Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS6215

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
200400206/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2003 heeft de gemeenteraad van Maasbracht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 januari 2003, het bestemmingsplan "Rijksweg 73-Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 63 met annotatie van F.A.G. Groothuijse
Module Ruimtelijke ordening 2005/4315 met annotatie van L.E.M. Bijl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400206/1.

Datum uitspraak: 16 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    het dagelijks bestuur van het waterschap Roer en Overmaas,

4.    [appellanten sub 4], gevestigd te [plaats],

5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2003 heeft de gemeenteraad van Maasbracht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 januari 2003, het bestemmingsplan "Rijksweg 73-Zuid" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 november 2003, kenmerk 2003/49194, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 9 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2004, appellant sub 2 bij brief van 13 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, appellant sub 3 bij brief van 12 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2004, appellanten sub 4 bij brief van 12 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2004, en appellant sub 5 bij brief van 13 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 en appellant sub 5 hebben hun beroep aangevuld onderscheidenlijk bij brief van 19 januari 2004 en bij brieven van 10 februari 2004 en 16 juni 2004.

Bij brief van 21 april 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 30 juni 2004 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2004, waar appellanten sub 1 in de persoon van [gemachtigde], appellant sub 2 in persoon, appellant sub 3, vertegenwoordigd door drs. H.J. Winteraeken en mr. R.Th.B. Drummen, ambtenaren van het waterschap, appellanten sub 4 in de personen van [gemachtigden] en bijgestaan door drs. H.E. Winkelman, gemachtigde, appellant sub 5, vertegenwoordigd door mr. A.J. Likkel, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en mr. H.J.M. Achten, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar namens de gemeenteraad F. Ramacher, ambtenaar van de gemeente, en namens de Minister van Verkeer en Waterstaat mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en drs. J. Weijsters, mr. drs. P.C.A.M. Tanis en ir. J.P.M.G. Janssen, ambtenaren ten departemente, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor de ruimtelijke inpassing van (een deel van) de nieuwe Rijksweg 73-zuid met bijbehorende voorzieningen ten oosten van Maasbracht.

   Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan gedeeltelijk goedgekeurd.

2.3.    [appellanten sub 1], allen bewoners van het [woonerf], stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen die zien op gronden ter hoogte van hun woonerf. Zij vrezen dat, mede gelet op de plaatsing van geluidschermen ten westen van de nieuwe Rijksweg, cumulatie en reflectie van geluid vanwege het wegverkeer en het spoorwegverkeer op de spoorlijn Sittard-Roermond in de richting van hun woningen zullen ontstaan. Voorts stellen zij dat het plan ten westen van deze spoorlijn ten onrechte niet voorziet in de plaatsing van geluidschermen.

2.3.1.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten. Hij stelt zich op het standpunt dat uit akoestisch onderzoek is gebleken dat met plaatsing van de schermen tussen de nieuwe Rijksweg en de spoorbaan aan de wettelijke normen kan worden voldaan. Hij is wel bereid een inspanning te plegen om te komen tot plaatsing van de schermen aan de westzijde van de spoorbaan.

2.3.2.    De Afdeling overweegt, mede gelet op het deskundigenbericht en de plankaart, allereerst dat het rijbaangedeelte van de nieuwe Rijksweg alsmede de aanduiding “geluidsscherm” ter hoogte van Linne zijn geregeld in het bestemmingsplan “Rijksweg 73-Zuid (wegvak H)” van de gemeente Ambt Montfort, dat op 27 maart 2003 is vastgesteld en voor zover het deze planonderdelen betreft is goedgekeurd op 4 november 2003. In het kader van die bestemmingsplanprocedure zijn de akoestische gevolgen van de aanleg van de nieuwe Rijksweg bezien. Voor zover appellanten beogen op te komen tegen de goedkeuring van dat bestemmingsplan, kan dit niet aan de orde komen. Overigens heeft de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak no. 200308882/1 de goedkeuring van dat bestemmingsplan, voor zover het een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden 1 –V1-" betreft, vernietigd.

2.3.3.    De Afdeling verstaat het beroep van appellanten voorts aldus dat zij opkomen tegen de plandelen die zien op de spoorlijn Sittard-Roermond. Aan deze plandelen is de bestemming “Railverkeer –Vr-” toegekend. Uit artikel 42, derde lid, van de planvoorschriften volgt dat op gronden met de bestemming “Railverkeer -Vr-“ bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden geplaatst met een hoogte van niet meer dan tien meter mits deze voor het overige naar aard en afmetingen bij de bestemming passen. Hieruit volgt naar het oordeel van de Afdeling dat het plaatsen van geluidschermen op gronden met deze bestemming in beginsel is toegelaten. Niet is gebleken dat hiertoe onvoldoende ruimte aanwezig is. Dat op de plankaart op deze plaats niet is voorzien in de aanduiding “geluidsscherm” doet aan het voorgaande niet af. Dat nog nader wordt bezien of plaatsing van schermen ten westen van de spoorbaan alsnog kan worden uitgevoerd, maakt dit evenmin anders.

2.3.4.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de plandelen.

   Het beroep van [appellanten sub 1] is ongegrond.

2.4.    Het dagelijks bestuur van het waterschap Roer en Overmaas (hierna: het waterschap) stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden 1 –V1-“ dat ziet op gronden ter plaatse van de Vlootbeek, en de nadere aanduidingen “differentiatievlak kruising” en “zone ecovoorzieningen 15 meter”. Appellant acht de voorziene overspanning over de Vlootbeek te smal; deze dient gelet op de hydrologische en ecologische functie van deze beek minimaal 25 meter te zijn, hetgeen ook uit de verleende ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet kan worden afgeleid. Verweerder heeft volgens hem onvoldoende getoetst aan het streekplan (het Provinciaal Omgevingsplan Limburg; hierna: het POL), het Integraal waterbeheersplan Roer en Geleenbeek 1997-2000 en het concept-Waterbeheersplan 2004-2007. Ten slotte wijst appellant er op dat hij met het oog op hetgeen thans ten aanzien van de Vlootbeek in het plan is neergelegd, naar verwachting negatief zal beslissen op de vergunningaanvraag op grond van de keur voor het bouwen van de brug en het gedeeltelijk vergraven van de Vlootbeek.

2.4.1.    Verweerder heeft geen reden gezien het plandeel en de aanduidingen in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het plan op deze punten goedgekeurd. Hij acht de overspanning met een voorziene breedte van achttien meter niet in strijd met het POL. De huidige maatvoering van de beek zal behouden blijven, aldus verweerder. Een bredere overspanning acht hij ecologisch niet rendabel. Het bezwaar van appellant dat onvoldoende aandacht is besteed aan de belangen van de natte ecologische verbindingszone en de overige natuurlijke processen, acht verweerder niet-ontvankelijk, aangezien dit niet als bedenking is ingebracht. Overigens is hij van mening dat de waterhuishoudkundige belangen in voldoende mate zijn bezien.

2.4.2.    Aan de gronden waar het tracé van de nieuwe Rijksweg de Vlootbeek overkruist, is de bestemming “Verkeersdoeleinden 1 –V1-“ toegekend met de nadere aanduiding “differentiatievlak kruising”. Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming en aanduiding bestemd voor de aanleg van de Rijksweg 73 en ongelijkvloerse kruising.

   Aan de gronden is voorts de medebestemming “Ecovoorzieningen” toegekend met de aanduiding “ecovoorziening type A” en de aanduiding “zone ecovoorzieningen 15 meter”. Uit artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften volgt dat gronden met deze bestemming mede zijn bestemd voor de aanleg en instandhouding van onderdoorgangen, zoals wild- en faunapassages en ecovoorzieningen. De aanleg en instandhouding van de ecovoorziening type A zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de op de plankaart opgenomen aanduiding “ecovoorziening type A” of binnen de daarbij behorende aangegeven zones.

2.4.3.    De Afdeling overweegt allereerst dat appellant in zijn bedenkingen tegen bovenvermelde planonderdelen ageert. De bezwaren inzake de natte ecologische verbindingszone en de overige natuurlijke processen kunnen aan deze planonderdelen worden toegerekend en vinden hierin hun grondslag. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding het beroep op deze punten niet-ontvankelijk te verklaren.

2.4.4.    De Vlootbeek heeft volgens het deskundigenbericht ter plaatse van het tracé van de nieuwe Rijksweg een breedte van ongeveer vijftien meter. De watergang zelf is ongeveer vijf meter breed. De Vlootbeek kenmerkt zich door een licht meanderen, een hoge mate van begroeiing en relatief steile oeverdelen. De beek is gelegen in de Provinciale Ecologische Structuur en vormt een belangrijke ecologische verbinding. In het POL en in het Integraal waterbeheersplan Roer en Geleenbeek 1997-2000 is de beek aangeduid als “beek met specifieke ecologische functie”. Bij beken met een dergelijke aanduiding wordt met prioriteit gestreefd naar het hoogste ecologische kwaliteitsniveau. In het POL zijn geen nadere kwantitatieve voorwaarden vermeld waaraan de inrichting van een beek met een specifieke ecologische functie moet voldoen. In het Waterbeheersplan 2004-2007, dat ten tijde van het bestreden besluit nog niet was vastgesteld, wordt bij een beek als de Vlootbeek uitgegaan van een minimale breedte voor meanderzones van vijf meter aan weerszijden.

2.4.5.    Met het bestemmingsplan wordt voorzien in de aanleg en instandhouding van een specifieke ecologische voorziening ten behoeve van de Vlootbeek. Hiervoor is in het plan een breedte van ten minste vijftien meter gereserveerd. Partijen gaan in dit kader uit van een breedte van achttien meter. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat de Vlootbeek in zijn huidige verschijningsvorm niet binnen de in het plan voorziene breedte van ten minste vijftien meter inpasbaar is. Niet is gebleken dat deze breedte niet in overeenstemming kan worden geacht met hetgeen in het POL en het ten tijde van het bestreden besluit in concept beschikbare Waterbeheersplan 2004-2007 is neergelegd. Evenmin vloeit uit de ontheffing ingevolge artikel 75 van de Flora- en faunawet, die overigens is verleend na het nemen van het bestreden besluit, voort dat de overspanning 25 meter zou dienen te bedragen.

   Verweerder heeft naar het oordeel van de Afdeling aan de door het waterschap aangevoerde belangen van waterhuishoudkundige en ecologische aard in redelijkheid geen zwaarder gewicht behoeven toe te kennen dan aan de belangen die zijn betrokken bij het verwezenlijken van de nieuwe Rijksweg. Daarbij betrekt zij dat een bredere overspanning tot hogere kosten zal leiden en de inpassing van de nabijgelegen Stationsstraat zal bemoeilijken. De belangen van waterhuishoudkundige en ecologische aard van de Vlootbeek zijn verder in die zin ter plaatse beperkt omdat de Vlootbeek op korte afstand van de overkruising door duikers met een kleine doorsnede onder de spoorbaan en de bestaande weg N271 wordt doorgeleid. Hoewel deze situaties door het waterschap als saneringsgevallen worden aangemerkt, zijn deze in verband met de daarmee gemoeide kosten nog niet aangepakt. Niet is gebleken dat dit op afzienbare termijn wel het geval zal zijn.

   Wat betreft de voor het verwezenlijken van de overspanning benodigde vergunning ingevolge de keur acht de Afdeling, mede gelet op vorenstaande overwegingen, voldoende aannemelijk dat deze vergunning verkregen zal kunnen worden. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid van de uitvoerbaarheid van het plan op dit punt kunnen uitgaan.

2.4.6.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel en de aanduidingen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel en de aanduidingen.

   Het beroep van het waterschap is ongegrond.

2.5.    [appellant sub 2], woonachtig aan de Stationsweg ten noorden van het tracé van de nieuwe Rijksweg, stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen “Verkeersdoeleinden 1 –V1-” en “Verkeersdoeleinden 2 –V2-“, voor zover deze zijn gelegen ter hoogte van de Stationsweg. Door het tracé meer in zuidoostelijke richting te leggen, ontstaat meer ruimte voor afschermende voorzieningen, aldus appellant.

   [appellanten sub 4], woonachtig en gevestigd aan de [locatie] ten zuiden van het tracé van de nieuwe Rijksweg, stellen eveneens in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan vorenbedoelde plandelen met de bestemmingen “Verkeersdoeleinden 1 -V1-“ en “Verkeersdoeleinden 2 –V2-“ alsmede aan de bestemming “Verkeersdoeleinden 3 –V3-“, voor zover deze plandelen zien op gronden ter hoogte van hun percelen aan de Brachterstatie.

   [appellanten sub 4] voeren hiertoe allereerst aan dat de besluiten van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 maart 1995 en 22 december 1995 ter bepaling van het tracé voor de nieuwe Rijksweg niet met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage hebben gelegen en dat het tracé niet overeenkomstig deze besluiten in het bestemmingsplan is neergelegd. Wat betreft dit laatste beroepen zij zich op de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2002 in zaak no. 200106272/1 (BR 2003, 25).

   Ook vrezen [appellanten sub 4] onaanvaardbare geluidoverlast van de nieuwe Rijksweg te ondervinden. In dat verband achten zij onjuist dat ingevolge artikel 103 van de Wet geluidhinder een aftrek van 2 dB(A) is toegepast. Daarnaast zal volgens appellanten door de plaatsing van geluidschermen van verschillende hoogten, mede gelet op de aanwezigheid van de spoorlijn Sittard-Roermond, reflectiewerking ontstaan.

   [appellanten sub 4] zijn verder van mening dat ten onrechte niet is voorzien in een kortere ontsluitingsmogelijkheid voor hun percelen. Zij achten de nu in het plan neergelegde omrijroute te lang en de bereikbaarheid van hun bedrijf daarmee onvoldoende gewaarborgd.

   Ten slotte stellen [appellanten sub 4] zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de voor de uitvoering van de nieuwe Rijksweg benodigde ontheffing ingevolge artikel 75 van de Flora- en faunawet nog niet is verleend.

2.5.1.    Verweerder heeft geen reden gezien de plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij wijst er op dat de door [appellanten sub 4] bedoelde besluiten van 3 maart 1995 en 22 december 1995 bij het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage hebben gelegen en dat dit geen besluiten zijn als bedoeld in de Tracéwet. De ligging van de weg is volgens hem voorts uitgebreid aan de orde geweest in studies die zijn uitgebracht voorafgaand aan het tervisieleggen van het voorontwerp van het bestemmingsplan. Verweerder gaat er in het bestreden besluit van uit dat de ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet verleend zal worden. Voorts is volgens hem voldaan aan de vereisten van de Wet geluidhinder en is de toegepaste aftrek van 2 dB(A) op de berekende geluidbelasting gerechtvaardigd. Wat betreft de ontsluitingsroute voor [appellanten sub 4] is hij van mening dat het door deze appellanten genoemde alternatief langs de Vlootbeek te kostbaar en ook anderszins niet aanvaardbaar is.

2.5.2.    Aan de plandelen die zien op het tracé van de nieuwe Rijksweg en zijn gelegen tussen de Stationsweg en de Brachterstatie, zijn de bestemmingen “Verkeersdoeleinden 1 –V1-“ met de nadere aanduiding “differentiatievlak landschappelijk groen” en “Verkeersdoeleinden 2 –V2-“ toegekend. Voorts is op de gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden 1 –V1-" voorzien in de aanduiding “geluidsscherm”. Aan de Brachterstatie is de bestemming "Verkeersdoeleinden 3 –V3-" toegekend.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de voor “Verkeersdoeleinden 1 –V1-“ aangewezen gronden onder meer bestemd voor de bouw c.q. de aanleg respectievelijk de instandhouding van de Rijksweg 73-zuid (interlokale hoofdweg). Ingevolge het bepaalde onder b zijn de gronden met deze bestemming tevens bestemd voor het treffen van landschappelijke voorzieningen ter afscherming en inpassing van de onder a omschreven wegen, aansluitingen, kruisingen en bijkomende werken in het landschap, een en ander in elk geval binnen het op de plankaart opgenomen "differentiatievlak landschappelijk groen”.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de voor “Verkeersdoeleinden 2 –V2-“ aangewezen gronden onder meer bestemd voor de bouw c.q. aanleg respectievelijk de instandhouding van de aansluitingen op de Rijksweg 73-zuid, de lokale hoofdwegen en langzaamverkeersvoorzieningen. Ingevolge het bepaalde onder b zijn de gronden met deze bestemming tevens bestemd voor het treffen van landschappelijke voorzieningen ter afscherming en inpassing van de onder a omschreven wegen, aansluitingen, kruisingen en bijkomende werken in het landschap.

   Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de voor "Verkeersdoeleinden 3 –V3-" aangewezen gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor bewegend en stilstaand verkeer.

2.5.3.    De Afdeling overweegt allereerst dat niet is gebleken dat het standpunt van verweerder dat de door [appellanten sub 4] bedoelde besluiten van 3 maart 1995 en 22 december 1995 bij het ontwerpplan ter inzage hebben gelegen, onjuist is. Dit beroepsonderdeel treft derhalve geen doel.

2.5.4.    Wat betreft de toepasselijkheid van de Tracéwet op beide voornoemde besluiten overweegt de Afdeling het volgende.

   Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Tracéwet blijft deze wet buiten toepassing ten aanzien van besluiten van de Minister van Verkeer en Waterstaat tot vaststelling van een tracé voor de aanleg of wijziging van hoofdwegen, landelijke railwegen en hoofdvaarwegen die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn genomen, voor zover deze besluiten vóór 1 januari 1997 worden opgenomen in een uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 18, eerste lid. In het laatste geval vervalt het besluit indien het niet binnen tien jaar na eerste opneming in het uitvoeringsprogramma ten uitvoer wordt gebracht.

   Ingevolge het tweede lid is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op besluiten als bedoeld in dat lid die binnen een jaar na inwerkingtreding van deze wet zijn genomen alsmede op door de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan te wijzen besluiten die binnen twee jaar na inwerkingtreding van deze wet zijn genomen.

   De Tracéwet is op 1 januari 1994 in werking getreden. Naar ter zitting door verweerder onweersproken is gesteld, zijn de besluiten van 3 maart 1995 en 22 december 1995 voor de nieuwe Rijksweg aangewezen overeenkomstig het hiervoor bedoelde tweede artikellid. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze besluiten niet kunnen worden geacht te zijn vastgesteld op grond van de Tracéwet. [appellant sub 4] beroepen zich ten onrechte op de uitspraak van 24 juli 2002, no. 200106272/1, aangezien het tracébesluit in die zaak wel is vastgesteld op grond van de Tracéwet. Voor de gevolgtrekking in die zaak dat het tracé in zijn geheel en overeenkomstig het tracébesluit in het bestemmingsplan moet worden neergelegd, bestaat dan ook in dit geval geen aanleiding.

2.5.5.    De woning van [appellant sub 2] is gelegen op ongeveer 80 meter van de voet van het talud van de nieuwe Rijksweg en op ongeveer 100 meter van het tracé zelf. De woningen en overige gebouwen van [appellanten sub 4] liggen op een vergelijkbare afstand aan de andere zijde van het tracé. Even ten noorden van de Stationsweg zal het wegtracé via een ongelijkvloerse kruising de spoorlijn Sittard-Roermond passeren. Met name vanwege de bovenleiding van het spoor dient deze kruising een hoogte te overbruggen van ruim acht meter. Ter hoogte van de woningen van appellanten zal het tracé op ongeveer anderhalf tot twee meter hoogte ten opzichte van het maaiveld komen te liggen.

   Uit de stukken blijkt verder dat de percelen van [appellanten sub 4] door de aanleg van de nieuwe Rijksweg niet meer bereikbaar zullen zijn via de huidige ontsluitingsweg. Deze ontsluitingsweg komt te vervallen vanwege de nabij gelegen ongelijkvloerse kruising van de nieuwe Rijksweg met de spoorlijn Sittard-Roermond. Een aansluiting op de noordelijk van het perceel van deze appellanten gelegen Stationsstraat is voorts uitgesloten geacht aangezien daardoor de ecologische verbindingszone van de Vlootbeek zou worden doorkruist. Als oplossing is daarom over een lange afstand voorzien in een parallelweg aan de zuidoostzijde van het tracé van de nieuwe Rijksweg, die zal worden aangesloten op de ongelijkvloerse kruising over de nieuwe Rijksweg ten zuiden van Linne. De extra omrijafstand bedraagt volgens het deskundigenbericht ruim 3.000 meter.

2.5.6.    Wat betreft de geluidbelasting vanwege de nieuwe Rijksweg voor de opstallen van [appellanten sub 4] blijkt uit de stukken, waaronder het akoestisch onderzoek, dat de in de Wet geluidhinder neergelegde voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) ter plaatse van deze opstallen wordt overschreden. Naar ter zitting is gesteld zijn bij besluit van 25 maart 2003 hogere grenswaarden vastgesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

   Bij het akoestisch onderzoek is toepassing gegeven aan de in bijlage II bij het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 beschreven standaardrekenmethode II. Deze ministeriële regeling maakt het mogelijk overeenkomstig artikel 103 van de Wet geluidhinder een aftrek van 2 dB(A) toe te passen voor wegen waar 70 km/u of sneller wordt gereden. Niet is gebleken dat bij het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een onjuiste berekeningsmethode of van een onjuist uitgangspunt. In de omstandigheid dat diverse bronmaatregelen worden getroffen om de geluidemissie te beperken, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat geen toepassing had mogen worden gegeven aan de aftrek van 2 dB(A).

   De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met de Wet geluidhinder.

2.5.7.    Niet is geding is dat het plan gevolgen met zich zal brengen voor appellanten. Wat betreft [appellanten sub 4] zullen de aanleg van de nieuwe Rijksweg en de voorziene ontsluitingsroute, mede gelet op de beperkte zichtbaarheid van het bedrijf door de barrièrewerking van de nieuwe Rijksweg, tot negatieve gevolgen leiden. Gelet op het grote maatschappelijke belang van de aanleg van de weg, heeft verweerder echter in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de in het plan neergelegde ligging van het tracé van de nieuwe Rijksweg ter hoogte van de Stationsweg en de Brachterstatie dan aan de door appellanten gestelde belangen.

   Daarbij overweegt de Afdeling dat de geringe breedte van de strook gronden met de aanduiding “differentiatievlak landschappelijk groen” ter hoogte van de Stationsweg een gevolg is van het feit dat de beschikbare ruimte afhankelijk is van de civieltechnische ontwerpeisen die aan het tracé worden gesteld. Naar uit de stukken blijkt is het als gevolg hiervan niet mogelijk het tracé te verleggen vanwege de gevolgen die dit met zich brengt ten aanzien van deze ontwerpeisen. Ook ten aanzien van de kruising van het tracé met de spoorlijn worden in die zin eisen gesteld. Verder diende bij het ontwerpen van het tracé rekening te worden gehouden met het ten zuiden van het tracé gelegen natuurgebied Rozendaal en wordt met de huidige voorgestelde ligging een maximale bundeling van het tracé met de bestaande infrastructuur bereikt.

   Wat betreft [appellant sub 2] betrekt de Afdeling daarbij verder dat het plan enige landschappelijke inpassing ter hoogte van de Stationsweg niet onmogelijk maakt en ter plaatse is voorzien in het plaatsen van geluidschermen.

   Wat betreft [appellanten sub 4] betrekt zij daarbij verder dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat andere ontsluitingsroutes niet haalbaar zijn. Voorts is niet gebleken dat niet in de bewegwijzering van het bedrijf van [appellanten sub 4] kan worden voorzien. Evenmin is gebleken dat niet in de schade die deze appellanten zullen lijden, zal kunnen worden voorzien.

   Wat betreft de voor de verwezenlijking van de nieuwe Rijksweg vereiste ontheffing ingevolge artikel 75 van de Flora- en faunawet is niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet in redelijkheid van de verwachting dat deze ontheffing zou kunnen worden verleend, kon uitgaan. Verweerder heeft derhalve op dit punt geen bezwaren behoeven te zien voor de uitvoerbaarheid van het plan. Overigens is uit de stukken gebleken dat de door appellanten bedoelde ontheffing bij besluit van 15 december 2003 van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is verleend.

2.5.8.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd en in hetgeen [appellanten sub 4] op dit punt hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan deze plandelen.

   Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 4] is op dit punt ongegrond.

2.6.    [appellanten sub 4] stellen voorts in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen “Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarde –AGHL-“, “Bebouwingsklasse -B1-”, “Achtertuin” en “Tuin”, die zien op hun percelen aan de [locatie] te [plaats].

   Zij voeren aan dat het bedrijfsmatige gebruik van en de bebouwing op de percelen [locatie] met de planregeling ten onrechte onder het overgangsrecht zijn gebracht. De bestemming zou in het voorliggende bestemmingsplan moeten worden geregeld en niet mag worden verwezen naar een nog vast te stellen partiële herziening van het bestemmingsplan voor deze percelen, aldus appellanten.

2.6.1.    De gemeenteraad heeft ervoor gekozen het gebied tussen de nieuwe Rijksweg en de plangrenzen te bestemmen overeenkomstig de bestaande bestemmingen behoudens enkele aanpassingen als gevolg van de aanleg van de weg. Hij heeft hiermee vertraging willen voorkomen in de planologische inpassing van de nieuwe Rijksweg. In het geval van [appellanten sub 4] acht de gemeenteraad een actualisering van de planologische regeling door een afzonderlijke planherziening noodzakelijk.

2.6.2.    Verweerder heeft geen reden gezien de plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft deze goedgekeurd. Wat betreft de bestemmingsregeling verwijst hij naar de reeds aangekondigde planherziening voor deze percelen.

2.6.3.    Op grond van artikel 9, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) rust op het college van burgemeester en wethouders de verplichting om ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gemeentelijke gebied onderzoek te verrichten naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente. Hieruit volgt dat in het kader van de voorbereiding en vaststelling van een bestemmingsplan op het gemeentebestuur de verplichting rust tot het verrichten van het benodigde onderzoek.

2.6.4.    Aan de plandelen die zien op de percelen van appellanten, zijn de bestemmingen “Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarde -AGHL-“, “Bebouwingsklasse -B1-”, “Achtertuin” en “Tuin” toegekend. Niet in geding is dat deze bestemmingen slechts gedeeltelijk voorzien in het huidige gebruik van de percelen.

   Zoals uit het voorgaande blijkt heeft de gemeenteraad niet gekozen voor een inpassing van de nieuwe Rijksweg door vaststelling van een partiële planherziening. Hij heeft een nieuw bestemmingsplan vastgesteld dat mede van toepassing is op gronden die niet zijn bestemd voor de aanleg van de nieuwe Rijksweg en de bijbehorende voorzieningen. Daarbij heeft hij voor de situatie van appellanten volstaan met het ongewijzigd overnemen van de vorige bestemmingsregeling. In zoverre heeft hij derhalve geen onderzoek verricht als bedoeld in artikel 9 van het Bro 1985, terwijl duidelijk was dat de vorige en daarmee ook de thans toegekende planregeling onvoldoende op de situatie van appellanten is toegesneden. Verweerder heeft dit miskend.

   Gelet hierop is het plan in zoverre in strijd met artikel 9 van het Bro 1985. Door het plan niettemin op dit punt goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 4] is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.6.5.    Hieruit volgt dat rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan vorenbedoelde, op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart aangegeven plandelen.

2.7.    [appellant sub 5] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden 2 –V2-“ dat ziet op gronden van zijn fruitteeltbedrijf die in de gemeente Maasbracht zijn gelegen. Door de voorziene verlegging van de Bergerweg naar deze gronden worden deze doorsneden en zal een in 1999 gebouwde loods moeten worden verwijderd. Appellant verwacht dat het niet mogelijk zal zijn het bedrijf op bedrijfseconomisch verantwoorde wijze voort te zetten. Voor herbouw van de loods is volgens hem geen ruimte aanwezig. Voorts komt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse in het geding, aldus appellant.

2.7.1.    Verweerder heeft geen reden gezien het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat het mogelijk blijft het bedrijf rendabel te exploiteren. Daarbij wijst hij ook op de onderhandelingen met Rijkswaterstaat over de grondaankoop.

2.7.2.    Aan de gronden waar de verlegging van de Bergerweg is voorzien, is de bestemming “Verkeersdoeleinden 2 –V2-“ toegekend. Ingevolge artikel 10 van de planvoorschriften zijn de aldus aangewezen gronden bestemd voor onder meer de bouw en aanleg alsmede de instandhouding van de aansluitingen op de Rijksweg 73-Zuid (interlokale hoofdwegen), de lokale hoofdwegen en langzaamverkeersvoorzieningen.

2.7.3.    Volgens het deskundigenbericht beschikt appellant over ongeveer 29,2 hectare grond ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten, waarvan het merendeel is gelegen op het grondgebied van de gemeente Ambt Montfort. De gronden in Maasbracht zijn deels bebouwd, deels in gebruik als erf en deels in gebruik ten behoeve van fruitteelt. Deze gronden worden van de gronden in Ambt Montfort gescheiden door de spoorlijn Sittard-Roermond. Als gevolg van de aanleg van de nieuwe Rijksweg zal de Bergerweg worden verlegd in zuidelijke richting. Ook zal daarmee de bestaande spoorwegovergang worden verlegd. Beide zijn (gedeeltelijk) voorzien op de gronden van appellant in Maasbracht.

   Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting moet uitgesloten worden geacht dat de te verwijderen loods, die een oppervlakte heeft van ongeveer 300 m2 en van groot belang is voor de bedrijfsvoering, ten noorden van de te verleggen Bergerweg naast de daar aanwezige bebouwing zal kunnen worden herbouwd. Evenmin zijn er thans aanknopingspunten dat kan worden uitgegaan van de mogelijkheid tot herbouw van de loods ter plaatse van de gronden van appellant op het grondgebied van de gemeente Ambt Montfort. Door de doorsnijding van de in de gemeente Maasbracht gelegen gronden zullen de exploitatiemogelijkheden daarvan afnemen en kan niet worden uitgesloten dat ook de gronden van appellant in Ambt Montfort minder goed bereikbaar worden in verband met de te verwachten hogere verkeersintensiteit van de te verleggen Bergerweg. Gelet hierop staat – aldus nog steeds het deskundigenbericht - vast dat het plan negatieve gevolgen voor het bedrijf en de woonsituatie van appellant zal hebben.

2.7.4.    Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt wordt de verlegging van de Bergerweg noodzakelijk geacht vanwege overwegingen van verkeerskundige aard. Voor het verkeer uit de kern Linne in oostelijke richting is de Processieweg de belangrijkste ontsluitingsweg. De Processieweg is met de huidige Bergerweg verbonden door een zogenoemde bajonetaansluiting. Uit verkeerskundig oogpunt zijn aan deze aansluiting, gelet op het grote aantal ongevallen en de moeilijke doorstroming, grote bezwaren verbonden. Met de verlegging van de Bergerweg kan deze via een nieuw aan te leggen rotonde rechtstreeks worden aangesloten op de Processieweg. De onoverzichtelijke en onveilige bajonetaansluiting kan daarmee worden opgeheven.

2.7.5.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder aan de verkeerskundige belangen in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen dan aan de belangen van appellant. Zij acht in dit verband niet aannemelijk gemaakt dat voormelde negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering dusdanig zijn dat de rendabele voortzetting van het bedrijf ter plaatse onmogelijk zal worden. Het grootste gedeelte van de teeltgronden van appellant zal behouden en bereikbaar blijven. Voorts is zij er niet van overtuigd dat feitelijk en planologisch niet in herbouw van de te verwijderen loods zal kunnen worden voorzien ten zuiden van de te verleggen Bergerweg op de gronden waar thans enige fruitteelt plaatsvindt. De met alle ontwikkelingen gepaard gaande financieel nadelige gevolgen kunnen aan de orde komen in de onderhandelingen met Rijkswaterstaat. Verder is niet gebleken dat het woon- en leefklimaat door de verlegde Bergerweg in ernstige mate negatief zal worden beïnvloed. Wat betreft de geluidbelasting op de woning van appellant zijn in overeenstemming met het bepaalde in de Wet geluidhinder hogere grenswaarden vastgesteld.

2.7.6.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

   Het beroep van [appellant sub 5] is op dit punt ongegrond.

2.8.    [appellanten sub 4] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de rooilijnbepaling in artikel 4, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften. Zij achten dit voorschrift te vergaand omdat hier ook reclameuitingen onder vallen.

   [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] stellen verder in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de rooilijnbepaling in artikel 4, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften. Zij zijn van mening dat zij door dit voorschrift onaanvaardbaar in hun bedrijfs- en bouwmogelijkheden worden beperkt.

2.8.1.    Verweerder heeft geen reden gezien artikel 4, eerste lid, onder a en b, van de planvoorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze planonderdelen goedgekeurd. Hij acht de regelingen in overeenstemming met het op dit punt gevoerde beleid.

2.8.2.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften mogen in afwijking van het bepaalde in de navolgende planvoorschriften in een strook van 50 m1 vanaf de as van de dichtstbijgelegen rijbaan van Rijksweg 73-zuid en de bijbehorende toe- en afritten, welke aldus gevormde zone op de plankaart is aangeduid als “50 m1 rooilijn Rijksweg 73-Zuid”, geen andere bouwwerken worden gebouwd dan met de bestemming “Verkeersdoeleinden 1 –V1-“ verband houdende bouwwerken en, voor zover buiten deze gronden met de bestemming “Verkeersdoeleinden 1 –V1-“ gelegen, direct met de aanleg van Rijksweg 73-zuid verband houdende bouwwerken, zoals ecologische voorzieningen.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften mogen in afwijking van het bepaalde in de navolgende planvoorschriften in een strook tussen 50 m1 en 100 m1 vanaf de as van de dichtstbijgelegen rijbaan van Rijksweg 73-zuid, welke op de plankaart is aangeduid als “100 m1 rooilijn Rijksweg 73-Zuid”, slechts bouwwerken die direct verband houden met de aanleg van Rijksweg 73-zuid, zoals geluidwerende voorzieningen en ecologische voorzieningen, worden gebouwd.

   Ingevolge het tweede lid is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het eerste lid, onder b, voor de bouw van bouwwerken welke zijn toegelaten krachtens de aan de desbetreffende gronden gegeven bestemming, mits geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan van de belangen van het wegverkeer. Daartoe dient vooraf de desbetreffende wegbeheerder te zijn gehoord.

2.8.3.    Op de plankaart is door middel van twee streepjeslijnen evenwijdig aan het tracé van de nieuwe Rijksweg voorzien in de aanduidingen “50 m1 rooilijn Rijksweg 73-Zuid” en “100 m1 rooilijn Rijksweg 73-Zuid”. De percelen van [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] bevinden zich voor een aanmerkelijk gedeelte in de zone die ziet op de rooilijn tot 100 m1.

2.8.4.    Naar uit de stukken blijkt heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan op dit punt vastgesteld op grondslag van het door de Minister van Verkeer en Waterstaat gevoerde rooilijnenbeleid, dat wordt gehanteerd langs rijkswegen. Uit dit beleid vloeien twee zones voort. De eerste zone betreft een bebouwingsvrije zone en strekt zich uit van 0 tot 50 meter uit de as van de dichtstbijgelegen rijbaan dan wel toe- of afrit. De tweede zone bestaat uit een strook van 50 tot 100 meter; voor het oprichten van bouwwerken in deze zone dient overleg met de wegbeheerder te worden gevoerd. De zones zijn onder meer bedoeld om te kunnen inspelen op toekomstige ontwikkelingen, om milieuhinder te beperken en om afleiding voor de weggebruiker te verminderen.

   Dit beleid van de Minister van Verkeer en Waterstaat dat door verweerder is overgenomen en neergelegd in de in maart 2001 vastgestelde “Handleiding bestemmingsplannen c.a.”, actualisatie 2001, acht de Afdeling niet onredelijk. Zij ziet in de situatie van appellanten geen aanleiding voor het oordeel dat dit niet juist of anderszins op onrechtmatige wijze in de voorschriften is neergelegd. Daarbij betrekt zij dat niet is voorzien in absolute bouwverboden.

2.8.5.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 4, eerste lid, onder a en b, van de planvoorschriften niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] op deze punten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan deze planvoorschriften.

   De beroepen van [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] zijn op deze punten ongegrond.

2.9.    [appellanten sub 4] stellen ten slotte in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 45, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften. Zij achten deze bevoegdheid in strijd met de rechtszekerheid aangezien in het voorschrift geen toepassingscriteria zijn vermeld.

2.9.1.    Verweerder heeft geen reden gezien het voorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft dit goedgekeurd. Gelet op de beperkingen die zijn vermeld in artikel 8 van de planvoorschriften, waarin een medebestemmingsregeling is gegeven voor de aanleg en instandhouding van leidingen ten behoeve van het transport van solvay-pekel, elektriciteit, gas en water, is het voorschrift niet in strijd met de rechtszekerheid, aldus verweerder in zijn verweerschrift.

2.9.2.    Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO kan, voor zover hier van belang, bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders het plan kan wijzigen binnen bij het plan te bepalen grenzen. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 11 van de WRO berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

2.9.3.    Ingevolge artikel 45, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de aanleg en verlegging van kabels en leidingen, waarlangs aan weerszijden zones zijn gelegen die het bouwen van bouwwerken en het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan beperkingen binden, welke beperkingen verband houden met de bescherming van de kabels en leidingen.

   Nog afgezien van de omstandigheid dat in dit voorschrift een verwijzing naar het volgens verweerder in dit kader van belang zijnde artikel 8 van de planvoorschriften ontbreekt, ontbreken criteria of andere indicaties om te bepalen in welke gevallen en onder welke omstandigheden het college van burgemeester en wethouders tot wijziging van het plan kan overgaan. De wijzigingsbevoegdheid, die bovendien aanzienlijke ruimtelijke gevolgen voor het plangebied kan hebben, is daarmee onbegrensd.

   Gelet hierop is artikel 45, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften in strijd met artikel 11, eerste lid, van de WRO. Door het planvoorschrift niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met laatstbedoeld artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

   Het beroep van [appellanten sub 4] is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.9.4.    Hieruit volgt dat rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 45, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften.

2.10.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellanten sub 4] te worden veroordeeld. Wat betreft [appellanten sub 1], [appellant sub 2], het waterschap en [appellant sub 5] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellanten sub 4] gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 18 november 2003, kenmerk 2003/49194, voor zover het betreft:

a. de plandelen met de bestemmingen “Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarde -AGHL-“, “Bebouwingsklasse -B1-”, “Achtertuin” en “Tuin”, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

b. artikel 45, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften;

III.    onthoudt goedkeuring aan de onder II.a. bedoelde plandelen en het onder II.b. vermelde planvoorschrift;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

V.    verklaart het beroep van [appellanten sub 4] voor het overige en de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2], het waterschap en [appellant sub 5] geheel ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg in de door [appellanten sub 4] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 698,37, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Limburg te worden betaald aan [appellanten sub 4];

VII.    gelast dat de provincie Limburg aan [appellanten sub 4] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman    w.g. Bechinka

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005

371.