Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS6184

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
200404061/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2002 is namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) op grond van de Huursubsidiewet (hierna: de wet) aan appellante voor het subsidietijdvak 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 huursubsidie ten bedrage van € 822,36 toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404061/1.

Datum uitspraak: 16 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 april 2004 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister (voorheen: de Staatssecretaris) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2002 is namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) op grond van de Huursubsidiewet (hierna: de wet) aan appellante voor het subsidietijdvak 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 huursubsidie ten bedrage van € 822,36 toegekend.

Bij besluit van 13 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Hoofd van de Unit Correspondentie op last van de Directeur-Generaal Wonen voor de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2004, verzonden op die dag, heeft de rechtbank van Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 13 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 10 juni 2004 en 11 juni 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 juli 2004 heeft de Minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2004, waar appellante in persoon, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. J.C.A. Stevens, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de wet wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder rekeninkomen verstaan: het gezamenlijk inkomen van de huurder en de medebewoners in het peiljaar.

    Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder b, van de wet wordt indien over het peiljaar geen aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld – zoals in het geval van appellante - onder inkomen verstaan het gecorrigeerde belastbare loon over het peiljaar.

    Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet, voor zover van belang, kan de Minister ambtshalve of op verzoek van de huurder, als in een bepaald geval de onverkorte toepassing van de desbetreffende bepalingen, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden bij de toepassing van artikel 3, derde lid, of artikel 4, derde lid, bepaalde inkomsten of vermogenbestanddelen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing laten.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bestreden besluit, dat is vernietigd omdat dit onbevoegd is genomen, wat de inhoud betreft de rechterlijke toets kan doorstaan en dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven.

2.3.    Tevergeefs heeft appellante in dat verband betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat bij het vaststellen van de hoogte van de huursubsidie ten onrechte is uitgegaan van het door de Belastingsdienst vastgestelde gecorrigeerde belastbaar loon over 2001 zonder dat daarbij een vakantietoeslag over het jaar 2000, die in 2001 is uitgekeerd, in mindering is gebracht.

2.4.    De Staatssecretaris/Minister dient bij het vaststellen van de huursubsidie immers (in beginsel) uit te gaan van de gegevens zoals die door de Belastingsdienst zijn aangeleverd. Vast staat dat appellante tegen de vaststelling van bovengenoemd loon door de Belastingdienst geen bezwaar heeft gemaakt. Gelet daarop is voor een inhoudelijke beoordeling of bij het door de Belastingsdienst vastgestelde gecorrigeerde loon over 2001 terecht meergenoemde vakantietoeslag in aanmerking is genomen, in deze procedure geen ruimte.

2.5.    Voorts heeft appellante, onder verwijzing naar een brief van de Staatssecretaris van 19 augustus 2003, aangevoerd dat, gelet op haar situatie, de rechtbank heeft miskend dat de hardheidsclausule van artikel 26 van de wet ten onrechte niet is toegepast. Zij heeft daartoe betoogd dat het in aanmerking nemen van meergenoemde vakantietoeslag leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.

2.6.    De Afdeling overweegt dienaangaande het volgende. De brief van de Staatssecretaris van 19 augustus 2003 bevat een negatief antwoord op het verzoek van appellante van 28 juli 2003 om toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet voor het subsidietijdvak 1 juli 2003 tot 1 juli 2004. In deze brief is het door de Minister gehanteerde beleid opgenomen terzake van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet waarbij, voor zover hier van belang, is aangegeven dat in bijzondere gevallen inkomsten buiten beschouwing worden gelaten indien sprake is van (2) een nabetaling van loon of een uitkering. Hierbij geldt de voorwaarde dat het uitblijven van de betaling in eerdere jaren per saldo niet tot meer huursubsidie heeft geleid dan het éénmalig verlies aan huursubsidie door de nabetaling en (4) inkomsten die door administratieve oorzaken een hoger belastbaar inkomen hebben veroorzaakt. De brief heeft weliswaar betrekking op een ander subsidietijdvak, maar ter zitting is van de zijde van de Minister aangegeven dat het in de brief weergegeven beleid ook in het subsidietijdvak 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 van toepassing was.

2.7.    In het primaire besluit van 21 oktober 2002 noch in het bestreden besluit is ingegaan op de hardheidsclausule en in bijzonder op het door de Minister gevoerde beleid, dat vóór het nemen van het bestreden besluit door appellante onder de aandacht van de Minster is gebracht. Dit klemt te meer nu – naar ter zitting desgevraagd is bevestigd door de vertegenwoordiger van de Minister - de vakantietoeslag over het jaar 2000, die in 2001 is uitgekeerd, lijkt te moeten worden aangemerkt als inkomen weergegeven in onderdeel 2 van het beleid. In zoverre is het bestreden besluit dan ook onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft dit miskend.

2.8.    De Afdeling zal derhalve de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij toepassing is gegeven aan artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Ook voor het overige is het hoger beroep gegrond. Nu het dictum van de aangevallen uitspraak verder juist is, aangezien de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, dient zij voor het overige, met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.9.    De Minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

     

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 april 2004, voor zover daarbij met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het besluit van het Hoofd van de Unit Correspondentie dat is genomen op last van de Directeur-Generaal Wonen voor de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 augustus 2003 in stand zijn gelaten;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop zij rust, voor het overige;

IV.    veroordeelt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 50,27,-- , het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke  Ordening en Milieubeheer) te worden betaald aan appellante;

V.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 205,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Ouwehand

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005

224.