Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS6232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
200406752/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2000 heeft de gemeenteraad van Vianen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 april 2000, het bestemmingsplan “Gaasperwaard” vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 27
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/770
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406752/1.

Datum uitspraak: 16 februari 2005.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2000 heeft de gemeenteraad van Vianen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 april 2000, het bestemmingsplan “Gaasperwaard” vastgesteld.

Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland heeft bij zijn besluit van 5 december 2000, kenmerk DRGG/ARB/00/5193A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 17 april 2002, no. 200100411/1, dat besluit vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 1 juni 2004, no. 2004reg001150i, beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 21 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door ing. G.J. Jaspers, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Vianen, vertegenwoordigd door P.F.M. Jansen en A.W. Schilt, ambtenaren van de gemeente. Appellant is met kennisgeving niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2.    De beroepsgrond, gericht tegen de in artikel 3, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften, neergelegde mogelijkheid tot de bouw van bedrijfswoningen in het plangebied, steunt niet op een bij verweerder ingebrachte bedenking.

In het stelsel, neergelegd in artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna te noemen: WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking.

Dit is slechts anders voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake bedenkingen in te brengen. Deze uitzonderingen doen zich hier niet voor.

Het beroep is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

   Het betoog van de gemeenteraad en verweerder dat een deel van hetgeen appellant overigens in beroep heeft aangevoerd eveneens niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat hij die bezwaren niet als bedenkingen naar voren heeft gebracht, faalt. In zijn bedenkingen heeft appellant het plan in zijn geheel bestreden en bedoelde bezwaren kunnen als nadere argumenten daarvoor worden beschouwd. Deze bezwaren vinden derhalve hun grondslag in de door appellant bij het college van gedeputeerde staten ingediende bedenkingen. Het beroep is in zoverre dan ook ontvankelijk.

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.4.    Met het plan wordt beoogd de ontwikkeling van bedrijventerrein Gaasperwaard mogelijk te maken. Het plangebied ligt aan de oostzijde van Rijksweg A27 en moet met name ruimte bieden aan elders uit te plaatsen locale en subregionale milieuhinderlijke en transport- en distributiebedrijven. Verweerder heeft het plan goedgekeurd met uitzondering van de plandelen met de bestemmingen “Bedrijventerrein”, “Verkeersdoeleinden” en “Groen/Water”, voorzover deze liggen in een zone van 157 meter ten noorden van de Biezenweg.

2.5.    Appellant voert allereerst aan dat het plan, zoals dat nu is goedgekeurd, dermate verschilt van het omvangrijker plan zoals dat oorspronkelijk in procedure is gebracht, dat in het kader van de te betrachten zorgvuldigheid opnieuw die procedure had moeten worden doorlopen en verweerder daarom niet tot goedkeuring van het plan had mogen besluiten.

2.5.1.    De Afdeling overweegt dat de wettelijke procedure, met inbegrip van de inspraak, slechts dan opnieuw dient te worden doorlopen indien de afwijkingen van het oorspronkelijke plan naar aard en omvang zodanig groot zijn dat sprake is van een wezenlijk ander plan. Gelet op de stukken heeft de gemeenteraad na de vernietiging van het eerdere besluit omtrent goedkeuring van het plan door de Afdeling in haar uitspraak van 17 april 2002, no. 200100411/1, aan verweerder te kennen gegeven de ontwikkeling van een bedrijventerrein ter plaatse voor te staan met een geringere omvang dan in het plan mogelijk wordt gemaakt. Om een zodanig plan tot stand te brengen heeft verweerder vervolgens besloten tot voormelde onthouding van goedkeuring aan het plan voor het overige. Het aldus resterende plan wijkt naar aard en omvang niet zodanig af van het oorspronkelijke plan dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet tot goedkeuring van het resterende plan besloten had mogen worden dan nadat dit eerst weer de volledige planprocedure zou hebben doorlopen.

2.6.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Bedrijventerrein", "Verkeersdoeleinden" en "Groen/water". Hij exploiteert een pluimveehouderij met schapen op een perceel dat ten zuidoosten grenst aan het plangebied. Hij voert aan dat hij in zijn bedrijfsvoering zal worden beperkt, nu binnen de stankcirkel van 172 meter vanaf de grens van het bouwblok dat bij zijn bedrijf hoort, stankgevoelige objecten kunnen worden gebouwd. Voorts stelt hij dat zijn woon- en leefklimaat zal worden aangetast met de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Verder voert hij aan dat de landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein en de bescherming van de cultuurhistorische waarden van het gebied rond de Biezenweg onvoldoende zijn gewaarborgd en dat de economische haalbaarheid van het plan onvoldoende is onderbouwd. Tenslotte vreest hij voor geluidhinder als gevolg van de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg, waarvoor naar zijn mening ten onrechte geen akoestisch onderzoek is uitgevoerd.

2.7.    Verweerder heeft het door hem goedgekeurde gedeelte van het plan niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hij beklemtoont de noodzaak van de aanleg van een bedrijventerrein ter plaatse. Voorts stelt verweerder dat met de onthouding van goedkeuring aan de plandelen met de bestemmingen “Bedrijventerrein”, “Verkeersdoeleinden” en “Groen/Water”, voorzover deze liggen in een zone van 157 meter ten noorden van de Biezenweg, voldoende rekening wordt gehouden met het woon- en leefklimaat van appellant en voldoende recht wordt gedaan aan de cultuurhistorische en landschappelijke waarden in het gebied rond de Biezenweg.

2.8.    Wat betreft de stelling van appellant dat hij in zijn bedrijfsvoering zal worden beperkt nu als gevolg van het plan binnen de stankcirkel van 172 meter vanaf de grens van het bouwblok dat bij zijn bedrijf hoort, stankgevoelige objecten kunnen worden gebouwd, overweegt de Afdeling het volgende.

Gelet op de stukken heeft appellant bij het berekenen van de stankcirkel, die naar zijn stelling 172 meter is, een categorie I omgeving als uitgangspunt genomen. Een dergelijke omgeving wordt in de Brochure veehouderij en stankhinder gekenmerkt door bebouwing in de bebouwde kom of andere stankgevoelige objecten zoals een ziekenhuis, sanatorium of internaat. De Afdeling stelt vast dat het in het onderhavige geval gaat om een omgeving die deze kenmerken niet heeft. Met de gemeenteraad en verweerder kan worden geoordeeld dat deze omgeving niet als een categorie I omgeving kan worden aangemerkt, maar tenminste als een categorie II omgeving. Gelet op de stukken heeft appellant een milieuvergunning die is verleend voor het houden van 17.235 legkippen en 200 schapen. Niet in geschil is dat een aantal mestvarkeneenheden geldt van 450. Gezien de afstandsgrafiek in de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 dient in dit geval rekening te worden gehouden met een stankcirkel die de 157 meter waaraan door verweerder reeds goedkeuring is onthouden niet overschrijd. Het plan, voorzover dat is goedgekeurd, valt derhalve niet binnen de stankcirkel. De Afdeling is dan ook van oordeel dat appellant als gevolg van het plan niet in zijn bedrijfsvoering zal worden beperkt.

Reeds hierom kan het betoog van appellant op dit punt niet slagen.  

   De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende in de landschappelijke inpassing van het thans voorziene bedrijventerrein is voorzien. Hierbij neemt zij in aanmerking dat met de onthouding van goedkeuring aan de plandelen binnen een zone van 157 meter ten noorden van de Biezenweg de omvang van het bedrijventerrein is beperkt. Blijkens de stukken zal een strook van 100 meter tussen het bedrijventerrein en de Biezenweg onbebouwd blijven, waarbij daarnaast nog ruimte zal ontstaan voor een overgangsstrook van 57 meter met een laag bebouwingspercentage. Voorts acht de Afdeling hierbij van belang dat aan de gronden die aan de oost-, noord- en westzijde van het bedrijventerrein liggen de bestemming “Groen/Water” is toegekend.

   Gezien de hiervoor genoemde strook van 157 meter die ligt tussen het bedrijventerrein en het perceel van appellant, acht de Afdeling niet aannemelijk dat het woongenot van appellant in ernstige mate zal worden aangetast noch dat de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied in grote mate zullen worden aangetast.

   Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de economische haalbaarheid van het plan niet behoeft te worden getwijfeld. Hierbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat gelet op de stukken niet is gebleken dat de financieel-economische gevolgen van de onthouding van goedkeuring aan de plandelen binnen de zone van 157 meter ten noorden van de Biezenweg zodanig zijn dat de uitvoerbaarheid van het plan gevaar loopt.

   Tenslotte is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is dat appellant geluidhinder zal ondervinden van de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg van het bedrijventerrein naar de Rijksweg A27, nu deze weg blijkens de stukken parallel aan de genoemde Rijksweg komt te liggen, op ongeveer 900 meter afstand van het perceel van appellant. Hiermee zal de bestaande infrastructuur tevens worden ontlast. Blijkens de stukken zal ten behoeve van de nieuwe ontsluitingsweg een aparte procedure worden gevolgd, waarvan het opstellen van een akoestisch onderzoek deel uitmaakt. Voorzover appellant heeft willen betogen dat bij de totstandkoming van dit bestemmingsplan akoestisch onderzoek naar de gevolgen van deze ontsluiting voor zijn perceel gedaan had moeten worden, bestaat, gelet op het bovenstaande, geen aanleiding hem daarin te volgen.

2.9.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.10.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het is gericht tegen de in artikel 3, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften neergelegde mogelijkheid tot de bouw van bedrijfswoningen in het plangebied;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman    w.g. de Rooy

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005.

59-445