Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS6186

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
200404771/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2003 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de Minister) het verzoek van appellant om overlegging van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt individueel ambtsbericht van 12 november 2002 ingewilligd met uitzondering van enkele passages.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404771/1.

Datum uitspraak: 16 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 april 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2003 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de Minister) het verzoek van appellant om overlegging van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt individueel ambtsbericht van 12 november 2002 ingewilligd met uitzondering van enkele passages.

Bij besluit van 13 mei 2003 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 april 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 juli 2004 heeft de Minister van antwoord gediend.

Bij brief van 9 augustus 2004 heeft appellant de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De Afdeling heeft de zaak aan de orde gesteld ter zitting op 10 januari 2005, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

   2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur – voor zover hier van belang - blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2.    Bij besluit van 13 mei 2003 heeft de Minister zijn weigering gehandhaafd om uit de twee memoranda die ten grondslag hebben gelegen aan het individuele ambtsbericht van de Minister dat is opgemaakt in het kader van een asielaanvraag van appellant, bepaalde passages te verstrekken, met name die welke betrekking hebben op namen, functies en werkomgeving van vertrouwenspersonen, geraadpleegde bronnen, gebruikte methoden en technieken van onderzoek respectievelijk het kennisniveau.

De Minister heeft zich daarbij beroepen op het belang van bronbescherming, het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang van bescherming van de gehanteerde methoden en technieken van onderzoek.

   De rechtbank is van oordeel dat de Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid openbaarmaking van deze passages achterwege heeft kunnen laten.

2.3.    Appellant heeft zich in beroep bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat zijn specifieke belangen bij openbaarmaking van de gevraagde informatie, welke belangen verband houden met zijn asielprocedure, ten onrechte niet dan wel onvoldoende zijn meegewogen.

   De rechtbank heeft het door appellant in dit verband gedane beroep op de artikelen 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: Bupo), verworpen.

2.4.    Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank over artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het Bupo. Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat hij in zijn belangen is geschaad nu hij niet alle achterliggende stukken inzake zijn asielprocedure heeft kunnen inzien. Zijns inziens heeft de rechtbank miskend dat hij zich niet heeft beroepen op de rechtstreekse werking van artikel 6 van het EVRM maar op de verplichting van de Nederlandse overheid om ook in asielzaken het beginsel van 'equality of arms' te respecteren.

   Dit betoog faalt. Het beroep van appellant op de artikelen 6 van het EVRM en 14 van het Bupo betreft de asielprocedure van appellant en zijn specifieke belang daarbij, en niet de onderhavige procedure op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, waarin wordt beoordeeld of voornoemde tekstpassages aan een ieder openbaar dienen te worden gemaakt.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Broodman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005

204.