Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS6172

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
200409252/1 en 200409252/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het veranderen van een melkrundveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 7 oktober 2004 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 11 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 november 2004, beroep ingesteld. Bij brief van 12 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2004, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200409252/1 en 200409252/2.

Datum uitspraak: 9 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het veranderen van een melkrundveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 7 oktober 2004 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 11 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 november 2004, beroep ingesteld. Bij brief van 12 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2004, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2005, waar appellanten, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.D. van der Ploeg en D.B. van den Brink, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij daar gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    De bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning heeft betrekking op het vergroten van de reeds binnen de inrichting aanwezige ligboxenstal. Voor de onderhavige inrichting is eerder bij besluit van 15 juli 1983 krachtens de Hinderwet een oprichtingsvergunning verleend voor het houden van 215 melkkoeien. Bij besluit van 1 juni 1993 heeft verweerder deze vergunning ambtshalve aangepast.

2.2.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   [Appellante] heeft geen bedenkingen ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan deze appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep voorzover ingediend door [appellante] niet-ontvankelijk is.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

   Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.4.    Appellant betoogt onaanvaardbare enkelvoudige stankhinder te ondervinden als gevolg van het in werking zijn van de onderhavige inrichting. In dit verband voert hij aan dat de afstand van het voor stank relevante emissiepunt binnen de inrichting tot aan zijn woning te kort is. Bovendien zijn volgens appellant de uitgangspunten die in het bij de aanvraag gevoegde geurrapport worden gehanteerd onjuist en komen de uitkomsten van dit geuronderzoek niet overeen met de feitelijke geurbeleving.

2.4.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) tot uitgangspunt genomen. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd.

2.4.2.    Niet in geding is dat de omgeving van de inrichting moet worden aangemerkt als een categorie III in de zin van de brochure. Voorts staat vast dat in het onderhavige geval ten aanzien van de ligboxenstal niet wordt voldaan aan de op grond van de Richtlijn in samenhang met de brochure minimaal in acht te nemen afstand tot in de directe omgeving van de inrichting gelegen woningen van derden, zijnde de woning van appellant op circa 40 meter van de inrichting, gemeten vanaf het voor stank relevante emissiepunt in de nok van de stal. Als gevolg hiervan is sprake van een uit het oogpunt van stankhinder overbelaste situatie. Gelet hierop heeft verweerder de bij het bestreden besluit verleende vergunning wat stankhinder betreft op de bestaande rechten gebaseerd.

2.4.3.    Uit de stukken, waaronder de vergunningaanvraag, blijkt dat de bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning wat betreft het stankaspect alleen betrekking heeft op het vervangen van de bestaande ligboxenstal binnen de inrichting door een ligboxenstal met grotere ventilatie-openingen in de zijgevel, zodat een beter leefklimaat wordt gecreëerd voor de koeien. Het aantal te houden dieren binnen de inrichting wordt met het bestreden besluit niet uitgebreid. Ter zitting is door verweerder onweersproken gesteld dat de afstand van het emissiepunt in de nok van de stal tot aan de woning van appellant met het bestreden besluit niet verandert.

   Bij de aanvraag is een ventilatieonderzoek gevoegd van DGMR Raadgevend Ingenieurs B.V., rapport nr. I.2004.3004.01.R001, van 29 januari 2004. In dit onderzoek is bij verschillende windsnelheden berekend wat de stankemissie van de veranderde ligboxenstal is. Hieruit blijkt dat de nieuwe stal met de vergrote ventilatie-openingen niet leidt tot een toename van de door de inrichting te veroorzaken stankhinder bij de woning van appellant. In hetgeen appellant heeft aangevoerd en ook overigens ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat dit onderzoek op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd dan wel dat de uitkomsten van dit onderzoek onjuist zijn.

   Voorzover appellant heeft aangevoerd dat de ligboxenstal niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de aanvraag en de daarbij behorende tekening en dat voorts de in de aanvraag aangegeven afmetingen van de ventilatie-openingen onjuist zijn overweegt de Voorzitter, dat blijkens het dictum van het bestreden besluit de aanvraag en de daarbij behorende stukken deel uitmaken van de vergunning. De inrichting dient in werking te zijn overeenkomstig de bij het bestreden besluit verleende vergunning. Overigens voorziet de Algemene wet bestuursrecht in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

   Gezien het vorenstaande ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat de situatie uit een oogpunt van stankhinder niet zodanig is, dat met toepassing van artikel 8.4, derde lid, in samenhang met afdeling 8.1.2  van de Wet milieubeheer de aan de vergunning verbonden voorschriften zouden moeten worden aangescherpt dan wel de vergunning geheel of gedeeltelijk zou moeten worden geweigerd.

2.5.    Appellant betoogt onaanvaardbare geluidhinder te ondervinden als gevolg van het in werking zijn van de onderhavige inrichting. Appellant betwijfelt of de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting nog wel aan de geldende geluidgrenswaarden kan voldoen, aangezien de uitbreiding een toename van het aantal tractorbewegingen met zich zal brengen.

2.5.1.    De geluidvoorschriften zoals die bij besluit van 1 juni 1993 aan de oprichtingsvergunning van 15 juli 1983 zijn verbonden, zijn ter verduidelijking in het bestreden besluit opgenomen als de voorschriften 2.1 en 2.2. Gelet hierop spitst het geschil zich naar het oordeel van de Voorzitter toe tot de naleefbaarheid van deze geluidvoorschriften.

   In het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport van Pietersma & Spoelstra Ruimtelijke Ordening en Milieuadviseurs B.V. van 8 april 2004 (hierna: het akoestisch rapport) is een overzicht gegeven van de voor de bedrijfssituatie relevante geluidbronnen, zoals deze in de aanvraag zijn vermeld. Deze bronnen, bestaande uit een ventilator in de melkstal en een verreiker, zijn in de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geluidemissie meegenomen. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat met inachtneming van deze relevante geluidbronnen aan de in voornoemde voorschriften gestelde grenswaarden kan worden voldaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd en ook overigens ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat dit rapport op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd dan wel dat de uitkomsten van het akoestisch onderzoek onjuist zijn.

   Gelet op het bovenstaande heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd.

   Voorzover appellant heeft aangevoerd onaanvaardbare geluidhinder te ondervinden als gevolg van het rijden met de tractor, het loeien van de koeien en andere activiteiten binnen de inrichting overweegt de Voorzitter, dat het hierbij gaat om reeds vergunde activiteiten waar de bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning geen betrekking op heeft. Het beroep richt zich derhalve in zoverre niet tegen het bestreden besluit.

2.6.    De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval een nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.7.    Het beroep voorzover ingediend door [appellante] is niet-ontvankelijk. Het beroep voorzover ingediend door [appellant] is ongegrond.

2.8.    Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep voorzover ingediend door [appellante] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep voorzover ingediend door [appellant] ongegrond;

III.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Van Hardeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005

312-443.