Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS8391

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
200410155/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 december 2004 heeft verweerder (hierna: het college) appellant gewaarschuwd dat hij met ingang van die datum ophoudt lid te zijn van de gemeenteraad van Zaanstand en het hem niet langer is toegestaan deel te nemen aan vergaderingen van de raad en de raadscommissies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005/135 met annotatie van P.J. Stolk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410155/1.

Datum uitspraak: 22 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2004 heeft verweerder (hierna: het college) appellant gewaarschuwd dat hij met ingang van die datum ophoudt lid te zijn van de gemeenteraad van Zaanstand en het hem niet langer is toegestaan deel te nemen aan vergaderingen van de raad en de raadscommissies.

Tegen dat besluit heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2004, beroep op de Afdeling ingesteld.

Bij brief van 21 december 2004 heeft het college een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 22 december 2004 heeft de Kiesraad zijn zienswijze aan de Afdeling kenbaar gemaakt.

Bij besluit van 27 december 2004 heeft het college het besluit van 3 december 2004 ingetrokken, doch slechts voorzover daarbij is bepaald dat appellant niet langer mag deelnemen aan vergaderingen van de raad en de raadscommissies.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 december 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J. Oskam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.E. Biezenaar, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel X1, eerste lid, van de Kieswet houdt, zodra onherroepelijk is komen vast te staan dat een lid van een vertegenwoordigend orgaan een van de vereisten voor het lidmaatschap niet bezit of dat hij een met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult, hij op lid te zijn.

   Ingevolge artikel X5, eerste lid, geeft een lid van de gemeenteraad, wanneer hij komt te verkeren in een van de gevallen, bedoeld in het eerste lid van artikel X1, hiervan kennis aan de raad met vermelding van de reden.

   Ingevolge het tweede lid waarschuwen burgemeester en wethouders de belanghebbende schriftelijk, indien de kennisgeving niet is gedaan en zij van oordeel zijn dat een lid van de gemeenteraad verkeert in een van de gevallen, bedoeld in het eerste lid van artikel X1.

   Ingevolge het derde lid staat het deze vrij de zaak uiterlijk op de achtste dag na de dagtekening van de in het tweede lid bedoelde waarschuwing aan het oordeel van de raad te onderwerpen.

   Ingevolge artikel 2 van de Gemeentewet wordt in deze wet onder ingezetenen verstaan: zij die hun werkelijke woonplaats in de gemeente hebben.

   Ingevolge artikel 3 worden zij die als ingezetene met een adres zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente voor de toepassing van deze wet, behoudens bewijs van het tegendeel, geacht in die gemeente hun werkelijke woonplaats te hebben.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, voorzover thans van belang, is voor het lidmaatschap van de raad vereist dat men ingezetene van de gemeente is.

2.2.    Tot de stukken behoort een notitie van 22 september 2004, op grond waarvan het college blijkens de desbetreffende besluitnota van 12 oktober 2004 mede heeft besloten appellant een waarschuwing, als bedoeld in artikel X5, tweede lid, van de Kieswet te geven. In deze notitie zijn de resultaten neergelegd van onderzoek dat door de gemeentesecretaris van de Zaanstad is ingesteld naar de actualiteit, volledigheid en integriteit van de benoemingsvereisten voor het raadslidmaatschap van appellant. In deze notitie is - voorzover thans van belang - het volgende vermeld:

   "Uit dit onderzoek is […] gebleken dat [appellant] op     9 februari 2004 tegenover een algemeen controleur van de gemeente     Bergen heeft verklaard woonachtig te zijn in de gemeente Bergen, op [adres appellant]. Deze verklaring is opgetekend in een verslag van     waarneming opgemaakt en getekend op 16 februari 2004.

   […]

   Uit een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel     en Fabrieken voor Amsterdam van 2 augustus 2004 blijkt dat [appellant] woonachtig is te [woonplaats] aan [adres sub 1] […]

   Op 23 juli 2004 heeft het sectorhoofd Belastingen van de gemeente     Zaanstad een bezwaarschrift ontvangen tegen     aanslagnummer […] van [appellant]. Het bezwaarschrift is     ondertekend door [appellant], [adres sub 1], [postcode] [woonplaats].     […]

   In het kerkblad van de verenigde protestantse gemeente te Zaandam,     jaargang 34 no. 12, wordt op bladzijde 15 mededeling gedaan van het     vertrek van [appellant] van [adres sub 2] naar     [adres sub 1, [postcode] [woonplaats]. […]"

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd, is geen grond te vinden voor het oordeel dat het college mede op basis van deze - door appellant op zichzelf niet weersproken - onderzoeksresultaten niet heeft mogen concluderen dat appellant op het moment, waarop het bestreden besluit werd genomen, zijn werkelijke woonplaats niet in de gemeente Zaanstad had en derhalve niet voldeed aan de vereisten voor het lidmaatschap van de gemeenteraad van die gemeente. Voorzover appellant beoogt te betogen dat het college aldus miskent dat hij niet slechts in Bergen, maar ook woonachtig is in de gemeente Zaanstad, kan hij daarin niet worden gevolgd. Tekst en strekking van de artikelen 2, 3 en 10 van de Gemeentewet, in hun onderling verband gelezen, verzetten zich er tegen dat iemand gelijktijdig ingezetene, als in deze bepaling bedoeld, van meer dan één gemeente is. Dat de ambtshalve inschrijving van appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Bergen nog niet in rechte onaantastbaar was en is, heeft onder deze omstandigheden niet de betekenis die hij daaraan gehecht wenst te zien.

   Nu appellant geen kennisgeving aan de gemeenteraad, als bedoeld in artikel X5, eerste lid, van de Kieswet, heeft gedaan, heeft het college hem terecht met toepassing van het bepaalde in het tweede lid van dat artikel een waarschuwing gegeven.

2.3.    Het beroep is ongegrond.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. M. Vlasblom, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Van Loon

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2005

284.