Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS8395

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
200402336/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2000 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 januari 2000, het bestemmingsplan "1e partiële herziening van het bestemmingsplan Woudhuis (deelgebied Woudhuis-Oost)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402336/1.

Datum uitspraak: 2 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2000 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 januari 2000, het bestemmingsplan "1e partiële herziening van het bestemmingsplan Woudhuis (deelgebied Woudhuis-Oost)" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 juli 2000, kenmerk RE2000.17647, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij haar uitspraak van 20 februari 2002, no. 200004403/1, heeft de Afdeling het besluit van verweerder gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 6 januari 2004, kenmerk RE2002.18774, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 18 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 mei 2004 heeft verweerder meegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 16 september 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2005, waar appellant, in persoon, is verschenen.

Verweerder en de gemeenteraad zijn niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

   Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3.    Bij haar uitspraak van 20 februari 2002 heeft de Afdeling voorzover hier van belang het volgende overwogen.

   2.4.2.    In het plan is aan een strook van 22,5 meter breed, gemeten uit het hart van de hoogspanningsleiding, de aanduiding "hoogspanningsleiding" toegekend. Gronden met deze bestemming zijn ingevolge het bepaalde in artikel 2.1p, behalve de aldaar voorkomende hoofdbestemming, mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een hoogspanningsleiding. Op deze gronden zijn ingevolge het bepaalde in artikel 2.1p, tweede lid, uitsluitend hoogspanningsmasten toegestaan. Burgemeester en wethouders kunnen ingevolge het bepaalde in het derde lid, onder 1, mits hierbij uit hoofde van de bescherming van de leidingen geen bezwaar bestaat, vrijstelling verlenen voor bouwwerken die op grond van de hoofdbestemming zijn toegestaan.

   In het noordelijk deel van het plangebied valt de aanduiding "hoogspanningsleiding" gedeeltelijk samen met de bestemming "Woondoeleinden".

   2.4.3.     In het Streekplan Gelderland 1996 is vermeld dat rond hoogspanningsverbindingen met het oog op elektrische velden, geluid en onveiligheid (onder meer draadbreuk en afvallend ijs) geadviseerd wordt geen woonbebouwing te realiseren binnen de zone van de zogenoemde zakelijk rechtstrook. Voor een 150 kV leiding geldt een zone van 50 meter. Deze afstand is ontleend aan de 'Circulaire inzake extreem laagfrequente elektrische en magnetische velden' van 1 januari 1995 van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

   De Afdeling overweegt dat de in het streekplan en de circulaire genoemde afstand uitgangspunt van het provinciale beleid ter zake is. Verweerders kunnen, mits goed gemotiveerd, afwijken van dit beleid.

   Verweerders hebben terzake overwogen dat de gemeente op grond van de technische specificaties van de leiding en de masten en na overleg met de leidingbeheerder een kleinere afstand heeft kunnen opnemen in het plan. Ter zitting is gesteld dat de afstand tussen de hoogspanningsmasten kleiner is dan normaal, waardoor een geringere uitzwaai van de hoogspanningsdraden zal plaatsvinden.

   De Afdeling is van oordeel dat verweerders hiermee onvoldoende hebben gemotiveerd waarom in dit geval kan worden afgeweken van de aangegeven zone van 50 meter, die met het oog op elektrische velden, geluid en onveiligheid wordt aanbevolen.

   De Afdeling overweegt voorts dat het plan ingevolge de bovengenoemde vrijstellingsbevoegdheid in artikel 2.1p, derde lid, onder 1, op gronden met de bestemming "Woondoeleinden" en de aanduiding "hoogspanningsleiding" woningbouw toestaat, mits hierbij uit hoofde van de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat. Het aanhouden van een zekere afstand tussen woningen en een hoogspanningsleiding wordt in het streekplan echter aanbevolen met het oog op elektrische velden, geluid en onveiligheid. Verweerders hebben naar het oordeel van de Afdeling niet gemotiveerd waarom, gelet op de belangen die gemoeid zijn met het aanhouden van een zekere afstand, in afwijking van de door hen als beleidsuitgangspunt gehanteerde afstand van 25 meter, na vrijstelling volstaan kan worden met een kleinere aan te houden afstand tussen woonbebouwing en een hoogspanningsleiding.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van appellanten sub 1 en 2 zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" (zonder de aanduiding "hoogspanningsleiding") gelegen op een afstand van 25 meter gemeten uit het hart van de op de plankaart aangegeven aanduiding "hoogspanningsleiding" en aan artikel 2.1p, derde lid, onder 1, wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.4.    Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraak de desbetreffende plan(onder)delen opnieuw goedgekeurd. Hij heeft daartoe overwogen dat de breedte van de zakelijk rechtstrook van de 150 kV hoogspanningsleiding (45 meter) ter plaatse, gelet op de technische specificaties daarvan, in overeenstemming is met de veiligheids- en spanningstechnische normen in de NEN 1060 en de Europese EN 50341. Verder heeft hij overwogen dat deze plan(onder)delen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, aangezien (openbare) veiligheid en de bescherming van de hoogspanningsleiding voor invloeden van buitenaf zijn gewaarborgd en niet is gebleken van een onaanvaardbare invloed op een goed woonklimaat.

2.5.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan deze plan(onder)delen. Hij stelt zich op het standpunt dat binnen 30 meter aan weerszijden van de hoogspanningslijn geen goed woonklimaat kan worden gegarandeerd. Appellant verwijst daarbij naar drie onderzoeksrapporten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM), opgesteld in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Volgens appellant volgt uit deze rapporten dat bij magnetische veldsterkten boven 0,4 µT schadelijke effecten voor de volksgezondheid kunnen optreden. Verweerder heeft hiermee naar zijn mening ten onrechte geen rekening gehouden bij zijn besluitvorming.

2.6.    De Afdeling stelt voorop dat de heroverweging door verweerder slechts ziet op de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden" zonder de aanduiding "hoogspanningsleiding" gelegen binnen een afstand van 25 meter gemeten uit het hart van de op de plankaart aangegeven aanduiding "hoogspanningsleiding", alsmede op artikel 2.1p, derde lid, onder 1, van de planvoorschriften, aangezien de vernietiging door de Afdeling van het besluit, voorzover thans van belang, niet verder strekt.

Gelet hierop vallen de beroepsgronden over de breedte van de zakelijk rechtstrook, het straalpad, onduidelijke aanduidingen (sterretjes op de plankaart), de dubbelbestemming van de nutsvoorzieningen en het hoogspanningstracé, de beïnvloedingszones op de plankaart (trafo 10 kV) en fraude buiten het geding.

2.6.1.    Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, volgt uit epidemiologische onderzoeken dat kinderen woonachtig in de nabijheid van hoogspanningsleidingen mogelijk een verhoogd risico lopen op het krijgen van leukemie. Uit de resultaten van deze epidemiologische onderzoeken is echter geen oorzakelijk verband vast te stellen tussen de gevonden effecten en de blootstelling aan ELF (extreem laagfrequente) elektromagnetische velden of aan enige andere factor.

Naar aanleiding van de hieruit voortvloeiende wetenschappelijke discussies en noodzakelijk geachte nadere onderzoeken zijn onder meer de door appellant genoemde rapporten van het RIVM met betrekking tot bovengrondse hoogspanningslijnen, genummerd 610050007, 610150001/2002 en 610150004/2003, opgesteld.

Volgens deze rapporten voorzover hier van belang kan uit de epidemiologische onderzoeken alleen worden geconcludeerd dat het relatieve risico op het optreden van leukemie bij kinderen mogelijk hoger is als gevolg van magnetische velden van hoogspanningslijnen bij veldsterkten hoger dan een waarde tussen 0,2 en 0,5 µT. Tevens blijkt uit deze rapporten dat, uitgaande van een stroombelasting van 60 % van de hoogspanningslijnen, de magnetische velden binnen een afstand van 25 meter van een hoogspanningslijn veldsterkten van minimaal 0,4 µT hebben.

Volgens het deskundigenbericht zien de veiligheids- en spanningstechnische normen in de NEN 1060 en de Europese EN 50341 die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd niet op magnetische velden.

Verweerder heeft ook verder in het bestreden besluit geen aandacht besteed aan de magnetische velden bij hoogspanningslijnen en de mogelijke gezondheidsgevolgen voor omwonenden hiervan.

Gelet hierop heeft verweerder niet aan de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2002 voldaan.

2.6.2.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 6 januari 2004, kenmerk RE2002.18774;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 32,77; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellant;

IV.    gelast dat de provincie Gelderland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2005

12-447.