Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS6221

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
200406670/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juli 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een legpluimveehouderij gelegen aan [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 5 augustus 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406670/1.

Datum uitspraak: 16 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een legpluimveehouderij gelegen aan [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 5 augustus 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 10 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2005, waar appellant in persoon en bijgestaan door drs. E.A.M.A. de Hoogh, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door C.C.W. Soffers en Y. Bons, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigden].

2.    Overwegingen

2.1.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder een revisievergunning verleend voor het houden van 24.480 legkippen in het ingevolge de Regeling ammoniak en veehouderij aangegeven stalsysteem E 2.5.1, 32.470 legkippen in stalsysteem E.2.5.2 en 24.850 legkippen in stalsysteem E.2.11.1. Voorts is voor het totaal aan 81.800 legkippen een droogtunnel met oppervlaktedroging vergund (stalsysteem E.6.2).

   Eerder is op 6 augustus 2002 een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 56.700 legkippen in stalsysteem E.2.5.1. Voorts is bij dit besluit een droogtunnel (E.6.2) vergund.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Appellant heeft zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen inzake - kort weergegeven - de Wet ammoniak en veehouderij, stank-, stof- en geluidoverlast ingevolge de mestopslag en de onverharde uitrit, weerkaatsing van het geluid door de nieuw te bouwen stal en de mestopslag en de mer-beoordelingsplicht. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellant heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Het beroep op deze punten treft geen doel.

2.4.    Appellant vreest voor stankhinder. Hij voert hierbij aan dat verweerder zijn woning, die op 50 meter van de onderhavige inrichting is gelegen, ten onrechte aanmerkt als bedrijfswoning. Volgens appellant is het feitelijk gebruik van de woning bepalend. Voorts wijst hij erop dat, nu het bedrijf in 1986 is verkocht, alle banden met de onderhavige inrichting zijn verbroken. Het bedrijf is in 1997 nogmaals verkocht, aldus appellant. Verder is er volgens appellant sprake van een flinke uitbreiding van de onderhavige inrichting.

2.4.1.    Verweerder stelt dat van onaanvaardbare stankhinder geen sprake is. Hij heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) tot uitgangspunt genomen. Voor de indeling in omgevingscategorieën heeft verweerder de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd.

2.4.2.    Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in de uitspraak van 12 maart 2003 in de zaak 200205023/1, heeft zich in het onderhavige geval geen functieverandering in de zin van de Richtlijn voorgedaan en dat in dit verband de woning van appellant nog steeds als bedrijfswoning dient te worden aangemerkt. In hetgeen appellant thans op dit punt heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Verweerder behoefde de woning van appellant dan ook niet te betrekken in zijn beoordeling van de stankhinder. Nu blijkens de stukken het dichtstbijgelegen stankgevoelige categorie III-object op 156 meter van de inrichting is gelegen, wordt voldaan aan de bij het vergunde veebestand ingevolge de Richtlijn in acht te nemen afstand van 152 meter. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare stankhinder. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.5.    Appellant betoogt dat de extra ventilatoren naast geluidoverlast ook stof- en stankoverlast veroorzaken. Hij voert hierbij aan dat alle ventilatoren aan de zijde van het bedrijf worden geplaatst waar ook zijn woning is gelegen. Voorts wijst appellant erop dat de winddrukkappen geen stof- en stankoverlast voorkomen. Volgens appellant dienen doeken over de ventilatoren gespannen te worden.

2.5.1.    Verweerder heeft zijn in het kader van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer toekomende beoordelingsvrijheid met betrekking tot de van de inrichting te duchten directe geluidhinder ingevuld door toepassing van hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 (wat betreft de maximale geluidniveaus) en hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking).

2.5.2.    Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft verweerder onder andere de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden.

   In voorschrift 1.6.1 zijn voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de met W aangeduide woning van derden alsmede ter plaatse van referentiepunt 2 grenswaarden gesteld van 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van referentiepunt 1 mag in voornoemde perioden niet meer bedragen dan respectievelijk 41, 35 en 30 dB(A).

   Uit voorschrift 1.6.2 volgt dat voor het piekgeluidniveau grenswaarden zijn gesteld van respectievelijk 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.

2.5.3.    Niet in geschil is dat de in de voorschriften 1.6.1 en 1.6.2 opgenomen geluidnormen toereikend zijn.

   Ten aanzien van de naleefbaarheid van de geluidvoorschriften overweegt de Afdeling allereerst dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De aanvraag en de daarbij behorende stukken, waaronder het akoestisch rapport van 1 maart 2004 opgesteld namens vergunninghoudster door Greten Raadgevende Ingenieurs, nummer Rakw178abAO.jr (hierna: het akoestisch rapport), maken blijkens het dictum van het bestreden besluit onderdeel uit van dit besluit.

   Het akoestisch rapport geeft de resultaten weer van het onderzoek naar de geluidbelasting die de inrichting zal veroorzaken ter plaatse van de gevels van woningen van derden. In voornoemd rapport is een overzicht gegeven van de voor de representatieve bedrijfssituatie relevante geluidbronnen. Deze bronnen, waaronder 6 ventilatoren achter de keerwand van stal 3, 2 ventilatoren achter de droogtunnel van stal 3, 12 ventilatoren achter de mestdrooginstallaties van stal 1 en 2, het vullen van silo's, het laden en lossen van mest alsmede de verkeersbewegingen binnen, van en naar de inrichting met personenauto's, bestelwagen en vrachtwagens, zijn in de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidemissie meegenomen. Uit het akoestisch rapport volgt dat met in achtneming van voornoemde geluidbronnen aan de in de voorschriften 1.6.1 en 1.6.2 gestelde (piekgeluid)grenswaarden kan worden voldaan. De Afdeling ziet geen grond te twijfelen aan de juistheid van de in het akoestisch rapport gehanteerde uitgangspunten noch aan de conclusies van het akoestisch rapport.

   Gelet op het vorenstaande is geen reden aan te nemen dat de inrichting niet kan voldoen aan de aan het bestreden besluit verbonden voorschriften 1.6.1 en 1.6.2. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.5.4.    Voorzover appellant aanvoert stofhinder te ondervinden van de in de inrichting aanwezige ventilatoren, overweegt de Afdeling dat de aanvraag blijkens het dictum van het bestreden besluit onderdeel uitmaakt van dit besluit. In bijlage 3 van de aanvraag is de beperking van de uitstoot van stofdeeltjes in de stallen 1 tot en met 3 geschetst. Hieruit volgt dat in de stallen 1 en 2 de stofdeeltjes neerslaan in het gebouw, zodat de uitstoot hiervan naar de buitenlucht wordt beperkt. In stal 3 slaat een groot deel van het stof neer in de ruimte waarin de droogtunnel staat. De overige lucht van deze stal gaat via de achtergevel naar buiten en wordt opgevangen in een U-vormige winddrukkap van ongeveer 5 meter hoog. Verweerder heeft voorts ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder in voorschrift 2.6.1 bepaald dat achter de ventilatoren een winddrukkap geplaatst dient te zijn om stofuitstoot in de omgeving te verminderen. Deze winddrukkap dient zo te zijn uitgevoerd dat stof neerslaat op de bodem.

   Gelet op het vorenstaande, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare stofoverlast niet behoeft te worden gevreesd en dat geen aanvullende voorschriften nodig zijn. Dit bezwaar van appellant faalt derhalve.

2.5.5.    Wat betreft de beroepsgrond van appellant dat de ventilatoren stankhinder veroorzaken, overweegt de Afdeling dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt noch anderszins is gebleken dat als gevolg van de werking van de ventilatoren sprake is van onaanvaardbare stankhinder. Dit bezwaar treft geen doel.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Montagne

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005

374.