Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS6198

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2005
Datum publicatie
07-02-2005
Zaaknummer
200500962/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door middel van zowel aanplakking op het aanplakbord aan het raadhuis als publicatie in de Soester Courant op 26 januari 2005 heeft verweerder (hierna: het centraal stembureau) kennis gegeven van de vaststelling van de uitslag van het referendum, gehouden over het besluit van de gemeenteraad van Soest van 3 juni 2004 en daarbij vermeld dat deze niet geldt als een raadgevende uitspraak tot afwijzing.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Tijdelijke referendumwet
Tijdelijke referendumwet 8
Wet voorkeursrecht gemeenten
Wet voorkeursrecht gemeenten 8
Wet voorkeursrecht gemeenten 10
Wet voorkeursrecht gemeenten 26
Wet voorkeursrecht gemeenten 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200500962/1.

Datum uitspraak: 7 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het centraal stembureau van de gemeente Soest,

verweerder.

1. Procesverloop

Door middel van zowel aanplakking op het aanplakbord aan het raadhuis als publicatie in de Soester Courant op 26 januari 2005 heeft verweerder (hierna: het centraal stembureau) kennis gegeven van de vaststelling van de uitslag van het referendum, gehouden over het besluit van de gemeenteraad van Soest van 3 juni 2004 en daarbij vermeld dat deze niet geldt als een raadgevende uitspraak tot afwijzing.

Hiertegen heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 februari 2005.

Bij brief van 3 februari 2005 heeft het centraal stembureau een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 3 februari 2005 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Bij brief van 4 februari 2005 heeft het centraal stembureau nadere stukken ingediend.

De Afdeling, samengesteld uit mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, heeft de zaak, in aanwezigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat, ter zitting behandeld op 7 februari 2005, waar appellant in persoon, en het centraal stembureau, vertegenwoordigd door mr. K.C.P. Haagen, J.T.J. Pot en mr. M. Schadé, zijn verschenen.

Bij mondelinge uitspraak, gedaan op diezelfde dag, heeft de Afdeling zich onbevoegd verklaard om van het beroep van appellant kennis te nemen en gelast dat de gemeente Soest aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.

Daartoe heeft zij het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening op het correctief raadgevend referendum van de gemeente Soest (hierna: de Verordening) kan, behoudens de onderwerpen waarover uit hoofde van de Tijdelijke referendumwet (hierna ook: de Trw) een referendum kan worden gehouden of waarover een referendum op grond van artikel 8, derde lid, van de Trw is uitgesloten, over alle besluiten van de raad indien en voorzover dat niet op grond van de Trw of deze verordening is uitgesloten een referendum worden gehouden. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening zijn op een referendum als hiervoor bedoeld in artikel 3, de bepalingen van de Trw die zijn opgenomen voor een gemeentelijke referendum als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van die wet van overeenkomstige toepassing, voorzover in deze verordening niet anders is bepaald.

Bij besluit van 3 juni 2004 heeft de gemeenteraad op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten de artikelen 10-24, 26 en 27 van deze wet op de gronden ter weerszijden van de Amersfoortsestraat van toepassing verklaard. Over dit besluit is in de gemeente Soest op 19 januari 2005 een referendum gehouden, waarvan de uitslag door het centraal stembureau op 19 januari 2005 is vastgesteld. Bij de kennisgeving daarvan heeft het centraal stembureau vermeld dat belanghebbenden tegen de vaststelling van de uitslag van het referendum beroep kunnen instellen door binnen zes dagen na deze publicatie een beroepschrift in te dienen bij de Afdeling.

Het besluit van 3 juni 2004 is geen besluit, als bedoeld in artikel 8 van de Trw. De Tijdelijke referendumwet is dan ook niet van toepassing. Weliswaar bepaalt artikel 4, eerste lid, van de Verordening dat de bepalingen van de Trw van overeenkomstige toepassing zijn op een referendum, zoals thans aan de orde, doch de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad strekt niet zover dat hij op grond daarvan bevoegd is een van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), artikel 7:1, eerste lid, van die wet en artikel 6:7 daarvan, in onderlinge samenhang gelezen, afwijkende rechtsgang open te stellen. De Afdeling is dan ook onbevoegd in eerste en enige aanleg van het beroep van appellant kennis te nemen. Het beroepschrift zal met toepassing van artikel 6:15, tweede lid, van de Awb worden doorgezonden aan het centraal stembureau, ter behandeling als bezwaarschrift. In dat verband verstaat de Afdeling dat het centraal stembureau van de vaststelling van de uitslag van het referendum opnieuw kennis zal geven.

Nu het centraal stembureau bij kennisgeving op 26 januari 2004 ten onrechte heeft vermeld dat beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld en in zoverre onjuiste informatie heeft verstrekt, ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te gelasten dat de gemeente Soest aan appellant het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

w.g. Van der Meer    w.g. Van Loon

Voorzitter    ambtenaar van Staat

284-435.