Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS7214

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
200408481/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2004 heeft verweerder het verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van een door Agpro Leiden B.V. geëxploiteerde inrichting aan de Molendijk 81a te Zuid-Beijerland, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/2969
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408481/1.

Datum uitspraak: 23 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Korendijk,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2004 heeft verweerder het verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van een door Agpro Leiden B.V. geëxploiteerde inrichting aan de Molendijk 81a te Zuid-Beijerland, afgewezen.

Bij besluit van 1 september 2004, verzonden op 3 september 2004, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 15 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 november 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2005, waar appellanten in persoon en voorts vertegenwoordigd door mr. K. Ulmer, advocaat te Dordrecht, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door G.J. Nieuwland en J.O. Smit, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en H. van Hal.

2.    Overwegingen

2.1.    In de inrichting, waarvoor verweerder bij besluit van 13 december 1999 krachtens de Wet milieubeheer een oprichtingsvergunning heeft verleend, worden uien gesorteerd en opgeslagen. Bij besluit van 10 september 2002 heeft verweerder vergunning verleend voor het uitbreiden van de inrichting met een cycloon en een nieuwe sorteermachine.

2.2.    Het door appellanten bij brief van 27 februari 2004 gedane verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen heeft betrekking op geluid- en trillinghinder als gevolg van een toename van aan- en afrijdend vrachtwagen- en tractorenverkeer ten opzichte van de in 1999 vergunde situatie.

2.3.    Appellanten betogen dat handhavend optreden is geboden, nu meer voertuigbewegingen van en naar de inrichting plaatsvinden dan is toegestaan op grond van de oprichtingsvergunning uit 1999. Zij verwijzen hiertoe naar het bij de aanvraag om die vergunning behorende geluidrapport waarin het aantal voertuigbewegingen met tractoren en vrachtwagens binnen en buiten de oogstperiode is opgenomen. Nu de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning, is het naar hun mening niet toegestaan van dit aantal af te wijken.

2.3.1.    Niet in geschil is, en ook de Afdeling gaat daarvan uit, dat een groter aantal voertuigbewegingen van en naar de inrichting heeft plaatsgevonden dan vermeld in het geluidrapport, behorende bij de aanvraag om de oprichtingsvergunning. In het dictum van het besluit van 13 december 1999 is bepaald dat de aanvraag deel uitmaakt van de oprichtingsvergunning.

   De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.2.    Verweerder stelt dat onderzoek naar het aantal inrichtingsgebonden voertuigbewegingen van en naar de inrichting heeft uitgewezen dat er maximaal zeven voertuigbewegingen per dag, buiten de oogstperiode, plaatsvinden. Aan de hand van deze gegevens zijn berekeningen uitgevoerd, ten einde vast te stellen of aan de in de oprichtingsvergunning gestelde geluidgrenswaarden wordt voldaan. Op basis van de uitkomsten van deze berekeningen stelt verweerder zich op het standpunt dat de geringe toename van het in de vergunningaanvraag opgegeven aantal voertuigbewegingen niet leidt tot een overschrijding van de geldende geluidgrenswaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning van derden, en dat daardoor in redelijkheid kon worden afgezien van handhavend optreden.

2.3.3.    In het bij de aanvraag om de oprichtingsvergunning behorende geluidrapport van Sonus, gedateerd februari 1999, is het aantal voertuigbewegingen van en naar de inrichting opgenomen, en is mede aan de hand daarvan de geluidproductie van de inrichting berekend. Volgens het geluidrapport bedraagt het equivalente geluidniveau ter plaatse van de dichtst bij de inrichting gelegen woning buiten de oogstperiode, uitgaande van twee voertuigbewegingen, 41 dB(A) in de dagperiode. Dit betekent dat in de aangevraagde en vergunde situatie binnen de door verweerder gestelde norm van 45 dB(A) wordt gebleven.

   Blijkens nadere berekeningen, die verweerder naar aanleiding van het door appellanten ingediende verzoek om handhaving heeft uitgevoerd, houden de voor de inrichting geldende geluidnormen tevens ruimte in, zodanig dat ook bij een aantal van zeven voertuigbewegingen per dag deze normen voor de dichtst bij de inrichting gelegen woning niet worden overschreden. Appellanten hebben aangetoond, noch voldoende aannemelijk gemaakt dat dit aantal voertuigbewegingen dat verweerder bij de berekeningen als uitgangspunt heeft gehanteerd, niet representatief voor de bedrijfsvoering kan worden geacht, dan wel dat de uitkomsten van de berekeningen onjuist zijn.

   Van aantasting van het belang van de bescherming van het milieu kan derhalve bij het genoemde aantal voertuigbewegingen niet worden gesproken. Handhavend optreden is naar het oordeel van de Afdeling onder deze omstandigheden zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat verweerder daarvan in redelijkheid heeft kunnen afzien. Verweerder heeft bij het bestreden besluit zijn besluit tot afwijzing van het verzoek van appellanten dan ook terecht gehandhaafd.

2.4.    Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Toorenburg-Bovenkerk

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005

334.