Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS7230

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
200402166/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2003 heeft de gemeenteraad van Scheemda, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 juni 2003, het bestemmingsplan "Blauwe Stad, Partiële herziening 2002, aanpassingen Woongebied I en omgeving" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402166/1.

Datum uitspraak: 23 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2003 heeft de gemeenteraad van Scheemda, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 juni 2003, het bestemmingsplan "Blauwe Stad, Partiële herziening 2002, aanpassingen Woongebied I en omgeving" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 december 2003, no. 2003-11914/51/B.14, RP, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 15 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 april 2004.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 november 2004 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door F.H.J. Habraken, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Scheemda, vertegenwoordigd door J. Kleine, R.A. van der Burgh en J. Postema, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Het plan heeft betrekking op het project de Blauwe Stad. Het voorziet onder meer in een uitbreiding van het merengebied en van het natuurgebied ten opzichte van het hiervoor geldende bestemmingsplan.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder gedeeltelijk goedkeuring verleend aan het plan.

2.3.    Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Merengebied" dat betrekking heeft op gronden die in het hiervoor geldende bestemmingsplan de bestemming "Woongebied I" hadden. Zij stelt dat deze bestemmingswijziging slechts tot doel heeft gronden die eigenlijk bestemd zijn voor woningbouw uit haar macht te houden en dat de gemeenteraad aldus zijn bevoegdheid tot het toekennen van bestemmingen misbruikt. Voorts voert appellante aan dat ten onrechte wordt gesteld dat als gevolg van het plan de grondbalans, de waterkwaliteit en de ruimtelijke kwaliteit zullen verbeteren. Volgens appellante zal de kwaliteit van het gebied verslechteren, wat in strijd is met het doel van het plan.

2.4.    De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat door de verlegging van de woongebieden langere zichtlijnen alsmede een grotere diversiteit aan de randen van het meer ontstaan. Hij heeft gesteld dat door het dichter bij elkaar bouwen van de verschillende woonmilieus meer de sfeer ontstaat van een dorp. De verdichting van de woningbouw als gevolg van het plan is volgens de gemeenteraad beperkt en brengt als voordeel mee dat de tegenstellingen in het woongebied worden benadrukt. Voorts heeft hij gesteld dat een betere verbinding tussen het noordelijke en het zuidelijke meer kan worden verwezenlijkt en dat de doorstroming en daarmee de waterkwaliteit zal verbeteren. Daarnaast heeft de gemeenteraad gesteld dat de bestemmingswijziging de winning mogelijk maakt van klei die kan worden gebruikt voor de aanleg van dijken en natuurvriendelijke oevers, wat een verbetering van de grondbalans met zich brengt.

2.5.    Verweerder heeft geen reden gezien het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit goedgekeurd.

Hij heeft ingestemd met de onderbouwing van de gemeenteraad betreffende de ruimtelijke kwaliteit. De verkleining van de woonbestemming hoeft volgens verweerder niet te leiden tot een vermindering van de kwaliteit van het plan. Voorts heeft verweerder het standpunt van de gemeenteraad ten aanzien van de waterkwaliteit en grondbalans onderschreven. Hij heeft geen aanleiding gezien de stelling van de raad dat de eigendom van de gronden geen rol heeft gespeeld bij de wijziging van de bestemming niet te volgen.

2.6.    Vast staat dat de bestemming "Merengebied" geen woningbouw mogelijk maakt. De totale oppervlakte waar voorzien is in woningbouw neemt als gevolg van het plan dus af ten opzichte van het hiervoor geldende bestemmingsplan, waarin de desbetreffende gronden de bestemming "Woongebied I" hadden.

De Afdeling stelt voorop dat de gemeenteraad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden kan vaststellen.

2.7.    In opdracht van appellante heeft het onderzoeksbureau Tauw een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de door de gemeenteraad aangevoerde argumenten voor de in het plan voorziene toekenning van bestemmingen. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in het rapport Reactie op de Partiële herziening 2002 aanpassing Woongebied I en omgeving (hierna: het Tauwrapport) van 17 juni 2003. In reactie op dit rapport is in opdracht van het projectbureau Blauwe Stad en de gemeenteraad een ongedateerd rapport opgesteld genaamd Definitieve reactie bezwaren Bestemmingsplan "Blauwe Stad"; Partiële herziening 2002, aanpassing Woongebied I en omgeving (hierna: het reactierapport).

2.8.    Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit overweegt de Afdeling het volgende.

Wat betreft de landschappelijke kwaliteit wordt in het Tauwrapport gesteld dat de zichtlijnen in oostwestelijke richting niet duidelijk veranderen ten opzichte van het hiervoor geldende plan. Daarnaast vormt woningbouw op de gronden die in dit plan de bestemming "Merengebied" hebben gekregen volgens het Tauwrapport geen belemmering voor de aanwezigheid van lange zichtlijnen.

In het reactierapport wordt te dien aanzien gesteld dat onder meer over een lengte van ongeveer vierhonderd meter fietspad het zicht over het meer en daarmee het ruimtelijk effect wordt vergroot. Voorts zal volgens het deskundigenbericht door de in het plan voorziene wijze van bestemmen vanaf de oostoever van het zuidelijke deel van het meer nu niet alleen de te verwezenlijken woningbouw te zien zijn, maar ook het natuurgebied. Volgens het deskundigenbericht zal de lengte waarover de grote maat van het meer wordt beleefd dan ook groter zijn dan in het hiervoor geldende plan. De Afdeling ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding dit standpunt niet te volgen.

Over de stedenbouwkundige kwaliteit wordt in het Tauwrapport gesteld dat doordat het woongebied in het plan compact is, minder ruimte tussen de te onderscheiden woonmilieus ontstaat. De herkenbaarheid van de afzonderlijke woonmilieus met hun karakteristieke kenmerken wordt door de compactere opzet beperkt volgens het rapport. Voorts komt uit het Tauwrapport naar voren dat het plan in de weg staat aan het verwezenlijken van vrijstaande woningen op ruime kavels.

Blijkens het reactierapport zullen de gevolgen van het kleiner worden van de bestemming "Woongebied I" niet zozeer worden opgevangen door compacter te bouwen, maar door een efficiëntere omgang met water en wegen.

Vast staat dat als gevolg van de in het plan voorziene bestemmingen de beschikbare ruimte voor woningbouw kleiner is dan in het hiervoor geldende plan. Volgens het deskundigenbericht maakt het plan evenwel nog altijd mogelijk dat de gemiddelde grootte van de uitgeefbare percelen ongeveer 1100 m² bedraagt. Niet is gebleken dat dit onjuist is. Volgens het deskundigenbericht hoeft het plan dan ook niet te leiden tot een afwijking van de doelstelling om te bouwen op ruime kavels. De Afdeling ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding dit standpunt niet te volgen.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van de in het plan voorziene bestemmingen kan verbeteren ten opzichte van het hiervoor geldende plan.

2.9.    Ten aanzien van de kleiwinning overweegt de Afdeling het volgende.

In het Tauwrapport wordt gesteld dat de voor de aanleg van dijken en oevers benodigde klei ook elders in het gebied kan worden gewonnen. Verder is volgens het rapport de in het plan voorziene bestemmingswijziging niet nodig om op de gewenste plaats klei te winnen.

Uit het reactierapport blijkt dat als gevolg van de in het plan voorziene verkleining van de bestemming "Woongebied I" de grondbalans van het totale project kwalitatief verbetert. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding dit standpunt niet te volgen.

Verweerder heeft er dan ook in redelijkheid vanuit kunnen gaan dat het plan een gunstigere grondbalans tot gevolg heeft dan het hiervoor geldende bestemmingsplan.

2.10.    Ten aanzien van de waterkwaliteit overweegt de Afdeling het volgende.

Blijkens het Tauwrapport kan, doordat de waterdoorgangen binnen het woongebied versmallen, een slechte doorspoeling en opwarming van het water ontstaan. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Woongebied" onder meer bestemd voor water en oevers. In de planvoorschriften zijn echter geen bepalingen opgenomen ten aanzien van de ligging en loop van deze watergangen. In zoverre kan het plan dan ook niet van invloed zijn op de te verwachten waterkwaliteit.

Vast staat dat als gevolg van het plan de verbinding tussen het noordelijke en zuidelijke meer groter wordt. In het Tauwrapport wordt gesteld dat dit leidt tot een grotere strijklengte bij zuidwestenwind, waardoor als gevolg van hogere golven sneller bodemmateriaal opwervelt. Blijkens het reactierapport treedt dit effect slechts plaatselijk op en is het gemiddelde effect op het meer niet significant. Niet is gebleken dat deze conclusie onjuist is.

Nu voorts aannemelijk is dat de doorstroming tussen het noordelijke en het zuidelijke gedeelte van het meer zal verbeteren ten opzichte van het hiervoor geldende plan, heeft verweerder er in redelijkheid vanuit kunnen gaan dat de waterkwaliteit kan verbeteren.

2.11.    Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding behoeven te zien voor het oordeel dat de gevolgen van het plan in strijd zijn met het doel te komen tot een kwalitatieve verbetering van het gebied.

2.12.    Ten aanzien van de stelling van appellante dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend, overweegt de Afdeling dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat andere dan ruimtelijke motieven ten grondslag hebben gelegen aan de toekenning van de bestemmingen zoals voorzien in het plan.

2.13.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Neuwahl

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005

280-448.