Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS7215

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
200403353/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2004:AO7415
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 augustus 2003 heeft appellant (hierna: het college) aan [aanvrager] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro),  en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een tandarts-praktijkruimte op het perceel plaatselijk bekend [locatie] [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200403353/1.

Datum uitspraak: 23 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 2 april 2004 in het geding tussen:

1.    [wederpartij sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [wederpartijen sub 2], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2003 heeft appellant (hierna: het college) aan [aanvrager] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro),  en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een tandarts-praktijkruimte op het perceel plaatselijk bekend [locatie] [plaats].

Bij besluit van 27 januari 2004 heeft het college de daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd, onder wijziging van de wettelijke grondslag, in zoverre dat vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder a, sub 3, van het Bro.

Bij uitspraak van 2 april 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo (hierna: de voorzieningenrechter) de daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 13 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 mei 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 september 2004 heeft [wederpartij sub 1] een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 6 september hebben [wederpartijen sub 2], een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. H.E.M. Wolsink, ambtenaar van de gemeente Hengelo, is verschenen. Voorts zijn daar verschenen [wederpartij sub 1], bijgestaan door P. Pasveer, gemachtigde, [een der wederpartijen sub 2], bijgestaan door mr. E.D. van Tellingen, advocaat te Apeldoorn, en [aanvrager], bijgestaan door mr. Th.H.W. Juta, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting heeft appellant verklaard dat het hoger beroep uitsluitend nog gericht is tegen de overweging van de rechtbank inzake de reikwijdte van de krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO gegeven vrijstellingsmogelijkheden. Appellant heeft ter zitting alle overige gronden van het hoger beroep ingetrokken.

2.2.    De door appellant bestreden overweging bevat slechts een algemene beschouwing over de betekenis van artikel 19, derde lid, van de WRO binnen het raam van de verschillende vrijstellingsbepalingen die in dit artikel zijn opgenomen. Een bindende aanwijzing omtrent de inhoud van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar is met deze overweging niet gegeven. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het college geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

2.3.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.4.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hengelo in de door [wederpartij sub 1] en [wederpartijen sub 2] in verband met behandeling van hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van totaal € 1288,00; dit bedrag dient door de gemeente Hengelo als volgt te worden betaald: aan [wederpartij sub 1] € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en aan [wederpartijen sub 2] € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart    w.g. Tulmans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005

17-381.