Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS6183

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
200403569/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 januari 2003 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de Minister) het verzoek van appellant om overlegging van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt individueel ambtsbericht van 11 juni 1997 ingewilligd met uitzondering van enkele passages.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 2
Wet openbaarheid van bestuur 3
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2005/173 met annotatie van T. Barkhuysen
JB 2005/101 met annotatie van prof. mr. G. Overkleeft-Verburg
JIN 2005/212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200403569/1.

Datum uitspraak: 16 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 maart 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2003 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de Minister) het verzoek van appellant om overlegging van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakt individueel ambtsbericht van 11 juni 1997 ingewilligd met uitzondering van enkele passages.

Bij besluit van 14 mei 2003 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 maart 2004, verzonden op 16 maart 2004, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 juni 2004 heeft de Minister van antwoord gediend.

Bij brief van 4 augustus 2004 heeft appellant de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J. Groen, advocaat te Den Haag, is verschenen. De Minister is, met bericht, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) – voor zover hier van belang - blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2.    Het geschil heeft betrekking op de door de Minister gehandhaafde weigering om uit de twee memoranda die ten grondslag hebben gelegen aan het individuele ambtsbericht van de Minister dat is opgemaakt in het kader van een asielaanvraag van appellant, bepaalde passages te verstrekken, met name die welke betrekking hebben op namen, functies en werkomgeving van vertrouwenspersonen, geraadpleegde bronnen, gebruikte methoden en technieken van onderzoek respectievelijk het kennisniveau.

   De Minister heeft zich daarbij beroepen op het belang van bronbescherming (betreft het memorandum van 11 februari 1997 en dat van 15 april 1997), het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (eveneens beide memoranda) en het belang van bescherming van de gehanteerde methoden en technieken van onderzoek (memorandum van 15 april 1997).

2.3.    Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn specifieke belangen bij openbaarmaking van de gevraagde informatie, welke belangen verband houden met zijn asielprocedure, ten onrechte niet dan wel onvoldoende zijn meegewogen. In dit verband heeft hij benadrukt dat hij over het volledige memorandum van 15 april 1997 moet kunnen beschikken omdat hij moet kunnen begrijpen waarom de Minister meent dat sommige van de door hem in het kader van de asielprocedure overgelegde documenten vals zijn en hij die bewering van de Minister moet kunnen weerleggen.

2.4.    De Afdeling volgt appellant niet in dit standpunt. Het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob dient uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Daarom kan ten aanzien van de openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat bij de in het kader van de Wob te verrichten belangenafweging worden betrokken het algemene belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen, maar niet het specifieke belang van appellant. Deze belangenafweging kan niet leiden tot een niet-algemene vorm van openbaarmaking, dat wil zeggen slechts bekendmaking aan de verzoeker wegens diens specifieke belang.

   De vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de (redelijkheids)toetsing overeenkomstig het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.

2.5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 4 februari 2004 in zaak no. 200305278/1 en van 6 oktober 2004 in zaak no. 200400880/1 (AB 2004, 366) heeft de Minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij openbaarmaking van de stukken die aan een ambtsbericht als hier aan de orde ten grondslag hebben gelegen, in het algemeen de belangen van bronbescherming, van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van bescherming van de gehanteerde methoden en technieken van onderzoek, zwaarder wegen dan het openbaarheidsbelang, en dat in elk individueel geval dient te worden beoordeeld of de eerstgenoemde belangen zich inderdaad voordoen. Vervolgens dient, indien de Minister van oordeel is dat deze belangen zich voordoen, de (uit de wet voortvloeiende) belangenafweging door de Minister te worden gemotiveerd.

2.6.    De Minister heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de inhoud van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, in dit geval genoemde belangen aanwezig zijn en dat deze belangen, mede met het oog op toekomstig onderzoek, zich ertegen verzetten dat hij meer informatie verschaft dan de thans aan appellant verstrekte informatie.

2.7.    Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de niet aan appellant verstrekte tekstpassages in de twee memoranda van 11 februari en 15 april 1997, stelt de Afdeling vast dat de belangen waarop de Minister zich heeft beroepen, bij de informatie in deze passages aan de orde zijn.

   Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid openbaarmaking van deze passages achterwege heeft kunnen laten. Dit oordeel heeft betrekking op beide memoranda, hoewel de rechtbank slechts het memorandum van 15 april 1997 met zoveel woorden noemt.

   Met de rechtbank overweegt de Afdeling dat vragen met betrekking tot de totstandkoming en het waarheidsgehalte van het uitgebrachte ambtsbericht, in dit geding niet ter beoordeling staan en in de asielprocedure aan de orde kunnen worden gesteld.

2.8.    Het beroep van appellant op artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), waarbij hij heeft aangevoerd dat hij in zijn belangen is geschaad nu hij de redenering van de Minister waarom bepaalde overgelegde documenten vals zijn niet kan toetsen, faalt. Dit beroep betreft de asielprocedure van appellant en zijn specifieke belang daarbij, en niet de onderhavige procedure, waarin wordt beoordeeld of voornoemde tekstpassages aan een ieder openbaar dienen te worden gemaakt. Anders dan appellant is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat uit artikel 6 van het EVRM geen zelfstandig recht op openbaarmaking van de gevraagde passages voortvloeit.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop zij rust.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Broodman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005

204.