Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS7202

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
200410588/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2004, kenmerk NL 112232, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van [verzoeker sub 1] om 70.000.000 kg teerhoudend asfaltgranulaat op grond van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening) uit te voeren naar Duitsland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/693
JAF 2005/16 met annotatie van Van der Meijden
OGR-Updates.nl 1000897
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200410588/1.

Datum uitspraak: 14 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker sub 1], gevestigd te [plaats], en de rechtspersoon naar Duits recht "AVG Baustoffe Goch GmbH", gevestigd te Goch (Duitsland),

verzoeksters,

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2004, kenmerk NL 112232, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van [verzoeker sub 1] om 70.000.000 kg teerhoudend asfaltgranulaat op grond van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening) uit te voeren naar Duitsland.

Tegen dit besluit hebben verzoeksters bezwaar gemaakt.

Bij brief van 24 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hebben verzoeksters de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 februari 2005, waar verzoeksters, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. B.J.M. Veldhoven, advocaat te Den Haag, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.G. Welschen, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    [verzoeker sub 1] heeft kennisgeving gedaan voornemens te zijn van 1 december 2004 tot en met 30 november 2005 70.000.000 kg teerhoudend asfaltgranulaat over te brengen naar de rechtspersoon naar Duits recht "AVG Baustoffe Goch GmbH" (hierna: AVG Baustoffe) in Duitsland. De verwerkingswijze van deze afvalstoffen is op het kennisgevingsformulier met kenmerk NL 112232 aangemerkt als een handeling van nuttige toepassing als bedoeld in de bij de Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG, behorende bijlage IIB, categorie R5 (recycling/terugwinning van andere anorganische stoffen).

   Blijkens de stukken wordt het teerhoudend asfaltgranulaat bij AVG Baustoffe ingezet voor de productie van Hydraulisch Gebundenen Tragschicht (hierna: HGT) dat het meest wordt gebruikt als ondervloer van hallen of als fundering. In het productieproces van HGT worden de in het asfalt aanwezige PAK's, blijkens de stukken, geïmmobiliseerd.

2.2.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van artikel 7, vierde lid, onder a, eerste gedachtestreepje van de Verordening bezwaar gemaakt tegen de onderhavige overbrenging omdat de wijze waarop het teerhoudend asfaltgranulaat in Duitsland nuttig wordt toegepast volgens hem niet in overeenstemming is met de voor deze afvalstoffen in sectorplan 13 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2002-2012 (hierna: het LAP) opgenomen minimumstandaard.

2.3.    Verzoeksters hebben betoogd dat verweerder ten onrechte bezwaar heeft gemaakt met een beroep op de Nederlandse minimumstandaard. Zij hebben daartoe in hoofdzaak aangevoerd dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16 december 2004 in de zaak C-277/02 blijkt dat een bevoegde autoriteit van verzending weliswaar met een beroep op een nationale minimumstandaard bezwaar mag maken tegen de overbrenging van afvalstoffen ter nuttige toepassing, maar dat daaraan door het Hof strenge voorwaarden zijn verbonden en dat in het onderhavige geval niet aan deze voorwaarden is voldaan. Zo is door verweerder geenszins aannemelijk gemaakt dat verwerking volgens de Nederlandse minimumstandaard beter geschikt is om de risico's voor mens en milieu, voorzover deze er al zouden zijn, te voorkomen dan de door AVG Baustoffe in Duitsland toegepaste verwerkingsmethode, aldus verzoeksters. Volgens verzoeksters is de wijze waarop verweerder de nationale minimumstandaard heeft toegepast in strijd met het gemeenschapsrecht.

2.4.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de wijze waarop de afvalstoffen in Duitsland nuttig worden toegepast zich niet verdraagt met de Nederlandse minimumstandaard, zoals deze is opgenomen in paragraaf 4.7.2 van sectorplan 13 van het LAP, omdat de in het asfalt aanwezige PAK's in Duitsland, voorafgaand aan de nuttige toepassing, niet worden vernietigd maar slechts worden geïmmobiliseerd. Uitgangspunt van het beleid van verweerder is dat PAK's, vanwege de risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu, uit de keten worden verwijderd. Bij immobilisatie, zoals dat in dit geval in Duitsland gebeurt, blijven de PAK's in de keten aanwezig zodat deze op den duur weer vrij kunnen komen, bijvoorbeeld bij het slopen van de vloeren of funderingen waarin het HGT is toegepast, en de risico's voor mens en milieu niet zijn opgeheven. Volgens verweerder is in dit geval voldaan aan de criteria die door het Hof in het door verzoeksters genoemde arrest zijn vermeld.

2.5.    Het Hof heeft in het door verzoeksters genoemde arrest voor recht verklaard dat artikel 7, vierde lid, onder a, eerste gedachtestreepje, van de Verordening aldus moet worden uitgelegd dat de bezwaren die de bevoegde autoriteiten van verzending en bestemming tegen een overbrenging van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen kunnen maken, gebaseerd kunnen zijn op overwegingen die niet enkel verband houden met het vervoer zelf van de afvalstoffen over het onder elke bevoegde autoriteit ressorterende grondgebied, maar ook met de in verband met deze overbrenging beoogde nuttige toepassing. Voorts is door het Hof in het arrest voor recht verklaard dat artikel 7, vierde lid, onder a, eerste gedachtestreepje, van de Verordening aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van verzending, bij de beoordeling van de effecten van de voorgenomen nuttige toepassing op de plaats van bestemming voor de gezondheid van de mens en het milieu, ook dan de criteria die ter voorkoming van een dergelijk gevaar of dergelijke nadelige gevolgen in de lidstaat van verzending voor de nuttige toepassing van de afvalstoffen gelden, mag hanteren om zich tegen de overbrenging van afvalstoffen te verzetten, wanneer deze criteria strenger zijn dan die welke in de lidstaat van bestemming gelden. In de aan deze verklaringen door het Hof ten grondslag gelegde overwegingen is vermeld dat, aangezien de gemeenschapswetgever heeft gewild dat de voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen met het oog op verwerking vrij tussen de lidstaten moeten kunnen circuleren teneinde er te kunnen worden verwerkt, de bevoegde autoriteit van verzending enkel rechtsgeldig bezwaar tegen een overbrenging op grond van zijn nationale normen voor nuttige toepassing kan maken voorzover deze, met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel, geschikt zijn om de nagestreefde doelen, het voorkomen van gevaar voor de menselijke gezondheid en het milieu, te verwezenlijken en niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is om die doelstellingen te bereiken. Voorts is door het Hof overwogen dat de risico's in dit verband niet worden beoordeeld op basis van algemene overwegingen, doch op basis van relevant wetenschappelijk onderzoek. Het feit dat in een lidstaat minder strikte bepalingen gelden dan in een andere lidstaat, betekent op zich niet dat de in laatstbedoelde lidstaat geldende bepalingen onevenredig en derhalve onverenigbaar met het gemeenschapsrecht zijn. Het is volgens het Hof aan de nationale rechter waarbij tegen het door de bevoegde autoriteit van verzending gemaakte bezwaar beroep is ingesteld om te beoordelen of de nationale normen zijn toegepast op een wijze die strijdig is met het evenredigheidsbeginsel.

2.6.    Ter zitting is gebleken dat de terzake bevoegde autoriteit in Duitsland, de autoriteit van bestemming, inmiddels toestemming heeft gegeven voor de voorgenomen overbrenging van het teerhoudend asfaltgranulaat naar AVG Baustoffe. Niet in geschil is dat de in Duitsland voor de nuttige toepassing van teerhoudend asfaltgranulaat geldende normen, die toelaten dat de afvalstoffen nuttig worden toegepast zonder dat de daarin aanwezige PAK's eerst worden vernietigd, minder strikt zijn dan de door verweerder ingeroepen Nederlandse minimumstandaard die inhoudt dat de in het teerhoudend asfaltgranulaat aanwezige PAK's, voorafgaand aan de nuttige toepassing, worden vernietigd. De Voorzitter overweegt dat dit, gelet op de overwegingen in het arrest van het Hof, op zich nog niet betekent dat de door verweerder ingeroepen minimumstandaard onevenredig en derhalve onverenigbaar met het gemeenschapsrecht is. Voorts overweegt de Voorzitter dat door verweerder echter vooralsnog geen relevant wetenschappelijk onderzoek is gepresenteerd waaruit blijkt dat de nationale minimumstandaard, ervan uitgaande dat deze geschikt is om de nagestreefde doelen, het voorkomen van gevaar voor de menselijke gezondheid en het milieu, te verwezenlijken, niet verder gaat dan hetgeen noodzakelijk is om die doelstellingen te bereiken. Door verweerder zal bij het nemen van een beslissing op het door verzoeksters tegen het bestreden besluit gemaakte bezwaar derhalve alsnog relevant wetenschappelijk onderzoek moeten worden betrokken waaruit dit blijkt.

2.7.    De Voorzitter overweegt dat de onderhavige procedure zich niet leent voor de beoordeling van de vraag of de door verweerder ingeroepen nationale normen zijn toegepast op een wijze die strijdig is het gemeenschapsrechtelijke evenredigheidsbeginsel. De Voorzitter ziet evenwel, mede gelet op de betrokken belangen bij het kunnen uitvoeren van de voorgenomen overbrenging en op de omstandigheid dat de in de afvalstoffen aanwezige PAK's in Duitsland, blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, worden geïmmobiliseerd en in zoverre niet is gebleken van zwaarwegende omstandigheden die zich tegen de voorgenomen overbrenging verzetten, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen, welke strekt tot schorsing van het bestreden besluit. Dit betekent dat er in zoverre geen beletsel is voor de uitvoer van de onderhavige afvalstoffen overeenkomstig het kennisgevingsformulier.

   Bij zijn afweging is door de Voorzitter onder meer het volgende betrokken. Het algemeen belang, zoals dat door verweerder ten grondslag is gelegd aan zijn beleid, dat PAK's vanwege de risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu uit de keten worden verwijderd, wordt door de Voorzitter terdege ingezien. Hij constateert echter ook dat, blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, verweerder ten aanzien van andere afvalstoffen, zoals verontreinigde grond en baggerspecie, anders dan voor teerhoudend asfaltgranulaat, niet meer vereist dat de in die afvalstoffen aanwezige PAK's voorafgaand aan de nuttige toepassing worden vernietigd, en dat immobilisatie daar afdoende wordt geacht.    

2.8.     Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 december 2004, kenmerk NL 112232, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II.    veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door verzoeksters in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) te worden betaald aan verzoeksters;

III.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan verzoeksters het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. De Vink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2005

154-431.