Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS7229

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
200401868/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2003 heeft de gemeenteraad van Wognum, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 juni 2003, het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2003" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 48K
Milieurecht Totaal 2005/4784
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401868/1.

Datum uitspraak: 23 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4.    [appellanten sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    [appellante sub 5], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2003 heeft de gemeenteraad van Wognum, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 juni 2003, het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2003" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 februari 2004, kenmerk 2004-29765, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 3 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2004, [appellanten sub 2] bij brief van 11 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2004, [appellante sub 3] bij brief van 22 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2004, [appellanten sub 4] bij brief van 23 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2004, en [appellante sub 5] bij fax van 7 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 19 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 22 oktober 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2005, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, gemachtigde, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. R.G.L. Laan, advocaat te Hoorn, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, gemachtigde, [appellante sub 5], vertegenwoordigd door ing. G.Ph.W. Olbertijn, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door G.J. van der Meer en C.M. Sijs-Blekkingh, ambtenaren van de gemeente, Sto-3 Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [partij] gehoord. [appellanten sub 4] zijn met voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Het plan voorziet in een planologische regeling voor het landelijke gebied van Wognum.

2.3.    [appellant sub 1] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven" wat betreft het perceel [locatie 1] voorzover daarbij de vestiging van een herberg met een dienstwoning mogelijk wordt gemaakt. Hij voert aan dat hij een fruitteeltbedrijf exploiteert waarvan de boomgaarden rond het perceel liggen en dat hij ten gevolge van het plan in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Appellant meent dat tussen zijn bedrijf en de herberg met dienstwoning in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen een afstand van minimaal 50 meter dient te worden aangehouden teneinde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen bewerkstelligen. Ter ondersteuning van zijn betoog verwijst appellant onder meer naar het TNO-onderzoeksrapport "Emissie van gewasbeschermingsmiddelen uit boomgaarden naar de lucht" (hierna: het TNO-rapport), dat in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is gemaakt en op 12 april 1994 is verschenen.

2.3.1.    De gemeenteraad stelt dat het in dit geval niet noodzakelijk is een afstand van minimaal 50 meter aan te houden. Hij voert hiertoe aan dat alleen die gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt die officieel zijn aangewezen als veilig voor gebruiker, omgeving en consumptie en dat in de Bestrijdingsmiddelenwet noch in een andere wet een afstand is voorgeschreven. Voorts stelt hij dat de damp vrijwel direct in de atmosfeer verwaait, dat de heersende westelijke en zuidwestelijke windrichting ervoor zorgt dat de damp zelden in de richting van het geplande bouwwerk zal gaan en dat het plaatsen van een groenblijvende windsingel op 1,5 meter afstand van de boomgaard de in richting van het perceel weggedreven zwevende druppeltjes met 90% zal reduceren.

2.3.2.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend. Hij verwijst naar de door hem afgegeven verklaring van geen bezwaar voor de bouw van de herberg. Daarin stelt hij dat de voorgenomen hotelontwikkeling past in de toeristische doelstelling voor West Friesland zoals verwoord in de provinciale beleidsnota Ruimte om te B(l)oeien. In het besluit stelt verweerder voorts dat de rechtbank zich heeft uitgesproken over de kwestie en tot het oordeel is gekomen dat de beperking van de bedrijfsvoering niet is aangetoond en dat derhalve het hotel (de herberg) op deze locatie aanvaardbaar is.

2.3.3.    Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften in combinatie met de daarbij behorende bedrijventabel is het perceel [locatie 1] met de bestemming "Bedrijven" bestemd voor een herberg met bedrijfswoning. De bedrijfsvoering van de herberg met dienstwoning die in het plan is voorzien zal blijkens de bedrijventabel bestaan uit het verstrekken van logies en van maaltijden voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken. De herberg met dienstwoning zal onder meer bestaan uit een restaurant met bar, een aantal gastenverblijven en een aantal ruimten ten behoeve van de dienstwoning. Voorts zullen een terras en parkeerplaatsen worden aangelegd. Het gebruik als herberg met dienstwoning is alleen toegestaan wanneer het perceel is afgeschermd van de aangrenzende boomgaard door een groenblijvende windsingel.

2.3.4.    Blijkens de stukken exploiteert appellant een fruitteeltbedrijf op het naastgelegen perceel [locatie 2]. Het bedrijf beslaat ongeveer 7,5 hectare. Op het perceel bevinden zich onder meer fruitboomgaarden. De boomgaarden omringen de toekomstige herberg met dienstwoning aan de west-, noord- en oostzijde. In het kader van de bedrijfsvoering worden bestrijdingsmiddelen toegepast teneinde de gewassen te vrijwaren van ongedierte en ziektes. Verder wordt gebruik gemaakt van knalapparaten en bespuitings- en beregeningsapparatuur. Op het bedrijf is het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer van toepassing.

2.3.5.    De kortste afstand tussen de in het bouwplan voorziene bebouwing respectievelijk het terras en de boomgaarden is 6,5 à 8 meter. Gelet op artikel 14, derde lid, onder d, en het zesde lid, onder c, van de planvoorschriften maakt het plan echter ook mogelijk dat deze afstanden worden verkleind. De omstandigheid dat het bouwplan daar niet vanuit gaat en dat het volgens de gemeenteraad niet waarschijnlijk is dat wanneer de herberg verloren gaat de herberg dichter op de perceelsgrens zal worden herbouwd, laat onverlet dat bij het beoordelen van het bestemmingsplan uit dient te worden gegaan van wat het plan maximaal mogelijk maakt.

2.3.6.    In het kader van het beoordelen van het woon- en leefklimaat op het in geding zijnde perceel stelt de Afdeling voorop dat er geen wettelijke bepalingen zijn inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige objecten, waaronder de herberg met dienstwoning. Het Besluit akkerbouwbedrijven en milieubeheer heeft geen betrekking op afstanden tussen gevoelige objecten en gronden waar openluchtteelt plaatsvindt, zodat uit de afstanden die daarin worden genoemd in dit verband ook geen conclusies kunnen worden getrokken. Anders dan de gemeenteraad meent, laat het ontbreken van een voorgeschreven minimaal aan te houden afstand onverlet dat in het kader van een bestemmingsplan een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, het milieubelang niet uitgezonderd, waarbij de aan te houden afstand tussen een fruitteeltbedrijf en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object kan worden gegarandeerd.

De toepasselijkheid in dit geval van de Bestrijdingsmiddelenwet en daarop gebaseerde regelgeving staat hieraan niet in de weg, aangezien deze regels enerzijds en de WRO anderzijds elk een eigen werkingssfeer hebben. De gemeenteraad is in zijn besluitvorming er ten onrechte vanuit gegaan dat het toetsingskader wordt gevormd door de Bestrijdingsmiddelenwet. Anders dan de gemeenteraad meent, worden in het kader van het toelaten van bestrijdingsmiddelen tot de Nederlandse markt op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet niet de eventuele effecten beoordeeld op de gezondheid van personen, die via emissies in de lucht worden blootgesteld aan bestrijdingsmiddelen.

2.3.7.    Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, kan worden afgeleid dat onvoldoende bekend is omtrent de gevolgen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor de gezondheid van de personen die in de omgeving wonen dan wel verblijven. Uit het TNO-rapport kan worden opgemaakt dat onder omstandigheden volgens normale landbouwpraktijken tot 40 meter vanaf de perceelsgrens een duidelijke invloed merkbaar kan zijn van de druppelvormige emissie van bestrijdingsmiddelen. Voorts blijkt dat, afhankelijk van de weersgesteldheid en de windsnelheid, de invloed van de emissie van bestrijdingsmiddelen in dampvorm tot op 100 meter merkbaar kan zijn. De door appellant toegepaste techniek is gebaseerd op druppelemissie. Bij voorkeur wordt gespoten met fijne druppels in de vorm van nevel, welke grote gelijkenis vertoont met de emissie in dampvorm. De verspreiding van de nevel zal volgens het deskundigenbericht in dat geval reiken tot op een afstand van 40 tot 100 meter. Niet aannemelijk is gemaakt dat bij de beoordeling van het geschil niet van het vorenstaande kan worden uitgegaan. Voorzover de gemeenteraad meent dat het TNO-rapport niet wetenschappelijk is onderbouwd en daarnaast achterhaald is, en in dat verband verwijst naar betere methodes om de emissie van bestrijdingsmiddelen te bepalen, overweegt de Afdeling dat die methodes en de stukken waarnaar de gemeenteraad verwijst, de Afdeling daar evenwel niet van hebben kunnen overtuigen. Hierbij neemt zij in aanmerking dat de genoemde modellen geen modellen zijn om emissies te berekenen, maar methoden waarbij reductiepercentages worden verkregen en dat daaruit niet blijkt wat de effecten zijn voor de mens bij blootstelling aan bestrijdingsmiddelen.

Voorzover de gemeenteraad de aangehouden afstand rechtvaardigt met de aanwezigheid van de windsingels overweegt de Afdeling dat de emissie in dampvorm blijkens het TNO-rapport niet of nauwelijks door windsingels wordt tegengehouden. Voor de emissie in druppelvorm geldt weliswaar dat door de aanwezigheid van een windsingel de concentratieniveaus achter de windsingel worden gehalveerd ten opzichte van de situatie zonder windsingels en zelfs tot 90% mits aan een aantal - vergaande - voorwaarden  wordt voldaan, doch het is niet bekend in hoeverre de windsingel in kwestie de emissie kan beperken en welke invloed de resterende emissie heeft op het woon- en leefklimaat van de bezoekers en het personeel van de herberg annex restaurant en de bewoner(s) van de dienstwoning.

Voorts overweegt de Afdeling dat blijkens de veiligheidsinstructie van het bestrijdingsmiddel Captan, dat onder meer door appellant wordt gebruikt, dit middel bij inademing toxisch is en resulteert in opname in het lichaam. Volgens de veiligheidsinstructie kan blootstelling aan zelfs geringe hoeveelheden resulteren in acute gezondheidsklachten. Voor de toepasser van het middel wordt daarom voorgeschreven gebruik te maken van onder meer stofmasker/gas/dampfilter, beschermende kleding en neopreen handschoenen. Voorts wordt aangeraden niet te eten, drinken of roken tijdens het toepassen. Verder wordt opgemerkt door de Commissie voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen dat blootstelling aan omstanders en familieleden vergelijkbaar is met de blootstelling aan de toepasser. Hierin ziet de Afdeling aanknopingspunten dat het betoog van de gemeenteraad dat de bestrijdingsmiddelen die op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet zijn toegestaan veilig zijn voor gebruiker, omgeving en consumptie en derhalve geen negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het perceel geen stand kan houden.

Voorzover van de zijde van de gemeente is betoogd dat de heersende windrichting in de omgeving van Wognum zuidwestelijk is, zodat de damp van de bestrijdingsmiddelen gezien de ligging van de herberg met dienstwoning zelden in de richting van de herberg met dienstwoning gaat, overweegt de Afdeling dat zich ook aan de westzijde van het plandeel, zij het in mindere mate, fruitbomen bevinden. Voorts is niet uitgesloten dat ook bij andere windrichtingen wordt gespoten en is het aannemelijk dat, gezien de korte afstand tussen de in het plan voorziene bebouwing en de boomgaarden, ook bij het spuiten onder rustige weersomstandigheden sprake zal zijn van verspreiding van bestrijdingsmiddelen op of over het perceel waarop de herberg is voorzien.

2.3.8.    Reeds gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat met het plan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de in het plan voorziene herberg met dienstwoning niet is verzekerd. Verweerder heeft zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven" wat betreft het perceel [locatie 1].

Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel.

De overige bezwaren behoeven thans geen bespreking.

2.4.    [appellanten sub 2] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Wegen en dijken" en de aanduiding "voet/rijwielpad" voorzover daarbij wordt voorzien in een fietspad ten zuiden van hun perceel [locatie 3] op 7 meter afstand. Zij menen dat hun privacy en rust daardoor ernstig worden aangetast. De aanleg van afschermende beplanting is volgens hen geen oplossing, aangezien daardoor hun uitzicht vermindert. Daarnaast stellen appellanten dat de gemeenteraad de ligging van het fietspad ten onrechte rechtvaardigt met een beroep op het fietspadenplan van Noord-Holland, aangezien hij zelf heeft bewerkstelligd dat het fietspad daarin is opgenomen. Voorts voorziet het plan ten onrechte in een geasfalteerd fietspad in plaats van een fietspad verhard met schelpen, aldus appellanten. In het verleden is namelijk door een ambtenaar de suggestie gewekt dat het pad onverhard zou worden en dat het fietspad bovendien niet was voorzien naast hun woning. Verder betwisten appellanten de noodzaak van het fietspad, aangezien er reeds voldoende rondritmogelijkheden zijn ter plaatse. Zij menen voorts dat de gemeenteraad ten onrechte de door hen gewenste alternatieve route niet in ogenschouw heeft genomen.

2.4.1.    De gemeenteraad heeft het tracé van het fietspad zodanig gekozen dat het min of meer langs de zogenoemde structuurlijnen ligt teneinde het landschap zo min mogelijk aan te tasten, versnippering daarvan tegen te gaan en de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse zo min mogelijk te belemmeren dan wel te verstoren.

2.4.2.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij stelt dat onder meer het recht op vrij uitzicht volgens vaste jurisprudentie in de ruimtelijke ordening niet geclaimd kan worden. Voorzover appellanten menen dat zij onevenredige schade lijden, staat het hun vrij een beroep te doen op vergoeding van die schade volgens artikel 49 van de WRO.

2.4.3.    Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Wegen en dijken" onder meer bestemd voor voet- en rijwielpaden. Ingevolge het vierde lid wordt onder een verboden gebruik als bedoeld in artikel 4, eerste lid, in ieder geval verstaan het gebruik van de als recreatieve fiets- en/of voetpaden aangeduide wegen door gemotoriseerd verkeer (parkeren daaronder begrepen), tenzij dat uit oogpunt van behoud en onderhoud noodzakelijk is.

2.4.4.    Blijkens de stukken wonen appellanten in een voormalige boerderij op het perceel [locatie 3]. Het in het plan voorziene fietspad ligt ten zuiden van de woning op een afstand van ongeveer 6,5 respectievelijk 14 meter van de grens van het perceel respectievelijk de woning van appellanten. Aan de zijde van de strook grond waarop het fietspad is voorzien hebben appellanten een zonneterras en een zonneweide aangelegd. Aan deze zijde hebben appellanten een vrij uitzicht over het landschap. De gronden ten zuiden van het perceel van appellanten zijn in gebruik als weidegrond. De begrenzing tussen deze gronden en het perceel van appellanten wordt gevormd door een sloot van ongeveer 3 meter breed. De dichtstbijzijnde bebouwing ligt op een afstand van 250 meter.

2.4.5.    Uit de stukken blijkt dat de ligging van het fietspad onder andere is opgenomen in de provinciale nota "Evaluatie fietspadenplan provincie Noord-Holland 1989" als fietspad voor rondritmogelijkheden. De ligging van het fietspad is in het gemeentelijke fietsroutenetwerk uit 2001 overgenomen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het traject van het fietspad zodanig gekozen dat het fietspad de structuurlijnen volgt die na de ruilverkaveling aanwezig zullen zijn teneinde het landschap zo min mogelijk aan te tasten, versnippering daarvan tegen te gaan en de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse zo min mogelijk te belemmeren dan wel te verstoren. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan het beleid dat in voornoemde stukken is opgenomen niet had kunnen worden betrokken bij de besluitvorming. De omstandigheid dat het fietspad destijds in de provinciale nota is opgenomen op verzoek van de gemeenteraad kan niet als zodanig gelden. Voorts hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt dat het plan niet zou voorzien in het fietspad naast hun woning. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden. Daarnaast heeft verweerder er in redelijkheid vanuit kunnen gaan dat het fietspad als rondritmogelijkheid een toegevoegde waarde heeft op de mogelijkheid de landerijen recreatief te gebruiken. De omstandigheid dat in de omgeving reeds andere mogelijkheden bestaan om rondritten te maken doet daar niet aan af.

2.4.6.    Vaststaat dat in het gemeentelijke fietsroutenetwerk wordt uitgegaan van een fietspad verhard met schelpen, terwijl de gemeenteraad thans voornemens is een geasfalteerd fietspad aan te leggen. Het bestemmingsplan maakt beide uitvoeringen van het fietspad mogelijk. Appellanten hebben niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre een geasfalteerd pad op meer ruimtelijke bezwaren stuit dan een fietspad verhard met schelpen. In dit verband is niet gebleken dat een verhard fietspad onevenredig afbreuk doet aan het landschappelijke karakter van de omgeving in vergelijking met een fietspad verhard met schelpen. Onder deze omstandigheden heeft verweerder er dan ook mee kunnen instemmen dat het plan de mogelijkheid biedt dat het fietspad in verharde vorm wordt aangelegd.

2.4.7.    Wat betreft het bezwaar van appellanten ten aanzien van hun privacy en uitzicht overweegt de Afdeling als volgt. Het plan sluit niet uit dat tussen het perceel van appellanten en het fietspad afschermend groen kan worden aangelegd. Het uitzicht van appellanten wordt ten gevolge van eventueel aan te brengen afschermend groen verminderd, doch de Afdeling overweegt dat geen blijvend recht op uitzicht bestaat. De Afdeling acht uit de stukken, de ligging van het fietspad hierbij in aanmerking genomen, aannemelijk geworden dat het fietspad niet gedurende het hele jaar iedere dag intensief zal worden gebruikt. Verweerder heeft gelet hierop in redelijkheid geen groot gewicht behoeven toe te kennen aan de verminderde privacy van appellanten.

2.4.8.    Gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de aanleg van het fietspad dan aan de belangen van appellanten.

Voorzover appellanten aanvoeren dat een andere ligging van het fietspad beter is overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich gezien het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.4.9.    Het vorenstaande in aanmerking genomen, heeft verweerder zich eveneens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Het beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond.

2.5.    [appellante sub 3] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden en wonen c.a." wat betreft de percelen [locatie 4]. Zij stelt onder meer dat het plan in onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden voorziet. Voorts meent zij dat verweerder in zijn overwegingen aan de reeds gegeven uitbreiding ten onrechte de eis stelt dat de bedrijfseconomische noodzaak door middel van een bedrijfsplan dient te worden aangetoond en dat in de plantoelichting een gemotiveerde toelichting vanwege de uitbreiding moet worden opgenomen, aangezien volgens haar in het advies dat door de WLTO is uitgebracht reeds uiteen is gezet waarom de uitbreiding bedrijfseconomisch noodzakelijk is. Voorts voert appellante aan dat in het dictum goedkeuring wordt verleend, terwijl uit de overwegingen blijkt dat verweerder goedkeuring zou onthouden aan het plandeel.

2.5.1.    Voorzover appellante stelt dat verweerder in strijd met zijn bedoeling, zoals deze uit de overwegingen van het besluit blijkt, bovenbedoeld plandeel abusievelijk heeft goedgekeurd, overweegt de Afdeling als volgt.

In het dictum van het bestreden besluit, voorzover van belang, is bepaald dat het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2003" van de gemeente Wognum wordt goedgekeurd, met uitzondering van de met rode omlijning of rode aanduiding aangegeven gebieden op de plankaart, zoals omschreven in de daarvoor gaande overwegingen. Verweerder heeft het in geding zijnde plandeel op de plankaart niet voorzien van een rode omlijning of rode aanduiding. De overwegingen van het besluit strekken evenwel tot het gegrond verklaren van het bezwaar van de [appellante sub 3] en het niet goedkeuren van dit plandeel. De Afdeling is van oordeel dat het dictum van het besluit, als beslissend deel van het besluit, bij de vaststelling van de bedoeling van het bestuur in een geval als dit vanuit een oogpunt van rechtszekerheid doorslaggevend dient te zijn. Aan het in geding zijnde plandeel is derhalve goedkeuring verleend. Gezien de omstandigheid dat de overwegingen van het besluit strekken tot de conclusie van verweerder dat aan het plandeel goedkeuring zal worden onthouden, wordt de verlening van goedkeuring niet gedragen door een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellante sub 3] is dan ook gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden en wonen c.a." wat betreft de percelen [locatie 4].

Uit het vorenstaande volgt dat de Afdeling thans niet kan toekomen aan een verdere beoordeling van het beroep.

2.6.    [appellanten sub 4] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden en wonen c.a." wat betreft het perceel [locatie 5] voorzover in het plan een bouwblok wordt toegekend met een diepte van 100 meter. Zij pleiten ervoor dat deze wordt teruggebracht tot 70 meter. Een dieper bouwblok leidt volgens hen tot aantasting van het open landschap en hun uitzicht.

2.6.1.    De gemeenteraad heeft beoogd het plan gewijzigd vast te stellen ten opzichte van het ontwerpplan in die zin dat het bouwblok aan [locatie 5] wordt vergroot van 70 meter naar 100 meter ten behoeve van de uitbreiding van de kassen op dat perceel.

2.6.2.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft aan het plandeel goedkeuring verleend.

2.6.3.    Gezien artikel 11, derde lid, onder c, in samenhang met het zevende lid, onder a, van de planvoorschriften mogen, voorzover van belang, agrarische bedrijfsgebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en kassen slechts worden gebouwd in de bebouwingsvlakken zoals die zijn getekend in de bij de voorschriften behorende bijlage A. Op kaart 13 van bijlage A is voor het perceel [locatie 5] een agrarisch bouwblok ingetekend. Vaststaat dat het ingetekende bouwblok 70 meter diep is.

Uit de stukken blijkt dat de gemeenteraad abusievelijk in bijlage A het bouwblok niet overeenkomstig het raadsvoorstel heeft aangepast tot 100 meter.

Gelet op het vorenstaande mist het beroep feitelijke grondslag.

Het beroep van [appellanten sub 4] is mitsdien ongegrond.

Ten overvloede merkt de Afdeling op dat indien de gemeenteraad een bouwblok met een diepte van 100 meter in het bestemmingsplan wenst neer te leggen, hiertoe opnieuw de bestemmingsplanprocedure dient te worden doorlopen waartegen voor appellanten opnieuw rechtsbeschermingsmogelijkheden open staan.

2.7.    [appellante sub 5] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden en wonen c.a." wat betreft het perceel [locatie 6]. Hij voert aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in een nieuw te bouwen gebouw van ongeveer 1.000 m² waarbij gelijktijdig ongeveer 1.600 m² bebouwing wordt gesloopt. De boomkwekerij is naar zijn mening aan te merken als een zelfstandig volwaardig bedrijf. Appellant wil het nieuwe gebouw gaan gebruiken voor zowel de boomkwekerij als voor het hoveniersbedrijf.

2.7.1.    De gemeenteraad heeft het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden en wonen c.a." gewijzigd vastgesteld in die zin dat de boomkwekerij is aangemerkt als een deeltijdbedrijf in plaats van een reëel bedrijf. Uit het advies van de Stichting Agrarische beoordelingscommissie blijkt dat geen sprake is van een volwaardig bedrijf en dat zou kunnen worden volstaan met één loods van 500 m², aldus de gemeenteraad. In het ontwerpplan is het bedrijf ten onrechte nog aangemerkt als reëel bedrijf op grond van de bedrijfsvoering van de vorige eigenaar.

2.7.2.    Verweerder heeft het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden en wonen c.a." niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij stelt dat appellant, een hoveniersbedrijf zijnde, een voormalig agrarisch bedrijf heeft aangekocht en zich daar heeft gevestigd. Volgens het provinciale beleid mag alleen gebruik worden gemaakt van de bestaande bedrijfsbebouwing, aangezien het gaat om een niet-agrarisch bedrijf. Tenzij de bestaande bebouwing wordt geamoveerd en de nieuwbouw aanzienlijk geringer van omvang is, wordt geen nieuwbouw toegestaan, aldus verweerder. Voorzover verweerder bekend, is de boomkwekerij een onderdeel van het hoveniersbedrijf en is deze niet aan te merken als een zelfstandig bedrijf waarvoor een zelfstandige beoordeling zou moeten gelden.

2.7.3.    Het door verweerder gehanteerde beleid acht de Afdeling niet onredelijk.

2.7.4.    Appellant exploiteert zowel een hoveniersbedrijf als een boomkwekerij. Blijkens het deskundigenbericht hebben deze twee activiteiten zowel zelfstandig bestaansrecht als ten opzichte van elkaar toegevoegde waarde. Voorts blijkt uit het advies van de Stichting Agrarische beoordelingscommissie, gedateerd 3 april 2003, dat de boomkwekerij op het moment van uitbrengen van het advies nog niet een volwaardig bedrijf was, maar dat deze op basis van het teeltplan zou kunnen uitgroeien tot een volwaardig agrarisch bedrijf zoals bedoeld in het bestemmingsplan. Wat er ook zij van het standpunt van de Stichting Agrarische beoordelingscommissie dat de boomkwekerij destijds nog niet als volwaardig kon worden aangemerkt, niet is gebleken dat het uitgangspunt onjuist is dat deze tot zelfstandig bedrijf zou kunnen uitgroeien. In de besluitvorming van verweerder is hier ten onrechte aan voorbij gegaan.

Voorzover verweerder zich op het standpunt stelt dat voor de boomkwekerij een loods van slechts 500 m² nodig is, hetgeen uit het advies van de Stichting Agrarische beoordelingscommissie zou blijken, en de bouw van een grotere loods mede ten behoeve van het hoveniersbedrijf in strijd is met het provinciale beleid, acht de Afdeling het volgende van belang. De door appellant gewenste loods van 1.000 m² zal worden gebruikt ten behoeve van de boomkwekerij en het hoveniersbedrijf, hetgeen meervoudig ruimtegebruik betekent. Appellant heeft ter zitting bevestigd dat hij tegelijkertijd met de bouw van de loods ongeveer 1.600 m² aan bebouwing op het perceel zal slopen. Gezien de omstandigheid dat bestaande bebouwing wordt geamoveerd en de nieuwbouw geringer is van omvang acht de Afdeling door verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom een loods groter dan in het plan voorzien niettemin in strijd is met het provinciale beleid. Hierbij acht de Afdeling van belang dat ter zitting onweersproken is gesteld, hetgeen ook uit het deskundigenbericht is af te leiden, dat het aanbrengen van een strikte scheiding tussen het hoveniersbedrijf en de boomkwekerij voor appellant in het kader van de bedrijfsvoering een minder inefficiënte situatie oplevert.

2.7.5.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en tevens niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellante sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden en wonen c.a." wat betreft het perceel [locatie 6].

2.8.    Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 3] en [appellante sub 5] dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de beroepen van [appellanten sub 2], alsmede [appellanten sub 4] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 3] en [appellante sub 5] gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 10 februari 2004, 2004-29765, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan:

1. het plandeel met de bestemming "Bedrijven" wat betreft het perceel [locatie 1];

2. het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden en wonen c.a." wat betreft de percelen [locatie 4];

3. het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden en wonen c.a." wat betreft het perceel [locatie 6];

III.    onthoudt goedkeuring aan het onder II.1. genoemde plandeel;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit wat betreft het onder II.1. genoemde plandeel;

V.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 2], en [appellanten sub 4] ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door appellanten in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.411,55; dit bedrag dient door de provincie Noord-Holland als volgt te worden betaald aan:

1. [appellant sub 1] € 687,17, waarvan een bedrag groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

2. [appellante sub 3] € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

3. [appellante sub 5] € 80,38;

VII.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 1], [appellante sub 3] en [appellante sub 5] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 136,00 voor [appellant sub 1] en € 273,00 voor [appellante sub 3] en [appellante sub 5]) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Neuwahl

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005

280-409.