Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS5517

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
200405517/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân het wijzigingsplan "Wijziging Streek 182 te Rotsterhaule" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 65 met annotatie van M.C. de Voogd
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405517/1.

Datum uitspraak: 9 februari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân het wijzigingsplan "Wijziging Streek 182 te Rotsterhaule" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 17 mei 2004, no. 558500, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief van 5 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 augustus 2004.

Bij brief van 5 oktober 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2005, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.J. Spoelstra, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F. Jilderda, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Het college van burgemeester en wethouders is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit niet is genomen door verweerder, maar namens hem, door de teamleider Ruimtelijke Plannen van de provincie Fryslân. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van het Mandaatstatuut provincie Fryslân (hierna: het Mandaatstatuut) worden de bevoegdheden genoemd in bijlage II bij dit besluit, met inbegrip van de ondertekening van de stukken, opgedragen aan de secretaris/algemeen directeur. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Mandaatstatuut is de secretaris/algemeen directeur bevoegd om ten aanzien van bevoegdheden die hij krachtens dit statuut kan uitoefenen conform de hiërarchische lijn ondermandaat te verlenen. Blijkens het mandaatbesluit van 17 december 2002 is, voorzover van belang, de bevoegdheid tot goedkeuring van wijzigingsplannen, met uitzondering van het onthouden van (gedeeltelijke) goedkeuring, door de algemeen directeur/secretaris aan de teamleider Ruimtelijke Plannen gemandateerd.

2.3.    De Afdeling heeft onder meer in haar uitspraak van 19 juli 1999 (no. E01.97.0574; BR 1999/865) overwogen dat de aard van de bevoegdheid om te beslissen over de goedkeuring van een wijzigingsplan, in tegenstelling tot de aard van de bevoegdheid om te beslissen over de goedkeuring van een bestemmingsplan waartegen bedenkingen zijn ingediend, zich niet verzet tegen mandaatverlening. Tegen een wijzigingsplan kunnen immers geen bedenkingen ingediend worden bij verweerder. De procedure inzake het wijzigingsplan kan, anders dan die inzake het bestemmingsplan, in zoverre dan ook niet op één lijn gesteld worden met administratief beroep, ten aanzien waarvan artikel 10:3, tweede lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat de beslissingsbevoegdheid dienaangaande niet mag worden gemandateerd.

2.4.    Ingevolge artikel 10:9, eerste lid, van de Awb kan de mandaatgever toestaan dat ondermandaat wordt verleend. Uit artikel 1, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 4, eerste lid, van het Mandaatstatuut volgt dat in dit geval ondermandaat inzake de goedkeuring van een wijzigingsplan is toegestaan. De Afdeling stelt vast dat noch de Awb, noch enige andere wettelijke bepaling zich verzet tegen het verlenen van ondermandaat inzake de bevoegdheid om te beslissen over de goedkeuring van een wijzigingsplan. Het bestreden besluit is dan ook bevoegd genomen.

2.5.     [appellant] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover dit een verplichting tot sloop van de bestaande bijgebouwen op het perceel Streek 182 met zich zou brengen.

2.6.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft dit goedgekeurd.

2.7.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.1.    Het plan voorziet in een wijziging van de agrarische bestemming in de bestemming “Wonen” met betrekking tot het perceel Streek 182.

2.7.2.    Uit de in artikel 5, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Skarsterlân" opgenomen beschrijving in hoofdlijnen, voorzover hier van belang, volgt dat voor de functiewijziging van agrarische bedrijfsgebouwen rekening dient te worden gehouden met de randvoorwaarde, dat bestaande karakteristieke bouwvormen behouden dienen te blijven en overtollige en leeg blijvende schuren dienen te worden gesloopt. Ingevolge artikel 25, achtste lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voorzover hier van belang, kan de bestemming van agrarische bijgebouwen met bijbehorende erven na bedrijfsbeëindiging worden veranderd met het oog op een gebruik, inrichting en bebouwing ten behoeve van wonen met dien verstande dat de voorschriften van de overeenkomende bestemming overeenkomstig worden toegepast. Blijkens het wijzigingsbesluit wordt voldaan aan de in artikel 5, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan gestelde voorwaarden.  

2.8.    De Afdeling stelt vast dat uit het wijzigingsbesluit en het bestreden besluit geen verplichting tot sloop van de bestaande bijgebouwen voortvloeit. Het wijzigingsbesluit heeft als gevolg dat met betrekking tot het perceel Streek 182 de voorschriften van artikel 8 (Wonen) van het bestemmingsplan "Buitengebied Skarsterlân" van toepassing zijn. Uit artikel 5, tweede lid, van de voorschriften van dit bestemmingsplan, dat onder het opschrift "Beschrijving in hoofdlijnen" randvoorwaarden stelt aan het gebruik van de wijzigingsbevoegdheid door het college van burgemeester en wethouders, vloeit een dergelijke verplichting voor de grondgebruiker niet voort. Voorzover [appellant] van mening is dat de eis tot slopen voortvloeit uit de begeleidende brief van 25 mei 2004 bij het wijzigingsbesluit, waarin het college er op wijst dat alleen schuren die overtollig en leeg zijn, gesloopt dienen te worden, stelt de Afdeling vast dat een dergelijke verplichting evenmin uit deze brief, die geen deel uitmaakt van het wijzigingsbesluit of van het bestreden besluit, kan voortvloeien.

2.9.    Gelet op het vorenstaande mist het beroep van [appellant] feitelijke grondslag en is dit ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. van Buuren    w.g. van Onselen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005

178-459.