Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS7200

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
200401481/1 en 200401481/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2003, kenmerk MW01.13151, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rhenoy Autodemontage B.V." (hierna: Rhenoy B.V.) een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer de opslag en demontage van autowrakken op de percelen Dorpsstraat 2 en 10 te Rhenoy. Dit besluit is op 9 januari 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 1000875
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401481/1 en 200401481/2.

Datum uitspraak: 16 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2003, kenmerk MW01.13151, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rhenoy Autodemontage B.V." (hierna: Rhenoy B.V.) een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer de opslag en demontage van autowrakken op de percelen Dorpsstraat 2 en 10 te Rhenoy. Dit besluit is op 9 januari 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 17 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 17 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2004, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 maart 2004, waar appellante in persoon en bijgestaan door mr. F. van der Brug, advocaat te Utrecht, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.W. Verheijen, R.J. Baars en A. Wensink, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is Rhenoy B.V., vertegenwoordigd door N.W.J. van Kessel, gemachtigde, daar als partij gehoord.

Op verzoek van partijen heeft de Voorzitter de zaak aangehouden. Vervolgens is het verzoek behandeld in een nadere zitting op 3 februari 2005, waar appellante in persoon en bijgestaan door mr. F. van der Brug, advocaat te Utrecht, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.W. Verheijen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], daar als partij gehoord.

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    Verweerder heeft ter zitting gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voorzover dat zich keert tegen een aantal niet-vergunde activiteiten, de verkeersbewegingen van de aan- en afvoer van auto's en wrakken binnen de inrichting, het gebruik van het voorterrein, de gevelreflectie, de takelwagen, de voorschriften D.4 en D.5 en de gestelde termijn waarvoor vergunning is verleend.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Anders dan verweerder heeft gesteld vinden de gronden inzake de niet-vergunde activiteiten, de verkeersbewegingen van de aan- en afvoer van auto's en wrakken binnen de inrichting, het gebruik van het voorterrein, de gevelreflectie, de takelwagen en de voorschriften D.4 en D.5 gronden wel hun grondslag in de bedenkingen waarin immers is aangevoerd dat appellante vreest voor geluidhinder ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting. Het beroep is daarom in zoverre ontvankelijk.

   Appellante heeft de grond inzake de gestelde termijn waarvoor vergunning is verleend niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.2.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is de inrichting per 1 oktober 2004 verplaatst naar een industrieterrein te Waardenburg. Rhenoy B.V. heeft verweerder op 2 september 2004 verzocht het bestreden besluit in te trekken. Verweerder heeft na 1 oktober 2004 [partij] eigenares van het perceel, aangemerkt als nieuwe vergunninghoudster van rechtswege. [partij] heeft bij brief van 3 november 2004 het intrekkingsverzoek ingetrokken.

2.2.1.    Ingevolge artikel 8.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, geldt een voor een inrichting verleende vergunning voor ieder die de inrichting drijft.

   Vaststaat dat per 1 oktober 2004 de exploitatie van het autodemontagebedrijf definitief is beëindigd, waarna de huurovereenkomst tussen de voormalige vergunninghoudster en [partij] ook is beëindigd. Blijkens het verhandelde ter zitting zullen in de toekomst woningen worden gebouwd op het terrein. Indien de geplande woningbouw op zich laat wachten wenst [partij] het perceel eventueel weer te verhuren aan een derde die ter plaatse een gelijksoortige inrichting als de onderhavige zou kunnen exploiteren. Na het vertrek van Rhenoy B.V. is de inrichting noch door [partij], noch door derden geëxploiteerd. De omstandigheid dat het perceel eigendom is van [partij] brengt niet met zich dat zij als drijver van de inrichting in de zin van artikel 8.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer en derhalve als vergunninghoudster kan worden beschouwd omdat zij aldus geen actieve bijdrage aan de feitelijke bedrijfsvoering van de inrichting levert. [partij] kan dan ook niet als rechtsopvolger van Rhenoy B.V. worden aangemerkt. Zolang het bestreden besluit niet is ingetrokken heeft appellante belang bij een oordeel over de rechtmatigheid van dit besluit, zodat de Voorzitter aanleiding ziet om het bestreden besluit inhoudelijk te beoordelen.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.    Appellante stelt geluidhinder te ondervinden vanwege het in werking zijn van de inrichting. Zij betwijfelt of de gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd en bestrijdt de uitgangspunten en de uitkomsten van de bij de aanvraag behorende akoestische onderzoeken van Adviesburo Van der Boom. Zij voert hiertoe aan dat een aantal met name genoemde activiteiten, waaronder het zagen van autowrakken, het slaan of hakken met een moker op autowrakken en de geluidbelasting vanwege aan- en afvoer van auto's en wrakken op het terrein van de inrichting, ten onrechte niet in het onderzoek zijn betrokken. Voorts is in het akoestisch onderzoek volgens haar geen rekening gehouden met de activiteiten op het voorterrein en de activiteiten ten behoeve van de handel in en reparatie van auto's. Tot slot is ten onrechte geen rekening gehouden met de effecten van gevelreflectie, aldus appellante.

2.4.1.    Verweerder heeft zich bij het stellen van de geluidgrenswaarden gebaseerd op de bij de aanvraag behorende geluidrapporten van onder meer 17 september 2002, 25 november 2002 en 7 augustus 2003 van Adviesburo Van der Boom.

2.4.2.    De akoestische onderzoeken zijn uitgevoerd met gebruikmaking van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding). In de Handleiding wordt geadviseerd uit te gaan van het invallend geluidniveau bij de beoordeling van het geluid afkomstig van inrichtingen. Verweerder heeft de gevelreflectie dan ook terecht buiten beschouwing gelaten.

   In de aanvraag wordt melding gemaakt van de oprichting van een nieuwe demontage- en opslaghal en een kantoor. In verband met de toekomstige verplaatsing achtte verweerder het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet redelijk om van vergunninghoudster te vergen dat zij de geplande nieuwbouw direct zou realiseren. In de geluidrapporten wordt geconcludeerd dat de inrichting zowel in de bestaande situatie als na oprichting van de nieuwbouw kan voldoen aan de gestelde geluidgrenswaarden.

2.4.3.    De activiteiten die binnen bedrijfsgebouwen plaatsvinden, waaronder het zagen van autowrakken, het doorbranden van staal en het uitvoeren van reparatiewerkzaamheden, zijn blijkens de geluidrapporten niet in het akoestisch onderzoek betrokken. Vanwege de aard van deze activiteiten acht de Afdeling het niet aannemelijk dat de geluidimmissie vanwege deze activiteiten dusdanig gering is, dat het niet nodig was om hier onderzoek naar te doen. Uit het geluidrapport van 25 juni 2002 blijkt dat het hakken van autowrakken ofwel in een bedrijfsgebouw, ofwel in het geheel niet plaatsvindt. Deze activiteit is daarom niet in het onderzoek betrokken. Uit het geluidrapport van 7 augustus 2003 blijkt echter dat de hakwerkzaamheden zowel in de huidige als in de toekomstige situatie buiten plaatsvinden. In zoverre is onduidelijk welke van de twee rapporten de representatieve bedrijfssituatie weergeeft. Voorts vinden blijkens het verhandelde ter zitting activiteiten op het voorterrein van de inrichting plaats die niet zijn betrokken in de akoestische onderzoeken, waaronder het rijden en laden en lossen van vrachtwagens met autowrakken. Deze activiteiten zijn niet aangevraagd, noch vergund. Aangezien deze activiteiten noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van het bedrijf, kan in dit geval niet geoordeeld worden dat het ontplooien van niet-vergunde activiteiten een kwestie van handhaving is. De Afdeling is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de uitgevoerde akoestische onderzoeken niet representatief zijn voor de onderhavige inrichting. In verband daarmee is onzeker of de gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd. Het beroep treft in zoverre doel.

2.5.    De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.6.    Het beroep is, voorzover ontvankelijk, gegrond. Nu in dit geval het geluidsaspect bepalend is voor het antwoord op de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het gehele bestreden besluit te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.7.    Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Gezien de uitkomst van dit geding ziet de Voorzitter wel aanleiding de provincie Gelderland te gelasten ook het griffierecht te vergoeden dat appellante in verband met het verzoek heeft betaald.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het verzoek van appellante om verweerder te veroordelen in de kosten voor het meebrengen van een deskundige, overweegt de Voorzitter dat niet is gebleken dat een deskundige is meegebracht of opgeroepen.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond inzake de gestelde termijn waarvoor vergunning is verleend betreft;

II.    verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van 9 december 2003, MW01.13151;

IV.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1580,87, waarvan een gedeelte groot € 1127,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellante;

VI.    gelast dat de provincie Gelderland aan appellante het door haar voor de behandeling van het verzoek en het beroep betaalde griffierecht (in totaal € 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Fransen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005

407.