Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS6173

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2005
Datum publicatie
07-02-2005
Zaaknummer
200409300/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2004, kenmerk 1029443, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de "Coöperatie Beheer Mineralen UA" een vergunning verleend voor een periode van vijf jaar voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het vergisten van een mengsel van dierlijke meststoffen en bermgras, het verbranden van het vrijkomende biogas ten behoeve van het opwekken van elektriciteit en het scheiden van het vergiste mengsel in een dikke en een dunne fractie aan het industrieterrein Molenveld te Wanroij, kadastraal bekend gemeente Wanroij, sectie K, nummer 1028. Dit besluit is op 8 oktober 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409300/2.

Datum uitspraak: 7 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2004, kenmerk 1029443, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de "Coöperatie Beheer Mineralen UA" een vergunning verleend voor een periode van vijf jaar voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het vergisten van een mengsel van dierlijke meststoffen en bermgras, het verbranden van het vrijkomende biogas ten behoeve van het opwekken van elektriciteit en het scheiden van het vergiste mengsel in een dikke en een dunne fractie aan het industrieterrein Molenveld te Wanroij, kadastraal bekend gemeente Wanroij, sectie K, nummer 1028. Dit besluit is op 8 oktober 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 19 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 december 2004.

Bij brief van 22 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 januari 2005, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, en verweerder, vertegenwoordigd door R.M. de Groot, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, en H.T.M. Nooyens, gemachtigde, en [derde belanghebbenden], bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    De Voorzitter stelt voorop dat een voorlopige voorzieningsprocedure zich niet leent voor een uitgebreide beoordeling van alle bezwaren van verzoekers. Dit kan eerst in de bodemprocedure plaatsvinden. Thans dient te worden beoordeeld of, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening is aangewezen.

2.3.    Voor zover verzoekers aanvoeren dat de in de aanvraag opgenomen gegevens onvolledig of onjuist zijn overweegt de Voorzitter dat vooralsnog niet gebleken is dat de aanvraag niet voldoet aan het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer of dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

2.4.    Verzoekers voeren aan dat voor een initiatief van deze omvang een milieueffectrapportage had moeten worden opgesteld. Zij zijn van oordeel dat er op verweerder een m.e.r.-beoordelingsplicht rust. Aan de hand van een aantal berekeningen willen zij aantonen dat de maximum capaciteit van de inrichting boven de 100 ton per dag ligt.

2.4.1.    Verweerder voert aan dat uit de aanvraag voortvloeit dat de maximale capaciteit van de inrichting 98,7 ton per dag is en dat er op hem derhalve geen m.e.r.-beoordelingsplicht rust.

2.4.2.    Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden, voor zover hier relevant, bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.8b en 7.8d moet bepalen of voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt ondernomen, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

   Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieu-effectrapport 1994 worden, voor zover hier van belang, als activiteiten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de wet aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

   In onderdeel D, categorie 18.2, van de Bijlage zijn als activiteiten aangewezen de oprichting van een inrichting bestemd voor het bewerken, verwerken of vernietigen van dierlijke of overige organische meststoffen, groenafval en GFT, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen. Voor gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met een capaciteit van 100 ton per dag of meer moet het bevoegd gezag bepalen of vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen een milieueffectrapport gemaakt dient te worden.

2.4.3.    De Voorzitter overweegt dat bij beantwoording van de vraag of voor hetgeen is aangevraagd een wettelijke plicht bestaat tot het uitvoeren van een beoordeling of een milieueffectrapport moet worden opgesteld, moet worden uitgegaan van de capaciteit die met de installatie maximaal kan worden gerealiseerd. Hierbij moet worden uitgegaan van de technische mogelijkheden en beperkingen van de installatie, zoals die uit de aanvraag volgen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Voorzitter in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat uit de aanvraag een capaciteit van de onderhavige installaties van minder dan 100 ton per dag blijkt. Vooralsnog is de Voorzitter dan ook van mening dat er voor verweerder geen verplichting bestond om te beoordelen of een milieueffectrapport moest worden opgesteld. In zoverre treft het verzoek geen doel.

2.5.    Verzoekers voeren aan te vrezen dat het verkrijgen van rechtskracht van de onderhavige vergunning zal betekenen dat er een bouwvergunning zal worden verleend voor het bouwen van de inrichting. Tevens voeren verzoekers aan dat er nog geen planologische basis voor de inrichting aanwezig is omdat het betrokken terrein een agrarische bestemming heeft.

   De Voorzitter overweegt dat deze beroepsgronden geen betrekking hebben op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en reeds om die reden niet kunnen slagen.

2.6.    Verzoekers voeren aan te vrezen dat de inrichting geurhinder zal veroorzaken. Zij baseren dit, onder meer, op een geurrapport van een vergelijkbare installatie in Nijverdal. Tevens stellen verzoekers vraagtekens bij de juistheid van de bij de aanvraag gevoegde geuronderzoeken.

2.6.1.    Verweerder voert aan dat uit de bij de aanvraag gevoegde geuronderzoeken blijkt dat geen onaanvaardbare geurhinder in de omgeving ten gevolge van de inrichting valt te verwachten. Tevens blijkt volgens verweerder uit die onderzoeken dat de cumulatieve geuremissie met de naburig geplande vergistingsinstallatie bij geen enkele woning leidt tot een overschrijding van de 1 geureenheid per kubieke meter als 99,5 percentielwaarde. Verweerder stelt verder dat op grond van de voorschriften binnen zes maanden na realisering van de inrichting de daadwerkelijke geurbelasting dient te worden vastgesteld.

2.6.2.    De Voorzitter stelt vast dat verweerder bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geur de "Nederlandse emissie richtlijn lucht" heeft toegepast en daarbij de meest strenge norm die deze richtlijn mogelijk maakt aan de vergunning heeft verbonden. Gelet hierop en gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt de Voorzitter dat uit hetgeen verzoekers aanvoeren niet valt af te leiden dat de gehanteerde geuronderzoeken dusdanige gebreken vertonen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de inrichting geen onaanvaardbare geurhinder zal gaan veroorzaken. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening treft in zoverre derhalve geen doel.

2.7.    Verzoekers voeren aan te twijfelen aan de juistheid van het bij de aanvraag gevoegde akoestische rapport. In dit kader stellen zij onder meer dat het als incidentele bedrijfssituatie opgevoerde gebruik van de fakkelinstallatie in het rapport onjuist wordt beschreven en dat onduidelijk is of een op het bedrijventerrein gelegen woning bij de beoordeling is betrokken.

2.7.1.    Verweerder voert aan dat uit de in het akoestisch onderzoek uitgevoerde berekeningen blijkt dat de inrichting geen onaanvaardbare geluidhinder zal veroorzaken.

2.7.2.    Verweerder heeft ter beoordeling van de geluidaspecten aansluiting gezocht bij de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening". Hij heeft daarbij de omgeving getypeerd als een "rustige woonwijk met weinig verkeer" en geconstateerd dat uit de bij de aanvraag gevoegde akoestische onderzoeken blijkt dat aan de hieraan gestelde eisen kan worden voldaan. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt de Voorzitter dat uit hetgeen verzoekers aanvoeren niet valt af te leiden dat de gehanteerde akoestische onderzoeken dusdanige gebreken vertonen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de inrichting geen onaanvaardbare geluidhinder zal gaan veroorzaken. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in zoverre af te wijzen.

2.8.    Verzoekers voeren aan dat verweerder ten onrechte weigert de vergunningtermijn te verkorten. Ze stellen dat de inrichting vermoedelijk niet rendabel zal blijken te zijn.

   De Voorzitter overweegt dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben bij het op deze grond treffen van een voorlopige voorziening, nog daargelaten dat economische motieven geen rol kunnen spelen bij de beoordeling van het bestreden besluit. Het verzoek treft in zoverre geen doel.

2.9.    De Voorzitter overweegt ook in de overige gronden geen aanleiding te zien voor het oordeel dat er een dusdanig spoedeisend belang aanwezig is dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen.

2.10.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Klap

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2005

315.