Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS6204

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
200405126/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel (hierna: het college) appellanten op grond van artikel 17, eerste lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 289 van het Bouwbesluit, en met toepassing van artikel 21, tweede lid, van de Woningwet, en onder aanzegging van bestuursdwang, aangeschreven om binnen vier weken vanaf de dag van verzending van deze brief aan de sporthal op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: de sporthal) die voorzieningen te treffen die noodzakelijk zijn om aan de in het rapport van Temid beschreven situatie een einde te maken zodat de constructieve veiligheid is gewaarborgd, waarbij appellanten de keuze wordt gelaten tussen het voldoen aan de aanschrijving en het staken van het gebruik van het op de bijgevoegde tekening aangegeven gedeelte van de sporthal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2005/916
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405126/1

Datum uitspraak: 16 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 mei 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel (hierna: het college) appellanten op grond van artikel 17, eerste lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 289 van het Bouwbesluit, en met toepassing van artikel 21, tweede lid, van de Woningwet, en onder aanzegging van bestuursdwang, aangeschreven om binnen vier weken vanaf de dag van verzending van deze brief aan de sporthal op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: de sporthal) die voorzieningen te treffen die noodzakelijk zijn om aan de in het rapport van Temid beschreven situatie een einde te maken zodat de constructieve veiligheid is gewaarborgd, waarbij appellanten de keuze wordt gelaten tussen het voldoen aan de aanschrijving en het staken van het gebruik van het op de bijgevoegde tekening aangegeven gedeelte van de sporthal.

Bij besluit van 10 maart 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk ongegrond en het bestreden besluit herroepen in die zin dat appellanten op dezelfde wettelijke grondslag onder aanzegging van bestuursdwang worden aangeschreven om binnen een termijn van vier weken vanaf de dag van verzending van dit besluit de kalksteenmuur aangegeven op de bij deze beslissing behorende tekening te vervangen door een lichte scheidingswand, althans te vervangen door een zodanig lichte scheidingswand dat daardoor het gevaar voor het bezwijken van de begane grond vloer waarop deze wand rust wordt weggenomen, en de stalen ligger op de kalkzandsteenmuur te verankeren, waarbij appellanten opnieuw de keuze wordt gelaten tussen het voldoen aan de aanschrijving en het staken van het gebruik van het op de bijgevoegde tekening aangegeven gedeelte van de sporthal.

Bij uitspraak van 10 mei 2004, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 18 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 oktober 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2005, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. P. van Wijngaarden, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.J.N. Schuurman, advocaat te Alkmaar, mr. M.M. Schaper en N.J. Slagter, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Artikel 17, eerste lid, van de Woningwet bepaalt dat indien een gebouw, niet zijnde een woning, woonkeet of woonwagen, wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, kunnen aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.

   In het derde lid van dit artikel is bepaald dat indien de aanschrijving, bedoeld in het derde lid, geschiedt met het oog op gevaar of ernstige hinder, burgemeester en wethouders in de aanschrijving tevens kunnen bepalen dat gedurende de in dat lid bedoelde termijn het gebruik van het gebouw moet worden gestaakt.

   Artikel 21, tweede lid, van de Woningwet bepaalt dat indien burgemeester en wethouders in de aanschrijving vermelden, dat deze verband houdt met gevaar of ernstige hinder dan wel met een sluiting als bedoeld in artikel 16a, degene, tot wie de aanschrijving is gericht, of zijn rechtsopvolger, ook al is die aanschrijving nog niet onherroepelijk, bij voorraad aan die aanschrijving moet voldoen.

   In het derde lid van dit artikel is bepaald dat indien tegen een  aanschrijving als bedoeld in het tweede lid, een bezwaarschrift is ingediend of beroep is ingesteld en het bezwaarschrift gegrond is verklaard of de beslissing op het beroep inhoudt dat ten onrechte is aangeschreven, de gemeente de schade vergoedt die het gevolg is van het bij voorraad voldoen aan de aanschrijving.

   In artikel 23, derde lid, van de Woningwet is bepaald dat indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving betrekking heeft op een niet tot bewoning bestemd gebouw, een bouwwerk, niet zijnde een gebouw, dan wel op een standplaats, zij bij die aanschrijving de keuze laten tussen enerzijds het treffen van de voorzieningen en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn staken of doen staken van het gebruik, in verband waarmede de voorzieningen worden gelast.

2.2.    Niet in geschil is dat de sporthal wegens strijd met artikel 289 van het Bouwbesluit voorzieningen behoeft, zodat het college bevoegd was tot de aanschrijving zoals opgenomen in de bestreden beslissing op bezwaar.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid tot de aanschrijving heeft kunnen besluiten omdat het college hen in de gelegenheid had moeten stellen de voorzieningen op vrijwillige basis te treffen. Verder voeren zij aan dat het college hen niet had mogen aanschrijven voor het bekend zijn van de constructieberekeningen, aangezien eerst dan duidelijk is aan welke bouwtechnische eisen de te treffen voorzieningen moeten voldoen. Daarbij merken zij op dat het college wist dat zij wegens financiële omstandigheden geen constructieberekeningen konden laten maken en zij aldus feitelijk geen andere keus hadden dan een deel van de sporthal te sluiten.

2.4.    Vast staat dat het deel van de sporthal waar de beslissing op bezwaar op ziet, tijdens en na de oprichting in 1997 meerdere malen per jaar is gecontroleerd door ambtenaren van Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Harenkarspel, die daarbij vanaf 1999 zijn  bijgestaan door deskundigen van de adviesburo's "BerhoutTros bouwadviseurs", "Temid" en "A. Harder b.v.". Niet in geschil is dat eerst uit het deskundigenrapport van "Temid" van 16 april 2002, bleek dat in dit deel van de sporthal instortingsgevaar dreigde.

   Vast staat voorts dat het dreigende instortingsgevaar, zoals in het rapport van "Temid" geconstateerd, is bevestigd in de deskundigenrapporten van "A. Harder b.v" van 13 september 2002, en "BerkhoutTros bouwadviseurs" van 10 oktober 2002. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in deze situatie direct handelen was vereist. Gelet op de stukken van het geding, waaronder de namens appellanten aan het college gezonden brief van 13 mei 2002, en het verhandelde ter zitting kan niet worden geoordeeld dat het college er op had kunnen vertrouwen dat appellanten de nodige maatregelen terstond en op vrijwillige basis zouden treffen. De rechtbank heeft daarin dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om appellanten aan te schrijven.

   De omstandigheid dat direct handelen was vereist teneinde gevaar voor de gebruikers van de sporthal af te wenden, leidt verder tot het oordeel dat het college terecht heeft afgezien van het afwachten van constructieberekeningen. Dat appellanten er vanwege hun financiële situatie voor hebben gekozen om het maken van de constructieberekeningen aan het college over te laten en aan de aanschrijving te voldoen door een deel van de sporthal te sluiten, maakt dat niet anders.

   Dit betoog van appellanten faalt derhalve.

2.5.    Nu appellanten terecht zijn aangeschreven, behoeft de grief van appellanten, dat de rechtbank ten onrechte niet heeft overwogen dat het college dient over te gaan tot vergoeding van de schade als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de Woningwet, geen bespreking meer.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Sluiter

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005

292.