Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS6236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
200401871/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland (hierna: het college) aan appellant vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor de uitbreiding van de woning [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401871/1.

Datum uitspraak: 16 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 22 januari 2004 in het geding tussen:

[derde belanghebbende], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland (hierna: het college) aan appellant vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor de uitbreiding van de woning [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 januari 2004, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door [derde-belanghebbende] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 4 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 april 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Op 28 april 2004 is een reactie van de derde-belanghebbende ontvangen.

Bij brief van 28 mei 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.T. Pel, advocaat te Hattem, en het college, vertegenwoordigd door K. Stoppels, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is gehoord de derde-belanghebbende, vertegenwoordigd door F.J. van der Woude, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant heeft zijn hoger beroep beperkt tot het oordeel van de rechtbank omtrent de ontvankelijkheid van de derde-belanghebbende.

Appellant is van mening dat de derde-belanghebbende het griffierecht heeft voldaan buiten de gestelde termijn en derhalve gelet op het imperatieve karakter van artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk had dienen te worden verklaard in zijn beroep. Voorts heeft appellant gesteld dat de werkwijze van de rechtbank zich niet verdraagt met laatstgenoemd artikel.

2.2.    Ingevolge artikel 8:41, eerste lid, van de Awb, voorzover hier van belang, wordt van de indiener van een beroepschrift door de griffier een griffierecht geheven.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wijst de griffier de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigd bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.

2.3.    Vaststaat dat de mededeling als bedoeld in het tweede lid van artikel 8:41  overeenkomstig artikel 8:37, tweede lid, van de Awb per gewone brief gedateerd 8 november 2002 is verzonden naar de gemachtigde van de derde-belanghebbende.

Hierbij is deze erop gewezen dat, indien binnen vier weken na dagtekening van dit schrijven het verschuldigde bedrag niet is bijgeschreven of gestort, het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Voorts blijkt uit de stukken dat de gemachtigde van de derde-belanghebbende bij aangetekend verzonden brief gedateerd 11 december 2002, conform het bestendig gevoerd beleid van de rechtbank, nogmaals is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht.

Vaststaat dat het verschuldigde bedrag eerst op 17 december 2002 is bijgeschreven op de bankrekening van de rechtbank Zwolle en derhalve niet binnen de bij brief van 8 november 2002 gestelde termijn.

2.4.    De Afdeling is van oordeel dat in dit geval redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.

Hiertoe wordt overwogen dat volgens bestendig gevoerd beleid van de rechtbank de indiener, zo nodig, een tweede maal op de verschuldigdheid van het griffierecht wordt gewezen indien betaling van het griffierecht naar aanleiding van de eerste brief achterwege is gebleven. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de derde-belanghebbende er, gelet op dit beleid, ook in dit geval op mogen vertrouwen dat hem, ondanks de termijnstelling in de brief van 8 november 2002, een tweede termijn zou worden gegund waarbinnen het griffierecht diende te worden voldaan.

2.5.    De rechtbank heeft dan ook terecht, zij het niet op geheel juiste gronden, geen aanleiding gevonden om het beroep van de derde-belanghebbende niet-ontvankelijk te verklaren.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, waarop zij berust, te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005

328.