Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS5533

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
200402413/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2004:AO4010
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2000 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) bouwvergunning verleend aan appellant sub 1 (hierna: de gemeente) voor het inrichten van een casco, oprichten van drie toegangen met twee bijbehorende lifthuizen, kaartverkoopruimten en technische ruimten op een terrein gelegen aan de Vijzelgracht/Nieuwe Vijzelstraat en de Weteringschans te Amsterdam met bestemming daarvan tot metrostation.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2005/643
Module Ruimtelijke ordening 2005/256 met annotatie van G.I. van de Poll-Berends
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402413/1.

Datum uitspraak: 9 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    de gemeente Amsterdam (Projectbureau Noord-Zuidlijn),

2.    het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2004 in het geding tussen:

de Vereniging De Bovengrondse, gevestigd te Amsterdam

en

appellant sub 2.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2000 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) bouwvergunning verleend aan appellant sub 1 (hierna: de gemeente) voor het inrichten van een casco, oprichten van drie toegangen met twee bijbehorende lifthuizen, kaartverkoopruimten en technische ruimten op een terrein gelegen aan de Vijzelgracht/Nieuwe Vijzelstraat en de Weteringschans te Amsterdam met bestemming daarvan tot metrostation.

Bij besluit van 27 maart 2003 heeft het college het daartegen door de Vereniging De Bovengrondse (hierna: de vereniging) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 februari 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de gemeente bij brief van 22 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2004, en het college bij brief van 29 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gemeente en het college hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van respectievelijk 19 april 2004 en 23 april 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 juni 2004 heeft de vereniging een memorie ingediend.

Bij besluit van 24 augustus 2004 heeft het college het bezwaar van de vereniging opnieuw ongegrond verklaard.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en de vereniging. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2004, waar de gemeente, vertegenwoordigd door prof. mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, ir. R.M.M.J. Bormans, ir. C.H.E. van Ees, ir. A.J.M. Snel, dr.ir. N.P.M. Scholten en mr. K.M. van der Velde-Menting, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C.H. van Dijk, ambtenaar van de gemeente, en ing. A. van der Ree, en J. Koomen, zijn verschenen. Tevens is daar gehoord de vereniging, vertegenwoordigd door mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam, ing. P.H.E. van de Leur en ing. J.C. de Knijff.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 193, eerste lid, van het Bouwbesluit, zoals dit tot 1 januari 2003 luidde, moet een gebouw, indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 174 tot en met 192, een mate van veiligheid bieden die ten minste gelijk is aan de mate van veiligheid die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens die artikelen gegeven voorschrift.

2.2.    Het college heeft zich met toepassing van artikel 193 van het Bouwbesluit op het standpunt gesteld dat het bouwplan in beginsel in gelijke mate voorziet in de gebruiks- en brandveiligheid als wordt beoogd met de artikelen 176, 177, 186 t/m 190 en 192 van het Bouwbesluit, mits het metrostation wordt uitgerust met een adequaat RookWarmteAfvoersysteem (hierna: RWA-installatie) en voldoende bedrijfszekere roltrappen. Het college heeft zich hierbij gebaseerd op de door de Stedelijke Woningdienst Amsterdam opgestelde notitie “Gelijkwaardigheid bij het bouwplan voor het station Rokin en vervolgens ook voor de overige stations van de Noord/Zuidlijn” van 22 mei 2000 en op de door het Adviesbureau Noord-Zuidlijn (hierna: adviesbureau) opgestelde notitie “Gelijkwaardigheid veiligheid station Vijzelgracht, Contract 6.2” van 17 oktober 2001 (hierna: gelijkwaardigheidsnotitie).

2.3.    Appellanten betogen allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de gelijkwaardigheidsnotitie een gelijkwaardig veiligheidsniveau biedt als bedoeld in artikel 193 van het Bouwbesluit.

2.3.1.     Appellanten voeren in dit verband aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het advies van de brandweer dat het perron over de gehele lengte tot een hoogte van 2,5 meter rook- en warmtevrij gehouden moet worden.    

   Dit betoog slaagt. Nu in het Bouwbesluit geen bepaling is opgenomen ten aanzien van de in acht te nemen minimale rook- en warmtevrije hoogte voor ondergrondse verblijfsruimten, heeft het college, gelet op de hem toekomende beoordelingsvrijheid op dit punt, aansluiting mogen zoeken bij de toelichting op artikel 190 en bij artikel 177 van het Bouwbesluit er toe strekkende dat de vrije hoogte boven een doorgang of een trap tenminste 2,1 meter dient te bedragen. Dat het in dit geval gaat om een vluchtmogelijkheid vanaf een ondergronds gelegen perron met een lengte van 123 meter naar de straat, zoals de rechtbank heeft overwogen, en niet om het bereiken van een aansluitend terrein vanuit een rookcompartiment, doet daaraan niet af. In dat kader heeft het college gewicht mogen toekennen aan het feit dat het station zal worden uitgerust met een RWA-installatie. Bovendien blijkt uit de handtekening van de heer J. Koomen, namens de Brandweer Amsterdam, op de brief van de gelijkwaardigheidscommissie van 23 januari 2002 dat de brandweer heeft ingestemd met de gelijkwaardigheidsnotitie en daarmee met de daarin voorziene rook- en warmtevrije hoogte.

   Voorts heeft het college zich onder verwijzing naar het rapport “Basisberekeningen RWA-ventilatieconcept voor verschillende diepe stations” van het adviesbureau van 23 maart 2000 en de beoordeling daarvan door het bureau Mott MacDonald in het rapport “Vijzelgracht Station Smoke Calculations – Second Opinion” van september 2002 op het standpunt gesteld dat de voorgestane RWA-installatie feitelijk een rook- en warmtevrije hoogte van meer dan 2,5 meter garandeert. In het rapport van het adviesbureau is, uitgaande van een aantal scenario’s, de rook- en warmtevrije hoogte berekend. Volgens het rapport van Mott MacDonald leidt een hercalculatie van die berekeningen – uitgevoerd met de rekenmethodiek van Heselden - tot resultaten die overeenkomen met die van het adviesbureau. Uitgaande van een scenario van een brand met een intensiteit van 15 Megawatt – dat door Mott MacDonald als zeer extreem wordt beoordeeld - zal de rook- en warmtevrije hoogte 4,16 meter bedragen. In hetgeen van de zijde van de vereniging is aangevoerd ziet de Afdeling geen grondslag voor het oordeel dat het college zich niet op deze rapporten heeft mogen baseren. De Afdeling stelt daarbij voorop dat de RWA-installatie zelf geen onderdeel uitmaakt van het vergunde bouwplan en dat niet in geschil is dat een installatie kan worden geleverd met de benodigde afzuigcapaciteit. Weliswaar is in het rapport van Mott MacDonald een aantal knelpunten genoemd, maar het college heeft zich – onvoldoende weersproken - op het standpunt gesteld dat deze kunnen worden opgelost bij de keuze van de specificaties van de RWA-installatie in het licht van hetgeen daaromtrent is voorgeschreven in de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het rapport van Mott MacDonald van september 2002 een definitief rapport. Het college heeft ter zitting toegelicht dat dit rapport ten tijde van de zitting bij de rechtbank nog niet de (formele) instemming van het college had, omdat dit afhing van instemming van de brandweer, welke op 3 februari 2004 is gegeven.

2.3.2.    Ingevolge artikel 177, eerste lid, van het Bouwbesluit, voorzover hier van belang, moeten de afmetingen van een trap ten minste voldoen aan kolom B van tabel II, of, indien de trap geen deel uitmaakt van een toegankelijkheidssector, aan kolom A van die tabel. Ingevolge tabel II dient de minimumbreedte van een B-trap 1,1 meter te zijn en de minimumbreedte van een A-trap 0,8 meter. De maximale hoogte van een trap dient 4 meter te zijn. De maximale afmeting van een optrede dient 0,21 meter te zijn.

2.3.2.1.    In het bouwplan is uitgegaan van een ontsluiting van het station door middel van zes roltrappen van perron naar verdeelhal, waarvan de drie noordelijke roltrappen 0,80 meter breed en de drie zuidelijke roltrappen 1 meter breed zijn en door middel van negen roltrappen van verdeelhal naar maaiveld, drie aan de noordkant en zes aan de zuidkant, ieder van 0,80 meter breed. In de gelijkwaardigheidsnotitie is er bij de berekening van de evacuatietijden vanuit gegaan dat de stijgpunten van perron naar verdeelhal maatgevend zijn voor de totale ontruimingstijd van het station.

2.3.2.2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat daarmee noch tussen perron en verdeelhal, noch tussen verdeelhal en maaiveld, de door de brandweer geadviseerde vluchtweg van acht meter breedte wordt gerealiseerd. Appellanten betogen echter terecht dat de rechtbank heeft miskend dat de brandweer heeft ingestemd met de gelijkwaardigheidsnotitie en zich gelet daarop op het standpunt heeft gesteld dat met de daarin voorgestelde totale vluchtbreedte van de roltrappen een gelijkwaardig veiligheidsniveau wordt bereikt als beoogd in artikel 193 van het Bouwbesluit.

2.3.2.3.    Appellanten betogen in dit verband voorts dat de rechtbank heeft miskend dat met de roltrappen een gelijkwaardig veiligheidsniveau wordt geboden als met vaste trappen.

   Volgens het college bedraagt de hoogte van de roltrappen in dit geval meer dan de ingevolge het Bouwbesluit maximaal toegestane hoogte van 4 meter, maar blijkt uit het Bouwbesluit dat die eis niet is gesteld voor de specifieke situatie in ondergrondse constructies, waarbij men in geval van evacuatie trappen dient te beklimmen in plaats van af te dalen. Bij het beklimmen van een trap is het valgevaar volgens het college gering. Voorts is de bouwvergunning verleend onder de voorwaarde dat de roltrappen een optrede zullen hebben van maximaal 0,21 meter, zodat de optreden van de roltrappen op dezelfde wijze zullen worden uitgevoerd als bij vaste trappen. Het college heeft zich gelet daarop naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de hoogte van de roltrappen en het achterwege laten van bordessen in dit geval vanuit een oogpunt van gebruiksveiligheid acceptabel is.

   Appellanten betogen terecht dat in de gelijkwaardigheidsnotitie in eerste instantie is uitgegaan van stilstaande roltrappen. Feitelijk zullen volgens het college voorts bij normaal gebruik twee roltrappen opwaarts bewegen en één roltrap neerwaarts en zal bij een noodsituatie de neerwaarts gaande roltrap door middel van een slow-stop worden gestopt. De situatie dat bewegende roltrappen van richting veranderen zal zich derhalve in beginsel niet voordoen. Gelet daarop behoefde aan de veiligheid van de gebruikers van de roltrappen in die situatie geen aandacht te worden besteed, aldus het college. Terecht heeft de rechtbank echter geoordeeld dat niet is gebleken dat de veiligheid van de gebruikers van de roltrappen, indien die tijdens noodsituaties worden stopgezet, is gewaarborgd.

   Aan de beslissing op bezwaar kleeft derhalve op dit onderdeel het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek.

2.3.2.4.    Het college is er bij het berekenen van de doorstroomcapaciteit vanuit gegaan dat de drie noordelijke trappen van perron naar verdeelhal gelijk te stellen zijn met een trap als bedoeld in kolom A van tabel II (hierna: A-trap) en de drie zuidelijke trappen gelijk te stellen zijn met een trap als genoemd in kolom B van tabel II (hierna: B-trap).

   Appellanten betogen in dit verband dat de rechtbank heeft miskend dat het college er bij het berekenen van de doorstroomcapaciteit van de roltrappen terecht vanuit is gegaan dat de roltrappen gelijk te stellen zijn met B-trappen.

   De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de Europese norm EN 115:1195 + A1:1998 van februari 1998, geoordeeld dat voor het berekenen van de minimumbreedte van de roltrap in verband met de veiligheidsvoorschriften aangeknoopt dient te worden bij de breedte van de tree en niet bij de breedte op heuphoogte, zoals het college voorstaat.

   Appellanten betogen terecht dat het college aan bedoelde Europese norm geen doorslaggevend gewicht behoefde toe te kennen, nu het niet gaat om een voor toepassing van het Bouwbesluit relevante toetsingsnorm.

   Uit de gelijkwaardigheidsnotitie en uit de beslissing op bezwaar valt evenwel zonder nadere toelichting niet op te maken op grond waarvan het college tot de conclusie is gekomen dat voor de berekening van de breedte van de roltrappen de breedte op heuphoogte bepalend is en dat de roltrappen derhalve voldoen aan de voor B-trappen vereiste minimumbreedte van 1,1 meter. Ook op dit punt kleeft aan de beslissing op bezwaar derhalve het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek.

2.3.2.5.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder k, van het Bouwbesluit, voorzover hier van belang, wordt onder toegankelijkheidssector verstaan het gedeelte van een gebouw, bestaande uit een of meer met elkaar in verbinding staande ruimten die mede zijn bestemd voor gebruik door bezoekers.

2.3.2.6.    Appellanten komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat het college niet heeft gemotiveerd waarom, ondanks de omstandigheid dat in het metrostation sprake is van een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Bouwbesluit, in het station grotendeels kan worden volstaan met trappen die slechts voldaan aan de minimumbreedte gesteld in kolom A.

       Dit betoog faalt. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat in het metrostation sprake is van ruimten die toegankelijk zijn voor bezoekers en derhalve van een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, voornoemd, zodat ingevolge artikel 177, eerste lid, van het Bouwbesluit B-trappen zijn vereist.

   Uit de gelijkwaardigheidsnotitie en uit de beslissing op bezwaar valt zonder nadere toelichting niet op te maken op grond waarvan het college van oordeel is dat in dit geval – gedeeltelijk – volstaan kan worden met A-trappen, zodat de beslissing op bezwaar ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd is.

2.4.    Appellanten betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verbinden van voorwaarden aan de bouwvergunning met betrekking tot het nader aanleveren van gegevens over de RWA-installatie en de bedrijfszekerheid van de roltrappen in strijd is met artikel 44 van de Woningwet.

   Dit betoog treft doel. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2002, inzake nr. 200202171/1 (BR 2003/92), het geval was, is de aanvraag om bouwvergunning in dit geval wel vooraf getoetst aan het Bouwbesluit en is vastgesteld dat het bouwplan, mits aan de voorwaarden is voldaan, hiermee niet in strijd is. Niet valt in te zien waarom niet verlangd mag worden technische gegevens over de (werking van de) RWA-installatie en de roltrappen, welke overigens nog niet zijn aanbesteed, na het verlenen van de bouwvergunning te verstrekken. Daarbij is van belang dat – zoals onder 2.3.2 is vermeld – de RWA-installatie zelf geen onderdeel uitmaakt van het vergunde bouwplan en niet is betwist dat een installatie kan worden geleverd met de benodigde afzuigcapaciteit.

2.5.    Gelet op het voorgaande heeft het college bij de bestreden beslissing op bezwaar op onderdelen onvoldoende gemotiveerd dat het in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat met de gelijkwaardigheidsnotitie een gelijkwaardig veiligheidsniveau wordt geboden als bedoeld in artikel 193 van het Bouwbesluit en is het bouwplan derhalve in zoverre in strijd met het Bouwbesluit. Nu het bouwplan integraal aan het Bouwbesluit moet worden getoetst betogen appellanten tevergeefs dat er geen grond bestond om de bouwvergunning te weigeren en dat de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan hetgeen in beroep is aangevoerd met betrekking tot het niet voldoen van het bouwplan aan redelijke eisen van welstand. Met de rechtbank is de Afdeling voorts van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 51, eerste lid, van de Woningwet, er reeds hierom geen aanleiding bestond om de vergunning aan te houden.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. Nu het dictum van de aangevallen uitspraak juist is, dient deze, met verbetering van gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.7.    Bij besluit van 24 augustus 2004 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. De vereniging heeft tegen dat besluit bij brief van 6 oktober 2004 beroep ingediend bij de rechtbank te Amsterdam. Dit nieuwe besluit moet worden aangemerkt als een besluit bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het hoger beroep moet derhalve ingevolge artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb geacht worden mede te zijn gericht tegen dat besluit.

2.7.1.    Anders dan door de vereniging is bepleit ziet de Afdeling geen aanleiding om het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar met toepassing van artikel 6:19, tweede lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank. Niet is gebleken dat dit besluit nieuwe, door de rechtbank nog niet beoordeelde, bezwaren oproept. Voorts is de zitting van de Afdeling, die oorspronkelijk op 13 september 2004 zou plaatsvinden, uitgesteld tot 10 november 2004 zodat de vereniging zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op de behandeling ter zitting van het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar. Dat, zoals door de vereniging is gesteld, het college haar eerst op 13 oktober 2004 nog een aantal stukken heeft toegestuurd,  waarop de door haar ingeschakelde deskundigen nog niet schriftelijk hebben kunnen reageren, leidt niet tot een andere beslissing. Deze stukken zien, naar ter zitting is gebleken, niet zozeer op de onderhavige bouwvergunning maar op de toepassing van het “safe-haven concept” dat als uitgangspunt voor de gehele Noord-Zuidlijn is gekozen.

2.8.    In het besluit van 24 augustus 2004 heeft het college zich – in navolging van de bezwaarschriftencommissie – opnieuw op het standpunt gesteld dat met de roltrappen een gelijkwaardig veiligheidsniveau wordt geboden als met vaste trappen. Het heeft in dat verband ondermeer verwezen naar een brief van het Lifinstituut van 18 februari 2004, aangevuld met een risicoanalyse door de fabrikant van de roltrappen. Uit deze stukken blijkt dat het langzaam tot stilstand laten komen van een roltrap waarop zich mensen bevinden is toegestaan en niet tot onacceptabele situaties zal leiden.

   Voorts kan uit het rapport van TNO Bouw “Doorstroomcapaciteit roltrappen Station Rokin van de Noord-Zuidlijn” van 30 januari 2004 worden opgemaakt dat de hoogte van de trap en het achterwege laten van een bordes in dit geval vanuit een oogpunt van gebruiksveiligheid acceptabel is. In het rapport van TNO Bouw van 21 juli 2004 wordt voorts bevestigd dat de aan- en optreden van de roltrappen zullen worden uitgevoerd op dezelfde wijze als bij vaste trappen. Nu het college er bij zijn berekeningen bovendien vanuit is gegaan dat één roltrap wegens onderhoud buiten gebruik zal zijn en hij maatregelen heeft getroffen om de werking van de roltrappen ook in geval van het uitvallen van de reguliere stroomvoorziening te verzekeren, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in het besluit van 24 augustus 2004 in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de roltrappen een gelijkwaardig veiligheidsniveau wordt geboden als met vaste trappen.

2.8.1.    Het college heeft zich in het besluit van 24 augustus 2004 andermaal op het standpunt gesteld dat de doorstroomcapaciteit van de roltrappen overeenkomt met de capaciteit van B-trappen, zoals is vereist in artikel 177 van het Bouwbesluit. Volgens het college moet in het kader van de beantwoording van de vraag of de breedte van de roltrappen voldoet aan daaraan wat betreft de doorstroomcapaciteit te stellen eisen, aansluiting worden gezocht bij de toelichting bij artikel 5 van het Bouwbesluit. Blijkens die toelichting dient de breedte van een B- trap 1,1 meter te zijn omdat daarvan “(…) door meer personen gelijktijdig en in twee richtingen gebruik zal worden gemaakt en derhalve rekening dient te zijn gehouden met de omstandigheid dat gebruikers van de trap elkaar moeten kunnen passeren”.

   Uit het rapport van TNO Bouw “Doorstroomcapaciteit roltrappen Station Rokin van de Noord-Zuidlijn” van 30 januari 2004 blijkt dat de roltrappen zodanig zullen worden uitgevoerd dat daarvan in een stilstaande situatie door twee personen naast elkaar gebruik kan worden gemaakt. Dit wordt bevestigd in het rapport van TNO Bouw van 21 juli 2004.

   Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de doorstroomcapaciteit van een roltrap met een treebreedte van ruim 1 meter, waarin het bouwplan voorziet, gelijk kan worden gesteld met die van een B-trap.

2.8.2.    In het advies van de bezwaarschriftencommissie van 23 augustus 2004, dat in de beslissing op bezwaar is overgenomen, is voorts verwezen naar het rapport van TNO Bouw van 26 juli 2004. Uit dat rapport blijkt dat is voorzien in afzonderlijke roltrappen voor het dalende verkeer en afzonderlijke roltrappen voor het stijgende verkeer en dat de situatie dat op éénzelfde roltrap mensen moeten stijgen en dalen daarom praktisch niet aan de orde kan zijn. Slechts in uitzonderlijke situaties zullen bepaalde trappen stilgezet worden. In die situatie worden alle trappen gebruikt in stijgende richting en doet zich dus niet de situatie voor van gelijktijdig stijgend en dalend verkeer.

   Gelet daarop heeft het college zich eveneens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval – gedeeltelijk – kan worden volstaan met A-trappen.

2.8.3.    De conclusie is derhalve dat het college zich in de beslissing op bezwaar van 24 augustus 2004 in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in een gelijke mate van veiligheid voorziet, als bedoeld in artikel 193 van het Bouwbesluit. Van strijd met het Bouwbesluit is dan ook geen sprake.

2.9.    De welstandscommissie heeft blijkens de verslaglegging van haar vergaderingen van 31 mei 2000, 20 september 2000 en 4 oktober 2000, negatief geadviseerd. De commissie heeft bezwaar tegen de situering van de lift op de kruising van de Nieuwe Vijzelstraat en de Weteringschans -   slechts enkele meters van de voorgevels van de bestaande panden - en tegen de maatvoering van de entrees van het station. De welstandscommissie heeft bezwaar tegen het feit dat het station als thema "de monumentalisering van de metro in het stadsbeeld" heeft. Volgens de commissie moet uitgegaan worden van een bescheiden inpassing in het stedelijk weefsel.

2.9.1.    In het advies van de bezwaarschriftencommissie van 23 augustus 2004 is overwogen dat in het primaire besluit en de beslissing op bezwaar zonder toereikende motivering is afgeweken van het negatieve welstandsadvies. In het advies van prof. ir. H.C. Bekkering van 21 juli 2004 is voldoende gemotiveerd aangegeven dat het bouwplan voor wat betreft de stationsingangen voldoet aan redelijke eisen van welstand. Gelet daarop heeft het college bij de bestreden beslissing op bezwaar op dit punt in redelijkheid kunnen afwijken van het negatieve advies van de welstandscommissie.

   Omtrent het lifthuis is in het advies van Bekkering echter slechts  overwogen dat dit om technische redenen die met de ondergrondse organisatie te maken hebben op het oostelijke trottoir nabij de hoek van de Weteringschans staat. Het advies van C. van Ees van het Ontwerpteam Stad dRO & het adviesbureau van 3 februari 2004 gaat niet in op de situering van de lift; dit advies heeft uitsluitend betrekking op het station Rokin. De nieuwe beslissing op bezwaar bevat derhalve geen deugdelijke motivering waarin wordt aangegeven waarom het college op dit punt tot een van het advies van de welstandscommissie afwijkend welstandsoordeel is gekomen en is derhalve in zoverre genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.9.2.    Nu er ten tijde van het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar nog steeds grond was om de bouwvergunning te weigeren, bestond er voor het college, gelet op het bepaalde in artikel 51, eerste lid, van de Woningwet, reeds hierom geen aanleiding om de aanvraag om bouwvergunning aan te houden.

2.10.    Het beroep van de vereniging tegen de beslissing van 24 augustus 2004 is gegrond. Deze beslissing dient te worden vernietigd.

2.11.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waarop deze rust;

III.    verklaart het beroep van de Vereniging De Bovengrondse tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 24 augustus 2004, 2004/10883, gegrond;

IV.    vernietigt dat besluit;

V.    veroordeelt de gemeente Amsterdam in de door de Vereniging De Bovengrondse in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 483,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Amsterdam te worden betaald aan de Vereniging De Bovengrondse;

VI.    gelast dat de gemeente Amsterdam aan de Vereniging De Bovengrondse het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.W.C.M. van Emmerik, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Van Emmerik

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005

53-398.