Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS7204

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
200408836/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van Almere heeft bij besluit van 6 juli 2004 het uitwerkingsplan "2L2JKL/2L8 Tussen de Vaarten" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408836/2.

Datum uitspraak: 14 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting "Stichting Not Two LEight", gevestigd te Almere, en anderen,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Het college van burgemeester en wethouders van Almere heeft bij besluit van 6 juli 2004 het uitwerkingsplan "2L2JKL/2L8 Tussen de Vaarten" vastgesteld.

Bij besluit van 14 september 2004, kenmerk ROV/04.041046/L, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 1 november 2004, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 november 2004. Bij brief van 1 november 2004, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 januari 2005, waar verzoekers in de personen van [verzoekers] en bijgestaan door mr. S. Levelt, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. M.J. Pestel en drs. H.P.M. Laheij, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar namens het college van burgemeester en wethouders S. Post en drs. C.J. Schotman, ambtenaren van de gemeente, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het plan voorziet in een uitwerking van het bestemmingsplan "2L, Tussen de Vaarten" (hierna: het bestemmingsplan) en beoogt onder meer een binnenstedelijk bedrijventerrein in Almere Stad mogelijk te maken.

   Bij het bestreden besluit heeft verweerder het uitwerkingsplan goedgekeurd.

2.3.    Verzoekers stellen dat het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de plandelen met de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden (B)", "Verblijfsgebied (VG)" en "Groendoeleinden" – in de planvoorschriften aangeduid als "Groenvoorzieningen (GR)" – ter plaatse van het beoogde bedrijventerrein, ten onrechte is genomen en verzoeken in zoverre schorsing van het bestreden besluit.

   Hiertoe voeren zij onder meer het volgende aan. Ten onrechte is geen gelegenheid tot inspraak gegeven. Voorts zijn de plandelen ten opzichte van het bestemmingsplan onvoldoende gedetailleerd en om die reden strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel. Verder achten zij de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" in strijd met het bestemmingsplan dat in de beschrijving in hoofdlijnen uitgaat van een bedrijventerrein met een kleinschalig karakter. Het uitwerkingsplan maakt volgens verzoekers te grootschalige ontwikkelingen, zoals een moskee, mogelijk.

2.4.    Verweerder heeft de plandelen niet in strijd met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan of anderszins in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht. Hij stelt zich op het standpunt dat de plankaart en voorschriften van het uitwerkingsplan gedetailleerder zijn dan het bestemmingsplan en dat het uitwerkingsplan op overeenkomstige wijze is gedetailleerd als andere eindbestemmingen voor bedrijfsdoeleinden in plannen elders in de gemeente.

2.5.    Ingevolge artikel 6a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) betrekt het gemeentebestuur, voor zover hier van belang, de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening. De gemeenteraad van Almere heeft een dergelijke verordening vastgesteld waarin een regeling is getroffen voor het doen van beklag over de uitvoering van de verordening.

   Een uitwerkingsplan dient als een ruimtelijk plan in de zin van artikel 6a van de WRO te worden aangemerkt. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het college van burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van het plan geen gelegenheid tot inspraak heeft gegeven. Verzoekers hebben hiertegen geen klacht als bedoeld in de inspraakverordening ingediend. Evenmin zijn zij in hun zienswijze van 2 februari 2004 op het ontwerpplan hierop ingegaan.

   Hoewel in dit geval, omdat de inspraakprocedure niet is gevolgd, bij verzoekers twijfel kon bestaan omtrent de termijn, waarbinnen een klacht kon worden ingediend, is de Voorzitter van oordeel dat het niet indienen van een klacht in dit geval niet verschoonbaar is. Van verzoekers had immers mogen worden verwacht dat zij hun bezwaren omtrent de inspraak bij de eerstvolgende gelegenheid, te weten het inbrengen van een zienswijze op het ontwerpplan, naar voren zouden brengen. Nu zij dit niet hebben gedaan, verwacht de Voorzitter niet dat de Afdeling in de bodemprocedure in dit bezwaar aanleiding zal zien het bestreden besluit in zoverre te vernietigen.

2.5.1.    Aan de plandelen is in het bestemmingsplan de bestemming "Uit te werken Bedrijfsdoeleinden" toegekend met als maximum bouwhoogte 12 meter. De aldus aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 7, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan bestemd voor bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de bij de voorschriften behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten, voor dienstverlening en voor sociaal-maatschappelijke voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, waaronder kunstobjecten, tuinen en erven, verhardingen, waaronder wegen, langzaam verkeersroutes, verblijfsruimte, parkeerplaatsen, speel-, groen- en nutsvoorzieningen en waterpartijen. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan werkt het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Uit te werken Bedrijfsdoeleinden" uit overeenkomstig artikel 11 van de WRO, met inachtneming van de in artikel 3 (beschrijving in hoofdlijnen) van de voorschriften vermelde uitgangspunten, alsmede de in dit artikel gestelde regels en de in artikel 14, tweede lid, genoemde procedure. De in artikel 7, tweede lid, gestelde regels zien op bedrijfsgebouwen, op bouwwerken, geen gebouw zijnde, bij bedrijfsgebouwen en op bebouwing van openbare ruimten.

   De bestemming "Uit te werken Bedrijfsdoeleinden" is op de plankaart van het uitwerkingsplan nader uitgewerkt in de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden (B)", "Verblijfsgebied (VG)" en "Groendoeleinden". Daarbij zijn nadere aanduidingen gegeven onder meer inzake de in acht te nemen bouwgrens en maatvoering, de mogelijkheden voor het verwezenlijken van een speelplek en een nutsvoorziening alsmede de toelaatbaarheid van bedrijfswoningen. In de artikelen 4, 9 en 10 van de voorschriften van het uitwerkingsplan zijn nadere regels gesteld ten aanzien van de vorenbedoelde drie bestemmingen.

   Hoewel de voorschriften van het uitwerkingsplan voor een gedeelte overeenkomen met de te dezer zake relevante voorschriften van het bestemmingsplan, bevat het uitwerkingsplan ook een nadere detaillering. Deze betreft met name de plankaart, maar ook in de voorschriften van het uitwerkingsplan is een dergelijke detaillering neergelegd. De Voorzitter verwacht niet dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat de plandelen zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid om de reden dat aan een verdere detaillering in het uitwerkingsplan in een te beperkte mate gevolg is gegeven.

2.5.2.    Over de ontwikkelingen die ter plaatse van de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" mogelijk worden gemaakt, overweegt de Voorzitter het volgende.

   In de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 3 van de voorschriften van het bestemmingsplan is ten aanzien van het bedrijventerrein onder meer neergelegd dat het terrein een lossere verkaveling zal hebben. Het bedrijventerrein zal gericht zijn op kleinschalige, industriële, ambachtelijke, handels- en dienstverlenende bedrijfsactiviteiten met een lichte bedrijfsvoering. Door de verwijzing in artikel 7, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan naar de beschrijving in hoofdlijnen, zal deze bij de vaststelling en goedkeuring van het uitwerkingsplan moeten worden meegewogen.

   Op de plankaart van het uitwerkingsplan is de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" aan vier bestemmingsvlakken toegekend. Deze vlakken hebben een oppervlakte van ruim 6.000 m² tot bijna 12.000 m². Het bebouwingspercentage bedraagt ingevolge artikel 4, derde lid, onder d, van de voorschriften van het uitwerkingsplan maximaal 60 per bouwperceel. Ingevolge artikel 1 van de voorschriften van het uitwerkingsplan is een bouwperceel een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Op de plankaart zijn in de bestemmingsvlakken geen bouwpercelen ingetekend en evenmin voorziet het uitwerkingsplan in de voorschriften in een maximale oppervlaktemaat voor bouwpercelen op de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)". Niet is gebleken dat de planvoorschriften inzake het bebouwingspercentage, de bouwhoogte en de in acht te nemen zone zonder gebouwen een beperking van de omvang van de bedrijfsbebouwing waarborgen. Het plan staat er derhalve niet aan in de weg dat een bestemmingsvlak als één bouwperceel wordt uitgegeven, waardoor niet uitgesloten is dat grootschalige bedrijfsbebouwing wordt opgericht. Dat in de praktijk kleinere kavels worden uitgegeven, maakt dit niet anders.

   Hetgeen het college van burgemeester en wethouders en verweerder in de stukken en ter zitting hebben gesteld, heeft de Voorzitter er niet van overtuigd dat vorenbedoelde regeling in overeenstemming is te achten met het te dezen van toepassing zijnde gemeentelijke beleid, zoals verwoord in de beschrijving in hoofdlijnen. Voor zover verweerder van mening is dat de mogelijk gemaakte ontwikkelingen als kleinschalig moeten worden aangemerkt, acht de Voorzitter dit standpunt vooralsnog onvoldoende gemotiveerd. In het kader van de behandeling van de hoofdzaak zal dit nader moeten worden uitgezocht. In afwachting daarvan is het niet gewenst dat in het gebied onomkeerbare ontwikkelingen zullen plaatsvinden. De Voorzitter ziet aanleiding ten aanzien van de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" - met uitzondering van een gedeelte waarop hij hierna zal ingaan - een voorlopige voorziening te treffen, zoals hierna in de beslissing is aangegeven. Hij ziet gelet hierop geen aanleiding in te gaan op de overige door verzoekers op dit punt ingediende bezwaren.

   De bouw van een moskee op de voorziene plaats in het plangebied acht de Voorzitter niet op voorhand een ontwikkeling die als niet passend binnen het plangebied en daarmee het begrip kleinschaligheid overstijgend is aan te merken. Het betreft een gebouw met een oppervlakte van ongeveer 660 m² op een kavel van ongeveer 3.500 m² op de noordwestelijke hoek van het plangebied. Wat betreft de kavelomvang acht de Voorzitter van belang dat langs een groot gedeelte van deze kavel over een breedte van 11 meter geen gebouwen mogen worden gebouwd. Bij de moskee zijn voorts ongeveer 100 parkeerplaatsen voorzien. Niet is gebleken dat dit aantal parkeerplaatsen op reguliere dagen niet volstaat met het oog op het aantal bezoekers. In de omstandigheid dat enkele keren per jaar een bijeenkomst met enkele honderden bezoekers zal worden georganiseerd, ziet de Voorzitter onvoldoende reden de planregeling op dit punt ontoereikend te achten. Hij acht niet aannemelijk gemaakt dat, gelet op de parkeergelegenheid op eigen terrein en op het bedrijventerrein, met een ernstige vorm van parkeeroverlast in de omgeving van het bedrijventerrein rekening moet worden gehouden. Gelet hierop, mede gezien het grote maatschappelijke belang dat is betrokken bij de bouw van de moskee, is de Voorzitter van oordeel dat de hiervoor bedoelde voorlopige voorziening zich niet dient uit te strekken tot het gedeelte van het plan met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" waar de moskee met bijbehorende gronden is voorzien. Voor zover het dit gedeelte van het plan betreft, wijst de Voorzitter het verzoek derhalve af.

2.5.3.    Wat de plandelen met de bestemmingen "Verblijfsgebied (VG)" en "Groendoeleinden" betreft verwacht de Voorzitter niet dat de Afdeling in de bodemprocedure in de overige door verzoekers ingediende bezwaren aanleiding zal zien de goedkeuring van deze plandelen te vernietigen. Ook in zoverre wijst hij het verzoek derhalve af.

2.6.    Verzoekers stellen voorts dat verweerder artikel 4, eerste lid, onder e, van de voorschriften van het uitwerkingsplan ten onrechte heeft goedgekeurd, aangezien dit planvoorschrift in strijd met artikel 3, eerste lid, onder c en i, van de voorschriften van het bestemmingsplan detailhandel mogelijk maakt.

2.7.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan op dit punt in strijd met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan of anderszins in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het planvoorschrift in zoverre goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat het college heeft gehandeld in overeenstemming met het gemeentelijke beleid en dat het karakter van het bedrijventerrein niet veranderd wordt door het toelaten van productiegebonden detailhandel.

2.8.    In artikel 4, eerste lid, onder e, van de voorschriften van het uitwerkingsplan is voor de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" bepaald dat detailhandel niet is toegestaan behoudens productiegebonden, aan de bedrijfsvoering ondergeschikte detailhandel.

   Zoals in artikel 7, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan is bepaald, werkt het college van burgemeester en wethouders de in het eerste lid omschreven bestemming "Uit te werken Bedrijfsdoeleinden" uit overeenkomstig artikel 11 van de WRO met inachtneming van de in artikel 3 (beschrijving in hoofdlijnen) vermelde uitgangspunten.

   In artikel 3, eerste lid, onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan is onder meer bepaald dat het binnenstedelijke bedrijventerrein gericht zal zijn op kleinschalige, industriële, ambachtelijke, handels- en dienstverlenende bedrijfsactiviteiten met een lichte bedrijfsvoering en dat horeca en detailhandel op dit bedrijventerrein zijn uitgesloten. Ook in artikel 3, eerste lid, onder i, is bepaald dat horeca en detailhandel op dit bedrijventerrein niet zijn toegestaan.

   Het toestaan van productiegebonden, aan de bedrijfsvoering ondergeschikte detailhandel in artikel 4, eerste lid, onder e, van de voorschriften van het uitwerkingsplan kan niet met de beschrijving in hoofdlijnen in overeenstemming worden geacht. Dat het gemeentelijke beleid op dit punt wellicht ruimere mogelijkheden biedt, kan hier niet aan afdoen. De Voorzitter verwacht om die reden dat de Afdeling in de bodemprocedure de zinsnede "behoudens productiegebonden, aan de bedrijfsvoering ondergeschikte detailhandel" in artikel 4, eerste lid, onder e, van de voorschriften van het uitwerkingsplan in strijd met artikel 11 van de WRO zal achten. Hij ziet aanleiding het bestreden besluit voor zover het deze zinsnede betreft, te schorsen.

2.9.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Flevoland van 14 september 2004, kenmerk ROV/04.041046/L, voor zover het betreft:

a. de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)", zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaarten no's 1 en 2;

b. de zinsnede "behoudens productiegebonden, aan de bedrijfsvoering ondergeschikte detailhandel" in artikel 4, eerste lid, onder e, van de planvoorschriften;

II.    wijst het verzoek voor het overige af;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Flevoland in de door verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Flevoland te worden betaald aan verzoekers;

IV.    gelast dat de provincie Flevoland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Bechinka

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2005

371.