Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS5518

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
200405894/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2003, kenmerk 2003/57672, heeft verweerder zich onbevoegd verklaard ten aanzien van een verzoek van appellant om toepassing van bestuursdwang ten aanzien van het opslaan van afvalstoffen op het terrein van manege “De Leistert”, gelegen aan de Leistertweg 2 te Roggel. Daarbij heeft verweerder het verzoek met toepassing van artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar appellant.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 31K
Milieurecht Totaal 2005/574
Omgevingsvergunning in de praktijk 2005/2547
JAF 2005/15 met annotatie van Van der Meijden
JB 2005/87 met annotatie van Red.
JOM 2006/1246
OGR-Updates.nl 1000874
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405894/1.

Datum uitspraak: 9 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Roggel en Neer,

gevestigd te Roggel,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2003, kenmerk 2003/57672, heeft verweerder zich onbevoegd verklaard ten aanzien van een verzoek van appellant om toepassing van bestuursdwang ten aanzien van het opslaan van afvalstoffen op het terrein van manege “De Leistert”, gelegen aan de Leistertweg 2 te Roggel. Daarbij heeft verweerder het verzoek met toepassing van artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar appellant.

Bij besluit van 9 maart 2004, kenmerk 2004/14489, verzonden op 15 maart 2004, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 14 mei 2004, nr. 200403252/2 en 200403252/1 heeft de Voorzitter dit besluit met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd.

Bij besluit van 22 juni 2004, kenmerk 2004/36405, verzonden op 24 juni 2004, heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2003 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 14 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 september 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door H.W.P. van Roij, ambtenaar van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door R.H.H. Renneberg en

ing. A.J.F. van de Poel, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Partijen zijn verdeeld over de vraag wie het bevoegd gezag is ten aanzien van de inrichting. Appellant betoogt dat de inrichting vanwege de aanwezigheid van afvalstoffen (verwerkt in een grondwal) onder categorie 28.4 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit) valt, zodat verweerder het bevoegd gezag is en hij ten onrechte heeft geweigerd tot handhaving over te gaan. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondwallen geen (zelfstandige) inrichting vormen. Nu de oprichting van de grondwallen en de daarmee gepaard gaande activiteiten met de afvalstoffen een eenmalig karakter hebben, is geen sprake van een in categorie 28.4 bedoelde inrichting, waarvoor verweerder het bevoegd gezag is.

   Verder heeft appellant aangevoerd dat verweerder vertrouwen heeft opgewekt dat hij handhavend zou optreden.

2.2.    Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

   Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

   Ingevolge artikel 3.1 van het Besluit zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

   Categorie 28.1, onder c, van bijlage I behorende bij het Besluit betreft inrichtingen voor het storten van afvalstoffen. Ingevolge categorie 28.4, onder f, van bijlage I behorende bij het Besluit zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voorzover het betreft inrichtingen voor het op of in de bodem brengen van huishoudelijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen om deze stoffen daar te laten.

2.3.    Niet in geschil is dat de grondwallen zich binnen de grenzen van de manege bevinden en dat appellant voor die inrichting een vergunning heeft verleend. Voorts staat vast dat voor de oprichting van de grondwallen afvalstoffen zijn gebruikt als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer en dat de hoeveelheid daarvan ongeveer 400 m3 bedraagt.

2.3.1.    Blijkens de Nota van toelichting bij het Besluit is enkel sprake van een inrichting “voor” het verrichten van de in een categorie omschreven activiteiten, indien deze activiteiten op meer dan incidentele basis worden verricht.

   Appellant heeft niet weersproken dat de oprichting van de grondwallen in kwestie, waarbij de bewuste afvalstoffen op de bodem zijn gebracht, een eenmalig karakter heeft. Dit betekent naar het oordeel van de Afdeling dat de manege niet tevens kan worden aangemerkt als een in categorie 28.4 omschreven inrichting voor het op of in de bodem brengen van huishoudelijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen om deze stoffen daar te laten. Het feit dat de afvalstoffen blijven liggen leidt niet tot een ander oordeel.

   Nu niet (tevens) sprake is van een zodanige inrichting, is de onderhavige situatie, anders dan appellant betoogt, niet vergelijkbaar met de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2003 in zaak nr. 200203938/1. Appellant is daarom bevoegd tot handhaving. De stelling van appellant dat de afvalstoffenwal, anders dan verweerder meent, geen werk is als bedoeld in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming behoeft derhalve geen bespreking meer.

   De beroeps grond faalt.

2.3.2.    Het beroep op het vertrouwensbeginsel van appellant faalt reeds, omdat toepassing van dat beginsel er niet toe kan leiden dat strijd ontstaat met de wettelijke regels inzake de toekenning van bevoegdheden aan bestuursorganen.

2.4.    Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting    w.g. Heijerman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005

255-451.