Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS7201

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
200409861/1 en 200409861/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2004, kenmerk Nr.: 6207/2003, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellant om met toepassing van artikel 8.23, tweede lid, van de Wet milieubeheer de aan [vergunninghouder] op 20 augustus 1999 krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning voor een varkenshouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], te wijzigen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2005/18 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409861/1 en 200409861/2.

Datum uitspraak: 16 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2004, kenmerk Nr.: 6207/2003, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellant om met toepassing van artikel 8.23, tweede lid, van de Wet milieubeheer de aan [vergunninghouder] op 20 augustus 1999 krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning voor een varkenshouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], te wijzigen.

Bij besluit met het kenmerk 4771, verzonden op 1 november 2004, heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 2 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2004, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. ing. N.M. Heemskerk en J.F. Rings, gemachtigden, zijn verschenen.

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat verweerder vanwege de in de inrichting aanwezige en vergunde brijvoerinstallatie niet het bevoegde gezag is om op het verzoek om toepassing van artikel 8.23, tweede lid, van de Wet milieubeheer te beslissen, dat verweerder bij de totstandkoming van het besluit van 28 april 2004 ten onrechte paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht niet heeft toegepast en dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet tot wijziging van de ten behoeve van de inrichting verleende vergunning overgaat. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn besluit van 28 april 2004 gehandhaafd.

2.2.    Ten aanzien van de vraag of verweerder het ten aanzien van de onderhavige inrichting bevoegde gezag is om een besluit op het verzoek van appellant te nemen merkt de Voorzitter het volgende op.

2.2.1.    Appellant heeft zijn aan het besluit van 28 april 2004 ten grondslag liggende verzoek gericht aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland. Bij brief van 16 december 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland genoemd verzoek ter behandeling doorgezonden aan verweerder omdat hij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2000, no. 199902663, van mening is dat verweerder het voor de onderhavige inrichting bevoegde gezag is.

2.2.2.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de inrichting een brijvoerinstallatie aanwezig is en dat als grondstof voor de productie van brijvoer onder andere uitval van de voedingsmiddelenindustrie wordt gebruikt. Deze bijproducten zijn van buiten de inrichting afkomstig. Onder verwijzing naar de jurisprudentie over het begrip "afvalstof" en de betekenis van het "zich ontdoen van" in de zin van de Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG, van de Raad van de Europese Gemeenschappen, onder meer de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2003 inzake 200203938/1, merkt de Voorzitter op dat niet uitgesloten is dat de in de onderhavige brijvoerinstallatie gebruikte bijproducten als residuen van productieprocessen in de voedingsmiddelenindustrie zijn aan te merken en als zodanig vallen onder categorie Q8 van bijlage I van de Richtlijn. In het geval niet is beoogd deze bijproducten te produceren als veevoeder, waarover van de zijde van verweerder ter zitting geen duidelijkheid kon worden verschaft, moet worden geoordeeld dat de leveranciers van deze bijproducten zich van deze producten ontdoen of moeten ontdoen, in de zin van artikel 1, onder a, van de Richtlijn en dat de bijproducten daarom zijn aan te merken als een afvalstof. Voorzover de onderhavige inrichting in dat geval tevens over de capaciteit beschikt om meer dan 50 m³ van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, welke niet genoemd zijn in categorie 28.4, onder a, sub 1 tot en met 5, van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, op te slaan en vervolgens te mengen en thermisch te behandelen, volgt uit artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 3.1 en categorie 28.4 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland en niet verweerder het ten aanzien van de onderhavige inrichting bevoegde gezag is. In dat geval dient ook door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op het aan het besluit van 28 april 2004 ten grondslag liggende verzoek van appellant te worden beslist. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2000, no. 199902663, is in dit opzicht niet (langer) relevant. Het besluit van 28 april 2004, dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, is in dit opzicht in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet zorgvuldig voorbereid.

2.3.    Afgezien van het vorenstaande overweegt de Voorzitter met betrekking tot de totstandkoming van het besluit van 28 april 2004 nog het volgende.

   Ingevolge artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu.

   Ingevolge artikel 8.23, het tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een ieder, met uitzondering van de vergunninghouder, het bevoegd gezag verzoeken een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu met toepassing van het eerste lid te wijzigen.

   Ingevolge artikel 8.23, vierde lid, van de Wet milieubeheer is met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

   Paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht ziet op besluiten tot wijziging of intrekking van besluiten.

2.3.1.    Het besluit van 28 april 2004 is niet voorafgegaan door het opstellen van een ontwerpbesluit, zoals in artikel 3:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald. Evenmin heeft een bedenkingenprocedure van artikel 3:32 van de Algemene wet bestuursrecht plaatsgevonden. Het besluit van 28 april 2004 is derhalve, in strijd met artikel 8:23, vierde lid, van de Wet milieubeheer, niet voorbereid met toepassing van paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.    De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.5.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het primaire besluit van 28 april 2004 moet worden herroepen. De Voorzitter zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle met het kenmerk 4771, verzonden op 1 november 2004;

III.    herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle van 28 april 2004, kenmerk Nr.: 6207/2003;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle te worden betaald aan appellant;

VII.    gelast dat de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het verzoek betaalde griffierecht (€ 272,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Plambeck

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005

159.