Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS7242

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
200406887/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2004 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 225,00 per dag dat voorschrift 1.1.1 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) wordt overtreden door het in werking zijn van het restaurant van appellante aan de Korte Leidsedwarsstraat 69 te Amsterdam. Aan de last onder dwangsom is een begunstigingstermijn verbonden van vier weken na het van kracht worden van het besluit. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 6.750,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406887/1.

Datum uitspraak: 23 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Gauchos Nederland B.V.", gevestigd te Hoofddorp,

appellante,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2004 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 225,00 per dag dat voorschrift 1.1.1 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) wordt overtreden door het in werking zijn van het restaurant van appellante aan de Korte Leidsedwarsstraat 69 te Amsterdam. Aan de last onder dwangsom is een begunstigingstermijn verbonden van vier weken na het van kracht worden van het besluit. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 6.750,00.

Bij besluit verzonden op 15 juli 2004 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 16 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 september 2004.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van zowel appellante als verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door S.J. Geenemans, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. L.W. Oost Lievense en

ing. E.F.W. Steenmeijer, ambtenaren van de gemeente Amsterdam,

zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

   Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

   Ingevolge het vijfde lid wordt in de beschikking die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

   Ingevolge voorschrift 1.1.1 van het Besluit, voorzover hier van belang, geldt voor het equivalente geluidniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, dat het niveau in in- of aanpandige woningen niet meer mag bedragen dan 35 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur; 30 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur en 25 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur.

2.2.    Appellante heeft gesteld dat de interpretatie van geluidmetingen in het algemeen en daarmee de vaststelling van de overtreding, vanwege onduidelijkheid over de toe te passen correctiefactor, arbitrair is. Voorts heeft appellante betoogd dat verweerder niet in redelijkheid een last onder dwangsom heeft kunnen opleggen. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat zij geenszins onwillig is geweest om de problemen te verhelpen, maar dat verweerder haar daartoe onvoldoende gelegenheid heeft gegeven. Verder acht appellante de begunstigingtermijn, vanwege de complexiteit van de te nemen maatregelen, onredelijk kort. Ten slotte heeft appellante betoogd dat de hoogte van de dwangsom niet in verhouding staat tot de overtreding en dat het restaurant financieel niet draagkrachtig genoeg is om de dwangsom te kunnen betalen.

2.3.    Uit een rapportage van 23 januari 2004, opgesteld naar aanleiding van een in opdracht van verweerder uitgevoerde geluidmeting in een woning boven het restaurant van appellante, blijkt dat het equivalente geluidniveau veroorzaakt door het restaurant op 22 januari 2004 om 23.10 uur circa 35 dB(A) bedroeg. In hetgeen door appellante is aangevoerd omtrent de interpretatie van geluidmetingen in het algemeen, ziet de Afdeling, mede gelet op de grootte van de overschrijding van het toegestane geluidniveau, geen grond voor het oordeel dat het vastgestelde geluidniveau niet correct zou zijn.

   Vaststaat derhalve dat voorschrift 1.1.1 van het Besluit ten tijde van het nemen van het primaire besluit werd overtreden, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.

2.4.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.    De Afdeling overweegt dat de last onder dwangsom, zoals deze door verweerder bij het primaire besluit is opgelegd en bij de beslissing op bezwaar is gehandhaafd, strekt tot het beëindigen van de overtreding van voorschrift 1.1.1 van het Besluit. Reeds op 3 december 2003 is door verweerder, naar aanleiding van een geluidmeting op 29 oktober 2003, aan appellante zijn voornemen tot handhavend optreden bekend gemaakt. Door verweerder is aan appellante, alvorens op 26 maart 2004 tot het nemen van het primaire besluit over te gaan, derhalve ruimschoots de gelegenheid geboden de overtreding te beëindigen. In hetgeen appellante heeft betoogd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het opleggen van een last onder dwangsom.

2.6.    Wat het betoog van appellante betreft dat de begunstigingstermijn te kort is, overweegt de Afdeling dat uit een in opdracht van appellante door het ingenieursbureau "Dorsserblesgraaf" opgesteld advies van 19 maart 2004, met kenmerk Ra.W5303.B02, is gebleken dat ter beëindiging van de overtreding in de compressorruimte boven het restaurant een grindbetonplaat op de vloer dient te worden gestort en trillingsisolatoren moeten worden geplaatst. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft verweerder naar aanleiding van dit advies bij het primaire besluit de begunstigingstermijn op vier weken gesteld. Met verweerder is de Afdeling, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat voornoemde maatregelen binnen de gestelde termijn van vier weken zouden moeten kunnen worden gerealiseerd. Derhalve heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid deze begunstigingstermijn kunnen verbinden aan het primaire besluit.

2.7.    De Afdeling ziet voorts geen grond voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag van de dwangsom niet in redelijke verhouding zou staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Het betoog van appellante met betrekking tot financiële problemen kan hier niet aan afdoen.

2.8.    Het beroep is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens    w.g. De Vink

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005

154-431.