Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS7238

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
200405305/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 mei 2004, kenmerk 993189, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghoudster] voor een periode van 10 jaar een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een afvalverwerkende inrichting op het perceel [locatie] te Waalwijk. Dit besluit is op 17 mei 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/2041 met annotatie van Redactie
Milieurecht Totaal 2005/2673
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405305/1.

Datum uitspraak: 23 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "DHL Logistics B.V.", gevestigd te Waalwijk, en andere,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2004, kenmerk 993189, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghoudster] voor een periode van 10 jaar een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een afvalverwerkende inrichting op het perceel [locatie] te Waalwijk. Dit besluit is op 17 mei 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 25 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 juli 2004 hebben appellanten nadere opmerkingen naar voren gebracht.

Bij brief van 30 september 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 november 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2005, waar verweerder, vertegenwoordigd door N.A.M. Priems en J.J.A.M. Bertens, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster als partij gehoord, vertegenwoordigd door drs. N.J.J.M. van Hooijdonck en D. Baars, gemachtigden.

2.    Overwegingen

2.1.    De inrichting waarvoor vergunning is verleend is bestemd voor onder meer het op- en overslaan en zeven van zand, grond, stenen, puin en asfalt en het breken van puin en asfalt. De inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein.

2.2.    Bij brief van 16 juli 2004, derhalve na afloop van de beroepstermijn, hebben appellanten nadere opmerkingen naar voren gebracht. Een deel van deze opmerkingen betreft nieuwe beroepsgronden die niet zijn te herleiden op de in het beroepschrift ingebrachte gronden. Dit betreft de gronden dat ten onrechte een revisievergunning in plaats van een oprichtingsvergunning is verleend, tegenstrijdigheid bestaat tussen de aanvraag en de vergunningvoorschriften wat het aantal vergunde containers met asbest betreft, ten onrechte geen voorschrift is opgenomen met betrekking tot het gesloten moeten zijn van containers met asbest, meer middelvoorschriften hadden moeten worden gesteld, een meetverplichting moet worden voorgeschreven, onduidelijkheid wordt gecreëerd vanwege de verwijzing naar het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, en onduidelijkheid is gecreëerd wat betreft het breken van teerhoudend asfalt.

   Appellanten hebben in hun beroepschrift van 25 juni 2004 "zich het recht voorbehouden om in een later stadium nog nadere inhoudelijke (schriftelijke) opmerkingen te maken." Zij hebben echter niet verzocht om een termijn voor het indienen van een aanvullend beroepschrift, noch is een zodanige termijn door de Afdeling ambtshalve verleend. De brief van 16 juli 2004 kan dan ook niet worden aangemerkt als aanvullend beroepschrift, doch slechts als nadere memorie.

   Het aanvoeren van voornoemde gronden in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellanten noch ter zitting, waar zij niet zijn verschenen, noch anderszins hebben toegelicht waarom zij de gronden niet binnen de beroepstermijn naar voren hebben kunnen brengen. Voornoemde gronden kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.3.    Verweerder heeft, voorzover gezien het hiervoor overwogene nog van belang, gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen gevaarzetting en voorschrift 2.2.3.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Anders dan verweerder heeft gesteld vinden de gronden inzake gevaarzetting en voorschrift 2.2.3 wel hun grondslag in de bedenkingen waarin immers is aangevoerd dat tengevolge van de opslag verschuivingen in de bodemsamenstelling, verzakkingen en dergelijke kunnen ontstaan, respectievelijk dat wordt gevreesd voor geluidoverlast. Het beroep is daarom in zoverre ontvankelijk.

   Appellanten hebben de grond inzake de te hanteren afstand op grond van de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.4.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

   Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan voortvloeit uit de artikelen 53, 65 tot en met 68 of 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder.

2.5.    Appellanten - gebruikers/eigenaar van een naastgelegen pand dat gedeeltelijk wordt gebruikt als kantoorruimte en gedeeltelijk voor opslag en kwaliteitscontrole - stellen visuele hinder te ondervinden vanwege de opslag van puin in de inrichting.

   De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.6.    Appellanten stellen dat niet inzichtelijk is gemaakt dat rekening is gehouden met het feit dat in de directe nabijheid van het perceel waarop de puinbreekinstallatie in werking is al lange tijd gebouwen als kantoorruimte in gebruik zijn. Naar de mening van appellanten had verweerder ter bescherming van hun hindergevoelige object in de eerste plaats nadere maatregelen ter voorkoming van geluidhinder moeten voorschrijven.

2.6.1.    Verweerder betoogt dat ten aanzien van geluidhinder, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling, aan woningen en bedrijven op een gezoneerd industrieterrein geen bescherming behoeft te worden geboden.

2.6.2.    Blijkens de stukken is zowel de inrichting, als het pand van appellanten gelegen op het industrieterrein "Haven 1991" te Waalwijk, waarvoor krachtens artikel 53 van de Wet geluidhinder een geluidzone is vastgesteld. In de Wet geluidhinder is voorzien in zonering van industrieterreinen, en in waarden die voor de geluidbelasting vanwege het industrieterrein buiten de zone, en voor de geluidbelasting vanwege het industrieterrein van de gevels van woningen of andere geluidgevoelige objecten binnen de zone als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer dient het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag deze grenswaarden in acht te nemen.

   Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 6 augustus 2003, no. 200206662/1, voorziet de Wet geluidhinder niet in geluidgrenswaarden die gelden voor geluidgevoelige objecten op een gezoneerd industrieterrein. De zone die rond het terrein ligt omvat niet mede het terrein zelf. De Afdeling is, gelet hierop, van oordeel dat de geluidbelasting van een geluidgevoelig object op een gezoneerd industrieterrein niet bepalend kan zijn voor de beslissing op een aanvraag om vergunning voor een inrichting op dat industrieterrein; voor een dergelijk object geldt immers geen grenswaarde die in acht moet worden genomen. Verweerder heeft in de geluidbelasting die optreedt bij het bedrijfspand van appellanten dan ook terecht geen aanleiding gezien voor weigering van de vergunning. Het beroep kan in zoverre dan ook niet slagen.

2.7.    Appellanten betogen dat in voorschrift 2.2.3 van hoofdstuk 2 (Geluid) van de vergunningvoorschriften onduidelijk is wat wordt bedoeld met een beperking van het gebied waar de breker werkzaam kan zijn.

2.7.1.    Verweerder betoogt dat voorschrift 2.2.3 voldoende duidelijk is, aangezien op figuur 6 van het betrokken akoestisch rapport - dat onderdeel uitmaakt van de aanvraag, die weer onderdeel is van de vergunning - exact is aangegeven wat het werkgebied van de breker is.

2.7.2.    Ingevolge voorschrift 2.2.3, voorzover hier van belang, dient op de zuidelijke terreingrens, conform figuur 6 in het akoestisch rapport 2003.0668-3, het werkgebied van de breker te worden beperkt.

2.7.3.    De Afdeling overweegt dat het akoestisch rapport van 26 juni 2003, no. 2003.0668-3, deel uitmaakt van de aanvraag. De aanvraag maakt blijkens onderdeel c van het dictum van het bestreden besluit deel uit van dit besluit. Uit figuur 6 van dit akoestisch rapport blijkt naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk het (aangepaste) werkgebied van de breker. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

2.8.    Appellanten betogen voorts dat verweerder ter bescherming van hun hindergevoelige object nadere maatregelen ter voorkoming van trillinghinder had moeten voorschrijven.

2.8.1.    Verweerder betoogt wat trillinghinder betreft dat, nu ten aanzien van woningen en bedrijven op gezoneerde industrieterreinen geen bescherming behoeft te worden geboden ten aanzien van geluidhinder, en nu in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 (hierna: de Handreiking) trillinggevoelige bestemmingen worden gelijkgesteld aan geluidgevoelige bestemmingen, ten aanzien van woningen en inrichtingen op gezoneerde industrieterreinen evenmin bescherming behoeft te worden geboden ten aanzien van trillinghinder.

   In het onderhavige geval is volgens verweerder overigens in een zodanige situering en zodanige maatregelen voorzien dat mogelijke trillingoverlast ten gevolge van de breker voldoende wordt beperkt. Verweerder wijst in dit verband in de eerste plaats op de afstand tussen de breker en de kantoorruimten van appellanten. Daarnaast bestaat de vloer waarop de breker staat niet uit één geheel en worden grote brokken puin voor het breken gecrushd met een schaar.

2.8.2.    Bij de beoordeling van trillinghinder heeft verweerder aansluiting gezocht bij paragraaf 6.3.4 van de Handreiking. In deze paragraaf is onder meer vermeld: "Waar over woningen wordt gesproken, worden ook andere typen 'trillinggevoelige' bestemmingen bedoeld overeenkomstig geluidgevoelige bestemmingen." Door hieruit de conclusie te trekken dat aan trillinggevoelige objecten op gezoneerde industrieterreinen geen bescherming tegen trillinghinder behoeft te worden geboden, heeft verweerder miskend dat voornoemde passage geen antwoord geeft op de vraag naar de beschermenswaardigheid van kantoren en andere typen trillinggevoelige objecten op een gezoneerd industrieterrein. Verweerder heeft de beoordeling van de beschermenswaardigheid tegen trillinghinder van het object van appellanten op één lijn gesteld met de beoordeling van de beschermenswaardigheid tegen geluidhinder ten aanzien van dit object, alhoewel de Wet geluidhinder niet op trillinghinder betrekking heeft en daarvoor geen beoordelingskader verschaft. Verweerder heeft zich in zoverre ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit object geen bescherming ten aanzien van trillinghinder behoeft.

   Wat daar echter van zij; nu onder meer - zoals in de aanvraag is vermeld - grote stukken puin worden gecrushd alvorens deze te breken en de afstand van de puinbreker tot de kantoren van appellanten op het industrieterrein respectievelijk 100 en 200 meter bedraagt, acht de Afdeling het, gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting, aannemelijk dat nabij de kantoren trillinghinder zich niet zal voordoen dan wel zeer laag zal zijn. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vergunning toereikend is ter beperking van trillinghinder ter plaatse van de kantoren van appellanten. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

2.9.    Appellanten betogen verder dat verweerder ter bescherming van hun hindergevoelige object nadere maatregelen ter voorkoming van stofhinder had moeten voorschrijven. Zij stellen aanzienlijke stofhinder te ondervinden. Volgens hen had ter voorkoming daarvan in voorschrift 3.2.7 dienen te worden voorgeschreven dat het terrein constant nat moet worden gehouden. Voorts had dienen te worden voorgeschreven dat het puin op adequate wijze nat moet worden gemaakt en gehouden, en hoe hoog het windscherm dient te zijn. Verder is volgens appellanten in voorschrift 3.1.2 onduidelijk wat wordt bedoeld met "zo vaak als nodig" en in welke andere gevallen dan bij zichtbare stofemissies bespuiting moet plaatsvinden, is in voorschrift 3.2.2 onduidelijk wat wordt bedoeld met een "doelmatige windafscherming welke stofhinder voorkomt" en is in voorschrift 3.2.11 onduidelijk wat wordt bedoeld met "voldoende en adequate maatregelen".

2.10.    Verweerder betoogt dat ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder de voorschriften aan de vergunning zijn verbonden die voortvloeien uit de Nederlandse emissie Richtlijn Lucht (hierna: NeR). De gestelde voorschriften zijn naar zijn mening voldoende toereikend om stof op adequate wijze te voorkomen.

   Voorschrift 3.1.2 is volgens verweerder afkomstig uit de NeR en zeer gebruikelijk om stofhinder te voorkomen.

   Wat voorschrift 3.2.2 betreft, betoogt verweerder dat sprake is van een doelmatige windafscherming, indien de windafscherming stofhinder voorkomt. Nu een dergelijke afscherming niet in de inrichting aanwezig is, geldt dat vergunninghoudster het laden en lossen dient te stoppen indien de windsnelheid 20 m/s overschrijdt.

   Ten aanzien van voorschrift 3.2.11 betoogt verweerder dat het aan vergunninghoudster is om zelf invulling te geven aan voldoende en adequate maatregelen. In de aanvraag zijn naar zijn mening voldoende maatregelen en voorzieningen opgenomen om stofverspreiding op adequate wijze te voorkomen.

2.10.1.    In voorschrift 3.1.1 is bepaald dat als de inrichting langer dan één dag buiten gebruik is, bij voorbaat voldoende en adequate maatregelen moeten worden getroffen om stofverspreiding buiten de inrichting te voorkomen, bijvoorbeeld door het afdekken met een zeil, nat houden of het reinigen van het terrein van de inrichting met een zuigveegwagen.

   In voorschrift 3.1.2 is bepaald dat de opslag van steenachtige materialen zo vaak als nodig, doch in elk geval indien er sprake is van een zichtbare stofemissie, dient te worden bespoten met een vastleggend bindmiddel.

   In voorschrift 3.2.2 is bepaald dat, tenzij sprake is van een doelmatige windafscherming welke stofhinder voorkomt, stofhinder tengevolge van laden en lossen in de open lucht moet worden voorkomen door de verladingactiviteiten te stoppen indien, gelet op de stuifgevoeligheid, de windsnelheid de onderstaande waarde overschrijdt: categorie S4 en S5 20 m/s, windkracht 8, stormachtige wind.

   In voorschrift 3.2.7 is bepaald dat wegen, verharde en onverharde gedeelten van het bedrijfsterrein waar gevaar bestaat voor verspreiding van stof buiten de inrichting als gevolg van rijdend materieel of verwaaiing, dienen te worden geveegd, gezogen en/of natgehouden.

   In voorschrift 3.2.11 is bepaald dat bij transportbanden en overstortpunten voldoende en adequate maatregelen moeten zijn getroffen waardoor verspreiding van stof buiten de inrichting wordt voorkomen. (Bijvoorbeeld door winddichte omkastingen of besproeiing.)

2.10.2.    Voor de beoordeling van stofhinder heeft verweerder aansluiting gezocht bij paragraaf 3.8.1 van de NeR. Niet in geschil is dat de stoffen die binnen de inrichting worden opgeslagen behoren tot de in de NeR genoemde stuifgevoeligheidsklassen S4 en S5.

   In paragraaf 3.8.1 van de NeR wordt gesteld dat goederen behorend tot de stuifklassen S4 en S5 buiten mogen worden opgeslagen, mits de berg door besproeiing vochtig wordt gehouden. In voorschrift 3.1.1 wordt, voorzover dit mede betrekking heeft op de bergen bewerkt en onbewerkt puin, het nat houden slechts als voorbeeld van een maatregel genoemd, die slechts geldt wanneer de inrichting langer dan één dag buiten gebruik is. Dat, zoals blijkt uit het deskundigenbericht, een offerte is uitgebracht waarin onder meer een sproei-installatie voor de berg onbewerkt puin is opgenomen, maakt dit niet anders. Nu, gelet op het vorenstaande, voorschrift 3.1.1 in betekenende mate afwijkt van de in de NeR aanbevolen maatregelen, heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het voorschrift in zoverre overeenstemt met de NeR. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

   Voorzover appellanten betogen dat voorschrift 3.1.2 onduidelijk is overweegt de Afdeling dat voorschrift 3.1.2 in dit opzicht overeenstemt met de NeR, waarin wordt gesteld dat in het geval van diffuse stofemissies geen direct bij de bron visueel waarneembare stofverspreiding mag optreden en dat goederen van de stuifgevoeligheidsklassen S4 en S5 die voor langere tijd in de open lucht worden opgeslagen, zo vaak als nodig met een zogenoemd vastleggend middel of bindmiddel dienen te worden bespoten. De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

   In paragraaf 3.8.1 van de NeR wordt verder gesteld dat stofhinder tengevolge van laden en lossen in de open lucht moet worden voorkomen door, afhankelijk van de lokale situatie en de windrichting, overslagactiviteiten te staken indien gelet op de stuifklasse de windsnelheid de daar genoemde waarden overschrijdt. Verweerder heeft in voorschrift 3.2.2 aan de frase "afhankelijk van de lokale situatie" invulling gegeven met de bewoordingen "tenzij sprake is van een doelmatige windafscherming welke stofhinder voorkomt". De Afdeling overweegt dat echter onvoldoende duidelijk is onder welke omstandigheden een windafscherming doelmatig is ter voorkoming van stofhinder, waardoor de handhaafbaarheid van het voorschrift onduidelijk is. Het bestreden besluit is, wat betreft de bewoordingen "tenzij sprake is van een doelmatige windafscherming welke stofhinder voorkomt" in voorschrift 3.2.2, in strijd met het algemene rechtsbeginsel der rechtszekerheid.

   In paragraaf 3.8.1 van de NeR worden voorts maatregelen genoemd ter beperking van stofverspreiding ten gevolge van verkeer op het opslagterrein. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 3.2.7, met de daarin neergelegde maatregelen, die behoren tot de in de NeR aanbevolen maatregelen, in het onderhavige geval een toereikend beschermingsniveau geeft. De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

   Voorzover appellanten betogen dat voorschrift 3.2.11 onduidelijk is ziet de Afdeling, nu ervan moet worden uitgegaan dat de in de aanvraag opgenomen maatregelen onder de in het voorschrift bedoelde maatregelen vallen en in het voorschrift tevens voorbeelden van maatregelen zijn genoemd, geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit voorschrift betreft, in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

2.11.    Appellanten betogen dat de berg met puin angstvallig dicht bij hun perceel ligt, terwijl de erfafscheiding niet is berekend op het tegenhouden van naar beneden rollend puin. Appellanten vrezen hierdoor voor schade of ongelukken.

2.11.1.    Ingevolge voorschrift 13.3.1 mag in de inrichting de steenachtige fractie van bouw- en sloopafval worden opgeslagen tot een maximale hoogte van 15 meter boven het maaiveld. De steenachtige fractie van bouw- en sloopafval mag tegen de keerwand worden opgeslagen met een maximale hoogte van één meter beneden de keerwand.

2.11.2.    Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, overweegt de Afdeling dat door schuivend of rollend puin gevaarlijke situaties kunnen ontstaan op het terrein direct buiten de keerwand, indien de keerwand niet bestand is tegen de druk van de (schuivende) puinmassa en tegen rollend puin. Nu in voorschrift 13.3.1 geen eisen zijn gesteld aan de uitvoering van de keerwand, heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit voorschrift toereikend is ter voorkoming dan wel voldoende beperking van voornoemd gevaar.

2.12.    Het beroep is, voorzover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voorzover het de voorschriften 3.1.1, 3.2.2 en 13.3.1 betreft. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.12.1.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond inzake de te hanteren afstand op grond van de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" betreft;

II.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 4 mei 2004, kenmerk 993189, voorzover het de voorschriften 3.1.1, 3.2.2 en 13.3.1 betreft;

IV.    draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op binnen 13 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellanten;

VII.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Kuipers

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005

271-415.