Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS6217

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
200404254/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting ten behoeve van het uitoefenen van een dierenartspraktijk met paardenkliniek en het houden van 20 fokpaarden op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Druten, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 14 april 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/4058
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/4075
Milieurecht Totaal 2005/1712
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/1293
OGR-Updates.nl 1000904
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404254/1.

Datum uitspraak: 16 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Druten,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting ten behoeve van het uitoefenen van een dierenartspraktijk met paardenkliniek en het houden van 20 fokpaarden op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Druten, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 14 april 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 24 mei 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, en appellant sub 2 bij brief van 24 mei 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2004, waar appellanten sub 1 en sub 2, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. E. Jansen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door T.V.M. van der Fluit, gemachtigde, daar als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Verweerder heeft gesteld dat de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 niet-ontvankelijk zijn voor zover daarin is aangevoerd dat hij zich bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken stank- en geluidhinder ten onrechte heeft gebaseerd op bestaande rechten.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Anders dan verweerder heeft gesteld vinden de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 wel hun grondslag in de bedenkingen waarin door hen immers is aangevoerd dat onaanvaardbare stankhinder en geluidhinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting wordt ondervonden. De beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 zijn daarom ontvankelijk.

2.2.    Appellanten sub 1 en sub 2 betogen onaanvaardbare stankhinder te ondervinden als gevolg van het in werking zijn van de onderhavige inrichting. In dat verband voeren zij aan dat op een afstand van 25 meter van de onderhavige inrichting een groentewinkel is gelegen, die door verweerder ten onrechte niet als stankgevoelig object is aangemerkt. Daarnaast voeren appellanten sub 1 en sub 2 aan dat verweerder de bij het bestreden besluit verleende vergunning ten onrechte heeft gebaseerd op bestaande rechten.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

   Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.4.    Verweerder hanteert bij de beoordeling van stankhinder van paarden ter invulling van de aan hem toekomende beoordelingsvrijheid als vaste bestuurspraktijk een afstand van 100 meter tot aan categorie I- en II-objecten in de zin van de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) en 50 meter tot aan categorie III- en IV-objecten in de zin van de brochure. Hij verwijst hierbij onder meer naar de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn), waarin ter voorkoming van onaanvaardbare stankhinder voor het houden van dieren in acht te nemen minimale afstanden worden genoemd.

2.4.1.    Ten aanzien van de in de nabije omgeving van de inrichting gelegen groentewinkel heeft verweerder in het bestreden besluit gesteld dat deze winkel niet kan worden aangemerkt als een stankgevoelig object dat ingevolge de Richtlijn bescherming toekomt.

   Op een afstand van circa 25 meter van de inrichting is aan de Kerkstraat 28 een groentewinkel gelegen, waarin minimaal 2 en maximaal 5 personen als winkelpersoneel aanwezig zijn. Gezien de openingstijden van de winkel en de aanwezigheid van dat personeel gedurende die uren doet zich naar het oordeel van de Afdeling een situatie voor van langdurig verblijf dat gelijk te stellen is met wonen. Gelet hierop is er sprake van een stankgevoelig object dat ingevolge de Richtlijn bescherming toekomt en dat door verweerder bij de beoordeling van de van de onderhavige inrichting te duchten stankhinder ten onrechte buiten beschouwing is gelaten.

2.4.2.    Vaststaat dat ten aanzien van de kliniekruimte, waarin 20 paarden kunnen verblijven, niet wordt voldaan aan de door verweerder gehanteerde afstanden tot in de directe omgeving van de inrichting gelegen categorie I-objecten, te weten een woning van derden op 44 meter van de inrichting. Ofschoon aan de door verweerder gehanteerde afstandseis niet wordt voldaan, acht verweerder vergunningverlening toch mogelijk op grond van bestaande rechten. Volgens verweerder kunnen deze bestaande rechten worden gebaseerd op het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer (hierna: het Besluit) alsmede op de omstandigheid dat de inrichting voorzover het de paardenkliniek betreft al enige tijd bestaat.

2.4.3.    Artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer houdt in dat, gelet op de bewoordingen van deze bepaling, de beschermende werking geldt voor aan eerder verleende niet vervallen vergunningen ontleende rechten. Bepalend voor de omvang van de bestaande rechten is de vergunde en niet de feitelijke situatie. Vaststaat dat voor de onderhavige inrichting niet eerder een vergunning krachtens de Hinderwet dan wel de Wet milieubeheer is verleend. Gelet hierop kan vergunningverlening in het onderhavige geval in zoverre niet worden gebaseerd op bestaande rechten.

   Voorzover verweerder heeft beoogd de voor de inrichting bestaande rechten te baseren op het Besluit overweegt de Afdeling, dat dit besluit geen betrekking heeft op het houden van paarden, zodat de onderhavige inrichting wat betreft het stankaspect ook hieraan geen bestaande rechten kan ontlenen.

   Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de beoordeling van stankhinder in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Deze beroepsgrond slaagt.

2.5.        De beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 zijn gegrond. Aangezien het stankaspect bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd. De overige beroepsgronden van appellanten sub 1 en sub 2 behoeven geen bespreking meer.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Druten van 6 april 2004;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Druten in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 43,17 voor appellant sub 1 en tot een bedrag van € 43,17 voor appellant sub 2; de bedragen dienen door de gemeente Druten te worden betaald aan appellanten sub 1 en sub 2;

IV.    gelast dat de gemeente Druten aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 136,00 voor appellant sub 1 en € 136,00 voor appellant sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton    w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005

312-443.