Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS5531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
200403849/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van Born, thans Sittard-Geleen, aan ATN Beheer BV te Obbicht een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woning op het Graetheide 25B te Born, kadastraal bekend gemeente Born, sectie I, nr. 909, (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2005/156 met annotatie van J.W. Weerkamp
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200403849/1.

Datum uitspraak: 9 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 maart 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van Born, thans Sittard-Geleen, aan ATN Beheer BV te Obbicht een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woning op het Graetheide 25B te Born, kadastraal bekend gemeente Born, sectie I, nr. 909, (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 december 2000 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 8 augustus 2000 in stand gelaten onder het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 2.5.15 van de Bouwverordening 1992 van de gemeente Born (hierna: de Bouwverordening).

Bij uitspraak van 1 februari 2002 heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 december 2000 vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing te nemen.

Bij besluit van 11 maart 2003 heeft het college het tegen het besluit van 8 augustus 2000 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, voorzover het betreft het niet opnemen van een vrijstelling in de bouwvergunning als bedoeld in artikel 2.5.15, lid 3 van de Bouwverordening 1992 (hierna: de Bouwverordening) en een vrijstelling als bedoeld in artikel 2.5.10, lid 4, onder c, van de Bouwverordening, de gebruikmaking van voornoemde vrijstellingsmogelijkheden toegevoegd aan het bestreden besluit en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 maart 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 4 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 juli 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2004, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door E. Evers en ing. C. Savelkoul, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Anders dan het college veronderstelt heeft appellant nog steeds procesbelang bij een uitspraak op het hoger beroep. Weliswaar woont hij niet meer aan [locatie 1], doch is hij nog steeds eigenaar van het perceel [locatie 2] , dat grenst aan het bouwperceel.

2.2.    Het geschil betreft de aan ATN Beheer BV te Obbicht verleende bouwvergunning voor het bouwen van een woning op voornoemd perceel.

2.3.    Niet meer in geschil is dat het bouwplan niet in strijd is met het als bestemmingsplan geldende uitbreidingsplan “Uitbreidingsplan aanwijzende de bestemming in hoofdzaken" van de voormalige gemeente Born, zoals dat luidt na de eerste partiële herziening (hierna: het bestemmingsplan), omdat alleen lintbebouwing zou zijn toegestaan.

2.4.    Het beroep van appellant op artikel 2.5.2 van de Bouwverordening slaagt niet, reeds omdat hij, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, verwijst naar de vergunning van 14 oktober 2003 voor het bouwen van een garage op een ander perceel, welk besluit eerst na het nemen van het besluit van 11 maart 2003 is genomen.

2.5.    Het betoog van appellant, dat niet is voldaan aan artikel 2.5.3 van de Bouwverordening, omdat het perceel niet is gelegen aan de openbare weg, faalt. Op grond van deze bepaling is slechts vereist dat er een geschikte verbindingsweg aanwezig is tussen het bouwwerk en het openbare wegennet. Het college is op grond van metingen ter plaatse tot de slotsom gekomen dat sprake is van een voldoende brede verbindingsweg. Die metingen zijn weergegeven op een zich in het dossier bevindende kaart, met dagtekening 18 september 2000, waarop onder meer de afstanden zijn aangegeven van de voorgevel van de woning tot de verbindingsweg, alsmede - op diverse punten - de breedte van die weg en de afstand tot de as van de weg. Appellant heeft weliswaar de juistheid van die metingen betwist, doch geen verifieerbare gegevens daartegenover gesteld. Onder die omstandigheden is er onvoldoende grond om te oordelen dat het college niet op het resultaat van genoemde metingen mocht afgaan.

2.6.    De rechtbank heeft het betoog van appellant omtrent het bouwen buiten de voorgevelrooilijn terecht verworpen. Anders dan appellant kennelijk veronderstelt, bevat het bestemmingsplan algemene bepalingen omtrent de ligging van de voorgevelrooilijn en geen voorschriften omtrent bebouwing ten opzichte van de voorgevelrooilijn. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bepalingen van de Bouwverordening ter zake moeten worden toegepast, met name artikel 2.5.10. De rechtbank heeft voorts op juiste gronden overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid vrijstelling als bedoeld in artikel 2.5.10, vierde lid, van de Bouwverordening kon verlenen.

2.7.    Het beroep van appellant op artikel 2.5.15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening, waarin is bepaald dat het erf achter de woning een strook grond dient te omvatten van tenminste 5 meter diep, moet worden geacht te zijn gericht tegen de verleende vrijstelling op grond van artikel 2.5.15, derde lid, aanhef en onder b.

    Het college heeft deze vrijstelling verleend omdat naar zijn oordeel een gunstige andere indeling van het erf bestaat als bedoeld in artikel 2.5.15, derde lid, aanhef en onder b.

    De woning is zodanig gesitueerd dat de vereiste minimale afstand van 5 meter niet wordt gehaald. De onderschrijding geldt echter alleen de positionering van de garage. De toegangsdeur van de garage is op een afstand van 1 meter uit de hoek gesitueerd. Vast staat dat daarbij de maatvoering als bedoeld in Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek in acht is genomen.

   Gelet op de positionering van woning en garage op het perceel en de afstanden tussen woning en garage enerzijds en de perceelsgrens anderzijds moet worden geoordeeld dat het college tot het oordeel heeft kunnen komen dat sprake is van een gunstige andere indeling van het erf in vorenbedoelde zin. Het college was derhalve bevoegd de hier bedoelde vrijstelling te verlenen.

   De rechtbank heeft voorts, mede gelet op de resterende ruimte op het perceel, terecht overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling op grond van artikel 2.5.15, derde lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening, heeft kunnen verlenen.

2.8.    Gelet op het vorenoverwogene is er geen grond voor het oordeel dat het college in strijd met artikel 2.5.1 van de Bouwverordening bij de afweging van de betrokken belangen, waaronder ook die van de omwonenden, niet in redelijkheid tot het verlenen van de vrijstellingen heeft kunnen besluiten.

2.9.    Ten slotte is niet gebleken dat appellant in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel onvoldoende gelegenheid heeft gehad zijn standpunt ter zake naar voren te brengen.

2.10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met een verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. van Ettekoven    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005

17-444.