Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS7217

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
200405964/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beuningen (hierna: het college) het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen het gebruik van de op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Beuningen, achter [café] gesitueerde deel voor horeca-activiteiten afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2005/1857
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405964/1.

Datum uitspraak: 23 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Beuningen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 juni 2004 in het geding tussen:

[wederpartijen], h.o.d.n. [café]

en

het college van burgemeester en wethouders van Beuningen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 november 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beuningen (hierna: het college) het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen het gebruik van de op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Beuningen, achter [café] gesitueerde deel voor horeca-activiteiten afgewezen.

Bij besluit van 3 juni 1999 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 oktober 2001 heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt.

Bij besluit van 30 januari 2002 heeft het college het door appellant gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 februari 2003 heeft de rechtbank het hiertegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 oktober 2003 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, deze uitspraak vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 30 januari 2002 vernietigd.

Bij besluit van 7 november 2003 heeft het college het door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 27 november 1999 (lees: 1998) herroepen, het handhavingsverzoek toegewezen en [wederpartijen] onder oplegging van een dwangsom gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de deel voor horeca-activiteiten te staken voor 1 juli 2004.

Bij uitspraak van 7 juni 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd voorzover daarin de begunstigingstermijn is gesteld op 1 juli 2004 en bepaalt dat het college binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt, voor zover de bestreden beslissing is vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Tegen het uitblijven van een nieuw besluit op het bezwaarschrift heeft appellant bij brief, bij de rechtbank ingekomen op 17 september 2004 beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij besluit van 21 oktober 2004 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank van 7 juni 2004, het besluit van 7 november 2003 gewijzigd in die zin dat de begunstigingstermijn is bepaald op 1 maart 2006, en het besluit voor het overige gehandhaafd. Dit besluit is aangehecht.

Bij brief van 30 november 2004, gericht aan de rechtbank, heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld. Deze brief is aangehecht.

Het beroepschrift en de aanvulling daarvan zijn ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling.

Bij brief van 23 november 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2005, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door N.J.A. Arts, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Tevens is [wederpartij] gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    De rechtbank heeft overwogen dat nu ten tijde van het besluit van 7 november 2003 geen concreet zicht op legalisatie bestond en er van een bijzonder geval in andere zin evenmin sprake was, het college niet van handhavend optreden af kon zien.

   Omdat niet blijkt dat het college rekening heeft gehouden met de aard van de bedrijfsvoering, waarbij boekingen lang van tevoren worden gemaakt, de voorgeschiedenis en toezeggingen aan [wederpartijen] stelt de rechtbank vast dat het college de lengte van de begunstigingstermijn ten onrechte niet heeft gemotiveerd.

2.2.    Het geschil in hoger beroep betreft uitsluitend het negatieve oordeel van de rechtbank over de geboden begunstigingstermijn. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

2.3.    Naar het oordeel van de Afdeling behoefde de door het college aan [wederpartijen] geboden begunstigingstermijn van acht maanden geen nadere motivering, gelet op de aard van de bedrijfsvoering, waarbij reserveringen ongeveer een jaar tevoren worden vastgelegd. Er is geen grond voor het oordeel dat deze termijn, gelet op alle omstandigheden, waaronder de belangen van appellant, in redelijkheid niet toereikend was om een einde te maken aan de overtreding. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de [exploitanten] steeds hebben geweten dat het gebruik van de deel voor horeca-activiteiten niet was toegestaan en zich er van bewust moeten zijn geweest dat zij dit gebruik mogelijk zouden moeten staken. De omstandigheid dat het college streeft naar een beperkte vorm van legalisatie doet hieraan niet af. Gelet hierop heeft de rechtbank het besluit van 7 november 2003 ten onrechte vernietigd.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep bij de rechtbank alsnog ongegrond verklaren.

2.5.    Dientengevolge was er, naar thans blijkt, geen plaats voor een nieuwe beslissing op het door appellant ingediende bezwaarschrift. Van het ten onrechte uitblijven van zodanige beslissing was derhalve geen sprake. Het daartegen ingestelde beroep is ongegrond. Het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2004 is gegrond. Dit besluit moet worden vernietigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.7.    Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan appellant wordt terugbetaald.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 juni 2004, AWB 03/2885, voorzover daarbij het besluit van 7 november 2003, voorzover daarin de begunstigingstermijn is gesteld op 1 juli 2004, is vernietigd;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    verklaart het beroep tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar ongegrond;

V.    verklaart het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2004, kenmerk UI04.08125 gegrond;

VI.    vernietigt het onder V genoemde besluit;

VII.    gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde recht (€ 205,00) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005

17-444.