan de grenswaarde van 70 dB(A) kunnen worden voldaan. Verder is er gedurende reeds lange tijd sprake van overschrijding van die waarde. Aannemelijk is dat appellant hierdoor aanmerkelijke hinder heeft ondervonden en nog kan ondervinden. Tevens is van belang dat geen zekerheid bestaat omtrent de termijn waarop het bedrijf (mogelijk) zal worden verplaatst.

   Gelet op het vorenstaande, is de Afdeling van oordeel dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die het niet-handhaven zouden kunnen rechtvaardigen en dat verweerder ook overigens, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het afzien van het nemen van handhavingsmaatregelen. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2, tweede lid, Awb.

2.6.    Het beroep, voorzover ontvankelijk, is gegrond. Het bestreden besluit dient in zijn geheel te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

   Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling op grond van artikel 8:72, vijfde lid, Awb een termijn stellen. De Afdeling ziet voorts aanleiding om aan deze termijn op na te melden wijze een dwangsom, als bedoeld in artikel 8:72, zevende lid, Awb, te verbinden. Daartoe wordt overwogen dat verweerder de bij uitspraak van 7 april 2004 gestelde beslistermijn heeft overschreden en dat ook overigens de lange duur van de procedure, mede door het telkenmale overschrijden van wettelijke beslistermijnen, aan hem is te wijten.

2.7.    Ten aanzien van het verzoek van appellant om de provincie Fryslân te veroordelen in de door hem geleden schade, overweegt de Afdeling dat dit verzoek, dat moet worden aangemerkt als te zijn gebaseerd op artikel 8:73 Awb, dient te worden afgewezen reeds omdat nadere besluitvorming is vereist en op de uitkomst daarvan niet kan worden vooruitgelopen.

   Voorzover appellant meent dat de gemeente Nijefurd en/of de drijver van de inrichting moeten worden veroordeeld in de door hem geleden schade, merkt de Afdeling op dat dit aspect buiten het kader van deze procedure valt.  

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De geclaimde kosten van een door appellant ter zitting  meegebrachte getuige komen niet voor vergoeding in aanmerking nu van het meebrengen van een getuige niet overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, Awb mededeling is gedaan en de betrokkene evenmin kan worden aangemerkt als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover dit zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit;

II.    verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 13 juli 2004, kenmerk 561887;

IV.    draagt verweerder op binnen 3 maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

V.    bepaalt dat indien verweerder aan het bepaalde onder IV niet voldoet, de provincie Fryslân aan appellant een eenmalige dwangsom verbeurt van € 5.000,00;

VI.    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VII.    veroordeelt verweerder in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 43,00; het bedrag dient door de provincie Fryslân te worden betaald aan appellant;

VIII.    gelast dat de provincie Fryslân aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2005

190-415.